In een pub in Oxford las de Britse Europa-specialist Larry Siedentop een graffiti die volgens hem ook op de activiteiten van de Europese Unie van toepassing is:
'God is niet dood maar werkt tijdelijk aan een minder ambitieus project.'
(Gelezen in Paleis Europa, De Bezige Bij 2007)
21 februari 2008
14 februari 2008
"Vlaanderen is nu alleen nog voor Vlaanderen"
Jacques De Decker over de journalistieke onthullingen in De Standaard en de politieke malaise.
Maandagavond 11 februari zat ik aan een Brusselse tafel te praten met Jacques De Decker, journalist bij Le Soir, schrijver, essayist, vertaler, en een van de best geïnformeerde, perfect tweetalige Belgen uit het zuidelijke landsdeel. We hadden het onder meer over de opmerkelijke artikelenreeks in De Standaard over de mislukte regeringsformatie van Leterme en vooral over het politieke gekonkel in de coulissen van de macht. Jacques De Decker kent het Belgische Hof goed en hij weet ook zeer goed wat er leeft in Franstalige intellectuele en journalistieke middens. Het leek me daarom niet oninteressant zijn meningen over een en ander op te tekenen - met medeweten en goedvinden van mijn tafelgenoot.
Waarom denkt u dat De Standaard nu met zo’n reeks komt?
De Decker: “Vorige week hebben vele journalisten op verschillende redacties een paar dagen vakantie genomen. Vele politici hebben trouwens hetzelfde gedaan. Men heeft dus voor deze “achter de schermen”-formule gekozen om pagina’s te vullen met een materie die sedert deze crisis zeer rendabel is geworden. Politiek verkoopt in de kwaliteitskranten. De Standaard, De Morgen en Le Soir zijn de enige gazetten die de laatste maanden meer verkocht hebben, omdat de lezers meer dans ooit geboeid zijn door de politieke thriller die we iedere dag in feuilleton-vorm voorgeschoteld krijgen. De Standaard heeft ervoor gekozen om een schok-formule toe te passen: “We gaan vertellen wat alleen in de oren van de ingewijden gefluisterd wordt.” Ze hebben hun doel bereikt: in mijn krantenwinkel vanmorgen was er geen Standaard meer te vinden. De politici verkopen beter dan de sterren van de show-business. Joëlle Milquet is in het zuiden van België een soort Madonna aan het worden.”
Het problematische van dit soort journalistiek is dat een van de hardst aangevallen personen, namelijk de koning, niet kan reageren. Of vindt u dat de vorst, nu het vertrouwelijke karakter van zijn werk door politici en pers is geschonden, ook maar meteen vrijuit moet spreken?
De Decker: “Dat is juist het onaanvaardbare van deze methoden. De koning mag niet reageren, en hij zal het ook niet doen. Hij weet dat hij een symbolische rol speelt, en symbolen mogen geen polemiek voeren. Maar de politici in dit land weten zeer goed dat ze, zodra ze een uitnodiging bij de koning aanvaarden, die symbolische orde ook horen te respecteren. Nu is het zo dat men in bepaalde milieus een hekel heeft aan dat symbolische. Ik denk bijvoorbeeld aan de rexisten, die het voor de tweede wereldoorlog al zeer leuk vonden om foto’s te gaan maken in vrijmetselarentempels. Demagogen en populisten gaan ook graag deze weg op. Het verhaal van Bart De Wever over zijn gesprek met de koning kun je in dit kader terugplaatsen.”
Hoe reageert de Franstalige pers op deze duidelijk geënsceneerde indiscreties?
De Decker: “Zeer heftig. Dat is niet verwonderlijk. Volgens de Franstaligen zijn hier ongeschreven spelregels geschonden die aan de basis liggen van het Belgische contrat social. Men heeft de indruk dat die regels in Vlaanderen worden beschouwd als de overblijfselen van een voorbijgestreefd België. Zoals de Brabançonne, bijvoorbeeld. De Vlaamse mythologie heeft in het Noorden van het land de Belgische symbolen overschaduwd.”
Wat verwacht u dat er zal gebeuren als er op 23 maart geen nieuwe regering komt?
De Decker: “Wie kan daarop antwoorden? Is België nog een gelovig land? Vroeger had men in Vlaanderen voor een nieuwe regering gebeden. Maar Vlaanderen is niet meer voor Christus hé, Vlaanderen is nu uitsluitend nog voor Vlaanderen.”
Uitgerekend deze week viert Vlaanderen de 25ste verjaardag van Hugo Claus’ “Het verdriet van België”, misschien wel de grootste roman die ooit over dit land is geschreven. U bent een groot bewonderaar en kenner van Claus’ oeuvre. Wat denkt u van zijn werk in deze dagen, nu politiek wanbeheer dit land naar de afgrond lijkt te voeren?
De Decker: “Claus heeft alles voorzien. Nog meer in De Verwondering of in zijn Leven en werken van Leopold II dan in Het verdriet van België. Zijn helderziendheid is indrukwekkend. Hij heeft dit land begrepen en doorzien zoals Joyce Ierland, Thomas Bernhardt Oostenrijk of Leonardo Sciascia Sicilië. Vlaanderen heeft ook haar gigantische auteur die haar niets vergeeft. Maar wordt hij nog voldoende gelezen?”
Maandagavond 11 februari zat ik aan een Brusselse tafel te praten met Jacques De Decker, journalist bij Le Soir, schrijver, essayist, vertaler, en een van de best geïnformeerde, perfect tweetalige Belgen uit het zuidelijke landsdeel. We hadden het onder meer over de opmerkelijke artikelenreeks in De Standaard over de mislukte regeringsformatie van Leterme en vooral over het politieke gekonkel in de coulissen van de macht. Jacques De Decker kent het Belgische Hof goed en hij weet ook zeer goed wat er leeft in Franstalige intellectuele en journalistieke middens. Het leek me daarom niet oninteressant zijn meningen over een en ander op te tekenen - met medeweten en goedvinden van mijn tafelgenoot.
Waarom denkt u dat De Standaard nu met zo’n reeks komt?
De Decker: “Vorige week hebben vele journalisten op verschillende redacties een paar dagen vakantie genomen. Vele politici hebben trouwens hetzelfde gedaan. Men heeft dus voor deze “achter de schermen”-formule gekozen om pagina’s te vullen met een materie die sedert deze crisis zeer rendabel is geworden. Politiek verkoopt in de kwaliteitskranten. De Standaard, De Morgen en Le Soir zijn de enige gazetten die de laatste maanden meer verkocht hebben, omdat de lezers meer dans ooit geboeid zijn door de politieke thriller die we iedere dag in feuilleton-vorm voorgeschoteld krijgen. De Standaard heeft ervoor gekozen om een schok-formule toe te passen: “We gaan vertellen wat alleen in de oren van de ingewijden gefluisterd wordt.” Ze hebben hun doel bereikt: in mijn krantenwinkel vanmorgen was er geen Standaard meer te vinden. De politici verkopen beter dan de sterren van de show-business. Joëlle Milquet is in het zuiden van België een soort Madonna aan het worden.”
Het problematische van dit soort journalistiek is dat een van de hardst aangevallen personen, namelijk de koning, niet kan reageren. Of vindt u dat de vorst, nu het vertrouwelijke karakter van zijn werk door politici en pers is geschonden, ook maar meteen vrijuit moet spreken?
De Decker: “Dat is juist het onaanvaardbare van deze methoden. De koning mag niet reageren, en hij zal het ook niet doen. Hij weet dat hij een symbolische rol speelt, en symbolen mogen geen polemiek voeren. Maar de politici in dit land weten zeer goed dat ze, zodra ze een uitnodiging bij de koning aanvaarden, die symbolische orde ook horen te respecteren. Nu is het zo dat men in bepaalde milieus een hekel heeft aan dat symbolische. Ik denk bijvoorbeeld aan de rexisten, die het voor de tweede wereldoorlog al zeer leuk vonden om foto’s te gaan maken in vrijmetselarentempels. Demagogen en populisten gaan ook graag deze weg op. Het verhaal van Bart De Wever over zijn gesprek met de koning kun je in dit kader terugplaatsen.”
Hoe reageert de Franstalige pers op deze duidelijk geënsceneerde indiscreties?
De Decker: “Zeer heftig. Dat is niet verwonderlijk. Volgens de Franstaligen zijn hier ongeschreven spelregels geschonden die aan de basis liggen van het Belgische contrat social. Men heeft de indruk dat die regels in Vlaanderen worden beschouwd als de overblijfselen van een voorbijgestreefd België. Zoals de Brabançonne, bijvoorbeeld. De Vlaamse mythologie heeft in het Noorden van het land de Belgische symbolen overschaduwd.”
Wat verwacht u dat er zal gebeuren als er op 23 maart geen nieuwe regering komt?
De Decker: “Wie kan daarop antwoorden? Is België nog een gelovig land? Vroeger had men in Vlaanderen voor een nieuwe regering gebeden. Maar Vlaanderen is niet meer voor Christus hé, Vlaanderen is nu uitsluitend nog voor Vlaanderen.”
Uitgerekend deze week viert Vlaanderen de 25ste verjaardag van Hugo Claus’ “Het verdriet van België”, misschien wel de grootste roman die ooit over dit land is geschreven. U bent een groot bewonderaar en kenner van Claus’ oeuvre. Wat denkt u van zijn werk in deze dagen, nu politiek wanbeheer dit land naar de afgrond lijkt te voeren?
De Decker: “Claus heeft alles voorzien. Nog meer in De Verwondering of in zijn Leven en werken van Leopold II dan in Het verdriet van België. Zijn helderziendheid is indrukwekkend. Hij heeft dit land begrepen en doorzien zoals Joyce Ierland, Thomas Bernhardt Oostenrijk of Leonardo Sciascia Sicilië. Vlaanderen heeft ook haar gigantische auteur die haar niets vergeeft. Maar wordt hij nog voldoende gelezen?”
31 januari 2008
Zou John F. Kennedy voor Obama stemmen?
De Kennedy’s hebben democratische presidentskandidaat Barack Obama ondubbelzinnig geadopteerd als politieke erfgenaam van hun vermoorde broer en vader, president John F. Kennedy. Maar zou John F. Kennedy dat nu leuk hebben gevonden? Zou hijzelf voor Obama stemmen?
De steun van de Kennedy’s is een pijnlijk compliment voor de mediagenieke senator uit Illinois. Achter de mythe JFK schuilt immers veel onfraais. Martin Luther King wist er alles van. Enige kritische bedenkingen aan de vooravond van Super Tuesday.
Het was een opzienbarend bericht, eerder deze week, in de toch al zo verrassende verkiezingscampagne voor het Amerikaanse presidentschap: de Kennedy’s hebben besloten hun politieke steun te verlenen aan Barack Obama en niet aan Hilary Clinton, echtgenote van de grootste Kennedy-imitator uit de recente politieke geschiedenis van de VS. In een opmerkelijk opiniestuk afgelopen zondag in The New York Times bezong JFK’s dochter Caroline de senator uit Illinois op lyrische wijze. Ze besloot haar lofzang met volgende woorden: “I have never had a president who inspired me the way people tell me that my father inspired them. But for the first time, I believe I have found the man who could be that president — not just for me, but for a new generation of Americans.”
Caroline’s homage bevatte ook een zeer intrigerend zinnetje. “I want a president,” schreef ze, “who holds himself, and those around him, to the highest ethical standards.” Dat was opmerkelijk omdat “high ethical standards” nu niet meteen JFK’s voornaamste prioriteit waren. Dat weet zijn inmiddels vijftigjarige dochter natuurlijk ook. Dit zinnetje was dus ofwel een zoveelste bijdrage aan de mythische vervorming van wie Kennedy werkelijk was, ofwel was het een zeer bedekte kritiek op haar vaders presidentschap, en een subtiel verzoek aan Obama om het op dat vlak alvast beter te doen. De eerste verklaring is de waarschijnlijkste, de tweede de interessantste.
Een dag later trad senator Ted Kennedy zijn nichtje bij. In een speech voor studenten in Washington D.C. stelde hij Obama voor als de enige echte politieke erfgenaam van zijn in 1963 vermoorde broer. De retoriek was briljant, zoals het een Kennedy betaamt: There was another time, when another young candidate was running for President and challenging America to cross a New Frontier. He faced public criticism from the preceding Democratic President, who was widely respected in the party. Harry Truman said we needed “someone with greater experience”—and added: “May I urge you to be patient.” And John Kennedy replied: “The world is changing. The old ways will not do…It is time for a new generation of leadership.” So it is with Barack Obama.
De betekenis van de vergelijking met Truman was overduidelijk: Kennedy droeg in een en dezelfde alinea de Clintons politiek ten grave en duidde Obama aan als hun onontkoombare opvolger. En voor wie het nog niet had begrepen, voegde Kennedy eraan toe: “Obama is a fighter who cares passionately about the causes he believes in, without demonizing those who hold a different view.” Dat was een directe voor Bill Clinton, die volgens de patriarch der Kennedy’s de campagne de afgelopen weken heeft vervuild met racistische innuendo’s en andere smerigheden.
Door zijn vrouw een beetje te enthousiast te steunen - iets waar hij in het verleden niet altijd van kon worden beticht - heeft Bill Clinton zijn meest gegeerde vriend binnen het Democratische establishment naar het kamp van de tegenstander gejaagd. De broer van zijn idool JFK, naar wiens beeld hij zijn eigen presidentschap modelleerde, is nu een cruciale handlanger van rivaal Obama. De familie die hij zo bewonderde, de politicus wiens steun hem zo dierbaar was, zal straks misschien medeverantwoordelijk zijn voor de politieke dood van zijn vrouw. Veel dichter bij Shakespeare kun je in de hedendaagse politiek niet komen.

((Voor Bush' laatste State of the Union, afgelopen dinsdag in het Amerikaanse Congres, begroet Hillary Clinton Ted Kennedy, die een dag eerder zijn steun voor Obama heeft uitgesproken. Obama wendt het hoofd af. Foto's The New York Times)
Omarmd te worden door Amerika’s beroemdste - en meest tragische - politieke dynastie is een bonus waar Democratische kandidaten bij elke presidentsverkiezing naar hengelen. Doorgaans houden de Kennedy’s zich tijdens de voorverkiezingen afzijdig van het gewoel, en laten ze geen duidelijke politieke voorkeuren blijken. De symbolische betekenis van Ted Kennedy’s speech afgelopen maandag is dan ook buitengewoon groot. Plots leek Obama te baden in een bijna plechtig licht, alsof de gloed van Camelot op zijn schouders was neergedaald. Ook de politieke pers in de VS en elders klonk opgewonden, ja bijna opgelucht: eindelijk hebben de Kennedy’s zelf een waardige zoon gevonden voor een van Amerika’s meest populaire presidenten ooit, iemand die op geloofwaardige wijze in JFK’s voetsporen kan treden, ja, zelfs iemand die zijn werk kan verderzetten. In zekere zin is Obama de Kennedyzoon die JFK’s eigen zoon John John nooit is geworden. John John had volgens velen het presidentschap maar voor het grijpen. Golven van rouw en nostalgie zouden hem in de jaren tachtig of negentig van de vorige eeuw zo het Witte Huis hebben opgeleverd. Maar John John interesseerde zich niet voor politiek, hij is altijd een beetje een weke glamourboy gebleven, al is hij natuurlijk wel op zeer Kennedyeske wijze aan zijn einde gekomen - toen hij in slechte weersomstandigheden in een klein vliegtuigje nabij het eiland Martha’s Vineyard als een Icarus in zee stortte (19 juli 1999). Mooi, jong, verstandig en roekeloos - de jongen was erfelijk belast.
De euforische sfeer die de Kennedy’s in het kamp van Obama hebben gebracht, zou een mens doen vergeten dat de kennelijk ook vandaag nog steeds onverwoestbare mythe JFK een alles behalve fraaie werkelijkheid verbergt.
De tegenstelling tussen feiten en imago was wellicht het grootst op het fysieke vlak: de knappe, atletische, sportieve jongeman met de hagelwitte tanden, de elegante playboy die dankzij de moordaanslag op 22 november 1963 forever young zou blijven, was in werkelijkheid al lang voor hij het Witte Huis betrad een fysiek wrak. Kennedy leed al sinds september 1947 aan de ziekte van Addison (een insufficiëntie van de bijnierschors). In de jaren daarna kreeg hij ook steeds meer last van hoofdpijnen, ademhalingsprobemen, maagklachten, prostaatellende en vrijwel constante rugpijn. Kennedy onderging verschillende operaties, kreeg dagelijks injecties in zijn rug en slikte jarenlang iedere dag een halve apotheek: cortisone tegen Addison, en tegen alle andere kwalen Lomotil, Metamucil, Phenobarbital, Transentine en als toetje om te slapen Tuinal. Tijdens zijn jaren in het Witte Huis nam hij soms tot vijf keer per dag een hete douche, om de rugpijn een beetje draaglijker te maken. De gammele fysieke conditie van de president was een van de belangrijkste geheimen van zijn Administratie. Laten we hopen dat het Obama op dit vlak alvast beter vergaat.
***
(Uitweiding over Kennedy’s campagne)
De verkiezingscampagne duurde een halve eeuw geleden iets minder lang dan tegenwoordig. Kennedy maakte pas op 2 januari 1960 bekend dat hij dat jaar in november als Democratische kandidaat aan de presidentsverkiezingen wilde deelnemen. Daarvoor moest hij uiteraard eerst de nominatie van zijn partij zien te winnen. Dat is niet vanzelf gegaan. Kennedy moest afrekenen met zwaargewichten als Adlai Stevenson (die in 1952 en 1956 de presidentsverkiezingen had verloren van Eisenhower), Lyndon Johnson en Stuart Simington. Het establishment van de Democratische partij achtte de tweeënveertigjarige Kennedy te jong en onervaren voor het presidentschap.
Bovendien zorgde zijn katholieke achtergrond in vele lagen van de Amerikaanse bevolking voor een bijna hysterisch wantrouwen, ingegeven door de angst die vele protestantse Amerikanen al generaties lang koesterden, namelijk dat katholieken nooit betrouwbare republikeinen - niet in ideologische zin maar que staatkundige opvatting - kunnen zijn omdat ze nu eenmaal altijd twee meesters dienen: de republiek en de paus. Uit een enquête in mei 1959 bleek dat 24 % van de Amerikaanse kiezers nooit voor een katholiek zou stemmen, zelfs niet wanneer ze hem geschikt voor het presidentschap zou vinden. Ook Eleanor Roosevelt vroeg zich openlijk af of Kennedy als president wel zo oordeelkundig zou zijn om Kerk en Staat gescheiden te houden. Katholiek zijn was voor Kennedy wat “zwart” is voor Obama: een groot probleem in de ogen van het minder verlichte deel van de Amerikaanse bevolking, om het maar eens beleefd uit te drukken. Kennedy maakte er tijdens zijn campagne zelf grapjes over. Toen de methodistische bisschop Oxnam zei dat hij beducht was voor een katholiek in het Witte Huis omdat die “in constant touch with the pope” zou staan, antwoordde Kennedy dat hij, indien verkozen, Oxnam prompt tot persoonlijke afgezant bij het vaticaan zou benoemen, en de bisschop opdracht zou geven “to open negotiations for that Trans-Atlantic Tunnel immediately.”
Er waren maar zestien primaries. Voor de nominatie had je 761 afgevaardigden nodig. (Ter vergelijking: dit jaar moet je als Democratische presidentskandidaat de steun van 2025 afgevaardigden verwerven.) Kennedy haalde tijdens de eerste primary in New Hampshire - een staat die grenst aan zijn home state Massachusetts - meteen 85% van de stemmen. Hij won vervolgens ook Indiana en Nebraska zonder tegenstand. Toch was Kennedy nog steeds geen landelijke celebrity. Toen hij op campagne in het koude, winterse Wisconsin een taverne binnenstapte en zichzelf voorstelde met de woorden: “I’m John Kennedy and I’m running for President”, keek een van de stamgasten hem verbaasd aan en antwoordde: “President of what?” Maar op 5 april 1960 won Kennedy ook Wisconsin, ten nadele van zijn hardnekkigste rivaal, Hubert Humphrey. In de weken daarna - er was nog geen Super Tuesday in 1960 - veroverde Kennedy ook in West Virginia, Maryland en Oregon de meeste afgevaardigden. Op de Democratische Conventie in Los Angeles in juli 1960 werd hij als de officiële presidentskandidaat van de Democratische partij naar voren geschoven.
***
Ook op het inhoudelijke vlak zijn de tegenstellingen tussen de mythe JFK en de historische werkelijkheid van Kennedy’s presidentschap soms onthutsend. Zo was Kennedy hoegenaamd niet de progressieve, ja linkse ‘liberal’ waarvoor vele progressieven in het Democratische kamp - maar ook in Europa - hem houden. Kennedy was een keiharde communistenhater - zijn inaugurale rede is een toonbeeld van agressieve, provocerende Koude Oorlogretoriek - en een zeer pragmatisch politicus. Het eerste wat hij deed na zijn verkiezing was een belastingverlaging doorvoeren en het defensiebudget gevoelig verhogen - niet meteen beleidsdaden die wij met ‘links’ plegen te associëren. Kennedy distantieerde zichzelf trouwens nadrukkelijk van de ‘liberals’ in zijn partij. “I am not a liberal at all,” zei hij toen hij nog maar tot senator was verkozen, “I’m a realist.” Helemaal iets anders dus dan de bevlogen visionair die zo vaak uit zijn speeches opklonk, maar waarvan in zijn politieke daden bitter weinig te bespeuren valt. Tijdens zijn jaren als Amerikaans senator heeft hij trouwens geen enkel wetgevend werk van enige betekenis verricht.
Iemand met het gedachtengoed van Kennedy zou in de Amerikaanse politieke constellatie van vandaag nooit op de Democratische partij stemmen. Vandaag zou John F. Kennedy een gematigd republikein zijn. Hij zou eerder voort McCain dan voor Obama stemmen.
Het pijnlijkst aan de roekeloze vergelijking van Obama met JFk heeft te maken met een fundamenteel element in deze campagne: de race issue. Even recapituleren: op 7 januari suggereerde Hillary Clinton dat het Lyndon Johnnson is geweest - de democratische opvolger van Kennedy - die een aantal plannen en dromen van Martin Luther King heeft gerealiseerd. Met die opmerking - die historisch volkomen juist is - leek Hillary iets geringschattends te hebben geïnsinueerd over de verdiensten van de al even mythische Martin Luther King. Dat was in ieder geval de perceptie van vele progressieven, zowel blank als zwart, bij wie de Clintons het toen hebben verbruid. Het was ook het begin van de steeds bitsiger wordende duels tussen het Clintonkamp en het Obamakamp over de rol van race en gender in deze campagne. De heftige reacties op Hillary’s buitengewoon rustige, gematigde opmerking toont aan hoe vreselijk gevoelig de ethnische kwestie in de VS nog steeds is. Meer dan waarschijnlijk hebben nogal wat Afrikaanse Amerikanen naar aanleiding van Clintons zogezegde gaffe besloten zich helemaal achter Obama te scharen, bijna als een soort eerherstel voor de onaanraakbare Martin Luther King.
Maar nu ontstaat een enigszins duizelingwekkend imbroglio. Immers, JFK zelf was niet meteen een groot fan van Martin Luther King. Zo was King niet uitgenodigd op Kennedy’s Inauguratie, en evenmin op een meeting met burgerrechtenactivisten die twee maanden later plaatsvond in het kantoor van minister van justitie Bobby Kennedy. De president had geen hart voor de burgerrechtenbeweging waarvan King het bezielende boegbeeld was. Dat had King zelf ook al gauw in de smiezen. “The moral passion is missing,” zei hij toen JFK nog maar een paar maanden in het Witte Huis zat. JFK was een rijkeluiszoontje uit Boston dat zich bij de werkelijkheid van de rassensegregatie in het Zuiden volstrekt niets kon voorstellen. Pas toen de spanningen in 1963 in Birmingham Alabama kritiek werden, begon Kennedy de civil rights-kwestie ernstig te nemen.
Eén ding hadden King en Kennedy wel gemeen: ze gingen allebei vreemd. Edgar Hoover, de min of meer krankzinnige directeur van de FBI, wilde King laten bespioneren en zijn gesprekken afluisteren, in de hoop hem op die manier vroeg of laat fataal te kunnen compromitteren. Bobby Kennedy - Hoovers baas - was daar aanvankelijk niet zo enthousiast over. Maar Hoover, een seksueel verknipte eenzaat die de liederlijke Kennedy’s haatte, had een indrukwekkend dossier over John F. Kennedy’s seksuele escapades gedurende vele jaren. Het zou voor Hoover een koud kunstje zijn geweest om JFK's carrière te torpederen. En dus stemden de broers uit Boston ermee in dat Martin Luther King werd afgeluisterd door de FBI, in ruil voor absolute discretie van de FBI-baas over de promiscuïteit en de seksfuiven van de president.
Een mens hoeft geen puriteins moraalridder te zijn om te begrijpen dat, in het harde licht van de féiten en niet in de gouden glans van de mythe, de vergelijking met JFK niet bepaald flatteus is voor de jonge senator uit Illinois die nu een gooi doet naar het Amerikaanse presidentschap.
We hebben nu dus een zeer verwarrende, bijna hilarische situatie: de Clintons, die de Kennedy’s bewonderen, hebben zogenaamd Martin Luther King beledigd. Daarop ontstond een verharding in de campagne, met als gevolg dat Obama de steun kreeg van gegriefde Martin Luther Kingaanhangers, én van de Kennedy’s, die nu boos zijn op de Clintons en Obama hebben omhelsd als de politieke erfgenaam van John F. Kennedy, de president die Martin Luther King liet bespioneren en hem een aantal keren flink heeft vernederd.
Natuurlijk zou het mooi zijn als Obama de eerste zwarte president wordt - zoals Kennedy de eerste katholieke president was. Maar daar mag de vergelijking ophouden. Want het beeld van JFK dat nu voor de zoveelste maal in de internationale media weer wordt opgehangen, klopt van geen meter. De Kennedy’s hebben Obama met een giftige lauwerkrans omhangen.
De steun van de Kennedy’s is een pijnlijk compliment voor de mediagenieke senator uit Illinois. Achter de mythe JFK schuilt immers veel onfraais. Martin Luther King wist er alles van. Enige kritische bedenkingen aan de vooravond van Super Tuesday.
Het was een opzienbarend bericht, eerder deze week, in de toch al zo verrassende verkiezingscampagne voor het Amerikaanse presidentschap: de Kennedy’s hebben besloten hun politieke steun te verlenen aan Barack Obama en niet aan Hilary Clinton, echtgenote van de grootste Kennedy-imitator uit de recente politieke geschiedenis van de VS. In een opmerkelijk opiniestuk afgelopen zondag in The New York Times bezong JFK’s dochter Caroline de senator uit Illinois op lyrische wijze. Ze besloot haar lofzang met volgende woorden: “I have never had a president who inspired me the way people tell me that my father inspired them. But for the first time, I believe I have found the man who could be that president — not just for me, but for a new generation of Americans.”
Caroline’s homage bevatte ook een zeer intrigerend zinnetje. “I want a president,” schreef ze, “who holds himself, and those around him, to the highest ethical standards.” Dat was opmerkelijk omdat “high ethical standards” nu niet meteen JFK’s voornaamste prioriteit waren. Dat weet zijn inmiddels vijftigjarige dochter natuurlijk ook. Dit zinnetje was dus ofwel een zoveelste bijdrage aan de mythische vervorming van wie Kennedy werkelijk was, ofwel was het een zeer bedekte kritiek op haar vaders presidentschap, en een subtiel verzoek aan Obama om het op dat vlak alvast beter te doen. De eerste verklaring is de waarschijnlijkste, de tweede de interessantste.
Een dag later trad senator Ted Kennedy zijn nichtje bij. In een speech voor studenten in Washington D.C. stelde hij Obama voor als de enige echte politieke erfgenaam van zijn in 1963 vermoorde broer. De retoriek was briljant, zoals het een Kennedy betaamt: There was another time, when another young candidate was running for President and challenging America to cross a New Frontier. He faced public criticism from the preceding Democratic President, who was widely respected in the party. Harry Truman said we needed “someone with greater experience”—and added: “May I urge you to be patient.” And John Kennedy replied: “The world is changing. The old ways will not do…It is time for a new generation of leadership.” So it is with Barack Obama.
De betekenis van de vergelijking met Truman was overduidelijk: Kennedy droeg in een en dezelfde alinea de Clintons politiek ten grave en duidde Obama aan als hun onontkoombare opvolger. En voor wie het nog niet had begrepen, voegde Kennedy eraan toe: “Obama is a fighter who cares passionately about the causes he believes in, without demonizing those who hold a different view.” Dat was een directe voor Bill Clinton, die volgens de patriarch der Kennedy’s de campagne de afgelopen weken heeft vervuild met racistische innuendo’s en andere smerigheden.
Door zijn vrouw een beetje te enthousiast te steunen - iets waar hij in het verleden niet altijd van kon worden beticht - heeft Bill Clinton zijn meest gegeerde vriend binnen het Democratische establishment naar het kamp van de tegenstander gejaagd. De broer van zijn idool JFK, naar wiens beeld hij zijn eigen presidentschap modelleerde, is nu een cruciale handlanger van rivaal Obama. De familie die hij zo bewonderde, de politicus wiens steun hem zo dierbaar was, zal straks misschien medeverantwoordelijk zijn voor de politieke dood van zijn vrouw. Veel dichter bij Shakespeare kun je in de hedendaagse politiek niet komen.

((Voor Bush' laatste State of the Union, afgelopen dinsdag in het Amerikaanse Congres, begroet Hillary Clinton Ted Kennedy, die een dag eerder zijn steun voor Obama heeft uitgesproken. Obama wendt het hoofd af. Foto's The New York Times)
Omarmd te worden door Amerika’s beroemdste - en meest tragische - politieke dynastie is een bonus waar Democratische kandidaten bij elke presidentsverkiezing naar hengelen. Doorgaans houden de Kennedy’s zich tijdens de voorverkiezingen afzijdig van het gewoel, en laten ze geen duidelijke politieke voorkeuren blijken. De symbolische betekenis van Ted Kennedy’s speech afgelopen maandag is dan ook buitengewoon groot. Plots leek Obama te baden in een bijna plechtig licht, alsof de gloed van Camelot op zijn schouders was neergedaald. Ook de politieke pers in de VS en elders klonk opgewonden, ja bijna opgelucht: eindelijk hebben de Kennedy’s zelf een waardige zoon gevonden voor een van Amerika’s meest populaire presidenten ooit, iemand die op geloofwaardige wijze in JFK’s voetsporen kan treden, ja, zelfs iemand die zijn werk kan verderzetten. In zekere zin is Obama de Kennedyzoon die JFK’s eigen zoon John John nooit is geworden. John John had volgens velen het presidentschap maar voor het grijpen. Golven van rouw en nostalgie zouden hem in de jaren tachtig of negentig van de vorige eeuw zo het Witte Huis hebben opgeleverd. Maar John John interesseerde zich niet voor politiek, hij is altijd een beetje een weke glamourboy gebleven, al is hij natuurlijk wel op zeer Kennedyeske wijze aan zijn einde gekomen - toen hij in slechte weersomstandigheden in een klein vliegtuigje nabij het eiland Martha’s Vineyard als een Icarus in zee stortte (19 juli 1999). Mooi, jong, verstandig en roekeloos - de jongen was erfelijk belast.
De euforische sfeer die de Kennedy’s in het kamp van Obama hebben gebracht, zou een mens doen vergeten dat de kennelijk ook vandaag nog steeds onverwoestbare mythe JFK een alles behalve fraaie werkelijkheid verbergt.
De tegenstelling tussen feiten en imago was wellicht het grootst op het fysieke vlak: de knappe, atletische, sportieve jongeman met de hagelwitte tanden, de elegante playboy die dankzij de moordaanslag op 22 november 1963 forever young zou blijven, was in werkelijkheid al lang voor hij het Witte Huis betrad een fysiek wrak. Kennedy leed al sinds september 1947 aan de ziekte van Addison (een insufficiëntie van de bijnierschors). In de jaren daarna kreeg hij ook steeds meer last van hoofdpijnen, ademhalingsprobemen, maagklachten, prostaatellende en vrijwel constante rugpijn. Kennedy onderging verschillende operaties, kreeg dagelijks injecties in zijn rug en slikte jarenlang iedere dag een halve apotheek: cortisone tegen Addison, en tegen alle andere kwalen Lomotil, Metamucil, Phenobarbital, Transentine en als toetje om te slapen Tuinal. Tijdens zijn jaren in het Witte Huis nam hij soms tot vijf keer per dag een hete douche, om de rugpijn een beetje draaglijker te maken. De gammele fysieke conditie van de president was een van de belangrijkste geheimen van zijn Administratie. Laten we hopen dat het Obama op dit vlak alvast beter vergaat.
***
(Uitweiding over Kennedy’s campagne)
De verkiezingscampagne duurde een halve eeuw geleden iets minder lang dan tegenwoordig. Kennedy maakte pas op 2 januari 1960 bekend dat hij dat jaar in november als Democratische kandidaat aan de presidentsverkiezingen wilde deelnemen. Daarvoor moest hij uiteraard eerst de nominatie van zijn partij zien te winnen. Dat is niet vanzelf gegaan. Kennedy moest afrekenen met zwaargewichten als Adlai Stevenson (die in 1952 en 1956 de presidentsverkiezingen had verloren van Eisenhower), Lyndon Johnson en Stuart Simington. Het establishment van de Democratische partij achtte de tweeënveertigjarige Kennedy te jong en onervaren voor het presidentschap.
Bovendien zorgde zijn katholieke achtergrond in vele lagen van de Amerikaanse bevolking voor een bijna hysterisch wantrouwen, ingegeven door de angst die vele protestantse Amerikanen al generaties lang koesterden, namelijk dat katholieken nooit betrouwbare republikeinen - niet in ideologische zin maar que staatkundige opvatting - kunnen zijn omdat ze nu eenmaal altijd twee meesters dienen: de republiek en de paus. Uit een enquête in mei 1959 bleek dat 24 % van de Amerikaanse kiezers nooit voor een katholiek zou stemmen, zelfs niet wanneer ze hem geschikt voor het presidentschap zou vinden. Ook Eleanor Roosevelt vroeg zich openlijk af of Kennedy als president wel zo oordeelkundig zou zijn om Kerk en Staat gescheiden te houden. Katholiek zijn was voor Kennedy wat “zwart” is voor Obama: een groot probleem in de ogen van het minder verlichte deel van de Amerikaanse bevolking, om het maar eens beleefd uit te drukken. Kennedy maakte er tijdens zijn campagne zelf grapjes over. Toen de methodistische bisschop Oxnam zei dat hij beducht was voor een katholiek in het Witte Huis omdat die “in constant touch with the pope” zou staan, antwoordde Kennedy dat hij, indien verkozen, Oxnam prompt tot persoonlijke afgezant bij het vaticaan zou benoemen, en de bisschop opdracht zou geven “to open negotiations for that Trans-Atlantic Tunnel immediately.”
Er waren maar zestien primaries. Voor de nominatie had je 761 afgevaardigden nodig. (Ter vergelijking: dit jaar moet je als Democratische presidentskandidaat de steun van 2025 afgevaardigden verwerven.) Kennedy haalde tijdens de eerste primary in New Hampshire - een staat die grenst aan zijn home state Massachusetts - meteen 85% van de stemmen. Hij won vervolgens ook Indiana en Nebraska zonder tegenstand. Toch was Kennedy nog steeds geen landelijke celebrity. Toen hij op campagne in het koude, winterse Wisconsin een taverne binnenstapte en zichzelf voorstelde met de woorden: “I’m John Kennedy and I’m running for President”, keek een van de stamgasten hem verbaasd aan en antwoordde: “President of what?” Maar op 5 april 1960 won Kennedy ook Wisconsin, ten nadele van zijn hardnekkigste rivaal, Hubert Humphrey. In de weken daarna - er was nog geen Super Tuesday in 1960 - veroverde Kennedy ook in West Virginia, Maryland en Oregon de meeste afgevaardigden. Op de Democratische Conventie in Los Angeles in juli 1960 werd hij als de officiële presidentskandidaat van de Democratische partij naar voren geschoven.
***
Ook op het inhoudelijke vlak zijn de tegenstellingen tussen de mythe JFK en de historische werkelijkheid van Kennedy’s presidentschap soms onthutsend. Zo was Kennedy hoegenaamd niet de progressieve, ja linkse ‘liberal’ waarvoor vele progressieven in het Democratische kamp - maar ook in Europa - hem houden. Kennedy was een keiharde communistenhater - zijn inaugurale rede is een toonbeeld van agressieve, provocerende Koude Oorlogretoriek - en een zeer pragmatisch politicus. Het eerste wat hij deed na zijn verkiezing was een belastingverlaging doorvoeren en het defensiebudget gevoelig verhogen - niet meteen beleidsdaden die wij met ‘links’ plegen te associëren. Kennedy distantieerde zichzelf trouwens nadrukkelijk van de ‘liberals’ in zijn partij. “I am not a liberal at all,” zei hij toen hij nog maar tot senator was verkozen, “I’m a realist.” Helemaal iets anders dus dan de bevlogen visionair die zo vaak uit zijn speeches opklonk, maar waarvan in zijn politieke daden bitter weinig te bespeuren valt. Tijdens zijn jaren als Amerikaans senator heeft hij trouwens geen enkel wetgevend werk van enige betekenis verricht.
Iemand met het gedachtengoed van Kennedy zou in de Amerikaanse politieke constellatie van vandaag nooit op de Democratische partij stemmen. Vandaag zou John F. Kennedy een gematigd republikein zijn. Hij zou eerder voort McCain dan voor Obama stemmen.
Het pijnlijkst aan de roekeloze vergelijking van Obama met JFk heeft te maken met een fundamenteel element in deze campagne: de race issue. Even recapituleren: op 7 januari suggereerde Hillary Clinton dat het Lyndon Johnnson is geweest - de democratische opvolger van Kennedy - die een aantal plannen en dromen van Martin Luther King heeft gerealiseerd. Met die opmerking - die historisch volkomen juist is - leek Hillary iets geringschattends te hebben geïnsinueerd over de verdiensten van de al even mythische Martin Luther King. Dat was in ieder geval de perceptie van vele progressieven, zowel blank als zwart, bij wie de Clintons het toen hebben verbruid. Het was ook het begin van de steeds bitsiger wordende duels tussen het Clintonkamp en het Obamakamp over de rol van race en gender in deze campagne. De heftige reacties op Hillary’s buitengewoon rustige, gematigde opmerking toont aan hoe vreselijk gevoelig de ethnische kwestie in de VS nog steeds is. Meer dan waarschijnlijk hebben nogal wat Afrikaanse Amerikanen naar aanleiding van Clintons zogezegde gaffe besloten zich helemaal achter Obama te scharen, bijna als een soort eerherstel voor de onaanraakbare Martin Luther King.
Maar nu ontstaat een enigszins duizelingwekkend imbroglio. Immers, JFK zelf was niet meteen een groot fan van Martin Luther King. Zo was King niet uitgenodigd op Kennedy’s Inauguratie, en evenmin op een meeting met burgerrechtenactivisten die twee maanden later plaatsvond in het kantoor van minister van justitie Bobby Kennedy. De president had geen hart voor de burgerrechtenbeweging waarvan King het bezielende boegbeeld was. Dat had King zelf ook al gauw in de smiezen. “The moral passion is missing,” zei hij toen JFK nog maar een paar maanden in het Witte Huis zat. JFK was een rijkeluiszoontje uit Boston dat zich bij de werkelijkheid van de rassensegregatie in het Zuiden volstrekt niets kon voorstellen. Pas toen de spanningen in 1963 in Birmingham Alabama kritiek werden, begon Kennedy de civil rights-kwestie ernstig te nemen.
Eén ding hadden King en Kennedy wel gemeen: ze gingen allebei vreemd. Edgar Hoover, de min of meer krankzinnige directeur van de FBI, wilde King laten bespioneren en zijn gesprekken afluisteren, in de hoop hem op die manier vroeg of laat fataal te kunnen compromitteren. Bobby Kennedy - Hoovers baas - was daar aanvankelijk niet zo enthousiast over. Maar Hoover, een seksueel verknipte eenzaat die de liederlijke Kennedy’s haatte, had een indrukwekkend dossier over John F. Kennedy’s seksuele escapades gedurende vele jaren. Het zou voor Hoover een koud kunstje zijn geweest om JFK's carrière te torpederen. En dus stemden de broers uit Boston ermee in dat Martin Luther King werd afgeluisterd door de FBI, in ruil voor absolute discretie van de FBI-baas over de promiscuïteit en de seksfuiven van de president.
Een mens hoeft geen puriteins moraalridder te zijn om te begrijpen dat, in het harde licht van de féiten en niet in de gouden glans van de mythe, de vergelijking met JFK niet bepaald flatteus is voor de jonge senator uit Illinois die nu een gooi doet naar het Amerikaanse presidentschap.
We hebben nu dus een zeer verwarrende, bijna hilarische situatie: de Clintons, die de Kennedy’s bewonderen, hebben zogenaamd Martin Luther King beledigd. Daarop ontstond een verharding in de campagne, met als gevolg dat Obama de steun kreeg van gegriefde Martin Luther Kingaanhangers, én van de Kennedy’s, die nu boos zijn op de Clintons en Obama hebben omhelsd als de politieke erfgenaam van John F. Kennedy, de president die Martin Luther King liet bespioneren en hem een aantal keren flink heeft vernederd.
Natuurlijk zou het mooi zijn als Obama de eerste zwarte president wordt - zoals Kennedy de eerste katholieke president was. Maar daar mag de vergelijking ophouden. Want het beeld van JFK dat nu voor de zoveelste maal in de internationale media weer wordt opgehangen, klopt van geen meter. De Kennedy’s hebben Obama met een giftige lauwerkrans omhangen.
15 januari 2008
Quo vadis Belgica?
Ja, ik heb ze gelezen en gezien en gehoord de afgelopen maanden: de voorstanders van België en de voorstanders van een onafhankelijk Vlaanderen, de Walenuitdrijvers en de minnaars van het surrealistische koninkrijk, de linksen en de rechtsen, de separatisten, de federalisten, de confederalisten, de unionisten, de belgicisten, de argumenten pro, de argumenten tegen, de oproepen, de afwijzingen, de blauwdrukken, de manifesten, de tirades, de apologieën en de grafredes.
Honderden teksten en gesprekken, duizenden woorden voor en duizenden tegen, en wat is het resultaat van al dit lezen en praten en tobben en discussiëren?
Dat ik het niet weet. Dat ik het minder dan ooit weet. De ene dag dein ik mee met de redenering van de separatist die rustig en duidelijk uitlegt waarom België geen zin meer heeft, en een dag later zit ik even instemmend het vertoog te lezen van de antiseparatist die met niet minder zinnige argumenten de droom van een bonzairepubliek Vlaanderen weer afschiet.
Ik voel me een weerhaan, een kameleon, een dobber, een kurk op de baren van voor en tegen. Ellende. Heerlijk moet het zijn om in deze fundamentele kwestie een ondubbelzinnige positie te kunnen innemen, om echt helemaal radicaal honderd procent overtuigd te zijn van je eigen gelijk en dus ook van het ongelijk van “de anderen”. Om niet de hele tijd heen en weer te laveren zoals ik nu al maanden doe, voorwaar een vermoeiend gevoel, vooral als je in Duisburg woont, deelgemeente van Tervuren, vlakbij de taalgrens, de linguïstische frontlijn loopt dwars door mijn zolderraam, de horizon spreekt Frans.
Proeve van gezigzag.
Op een middag tussen kerst en nieuwjaar sta ik in het postkantoor van Tervuren in de rij. Voor mij twee slungels van een jaar of vijftien. Ik hoor ze onder elkaar Frans mommelen. Benieuwd wat Martine zal zeggen, denk ik bij mezelf. Martine is onze loketbeambte. De jongens komen een aangetekende zending ophalen. Martine kijkt naar de identiteitskaart van een van de jongens en zegt: ‘Je bent te jong, je moet vijftien zijn om aangetekende zendingen te kunnen ophalen.’ Antwoordt de jongen: ‘Vous parlez français?’ ‘Ja,’ zegt Martine, ‘ik spreek Frans, maar hier niet, Tervuren is een Vlaamse gemeente.’ Zegt ene jongen tegen andere: ‘Qu’est-ce qu’elle dit?’ De andere: ‘Elle dit qu’il faut avoir quinze ans.’ De al dan niet werkelijk monoglotte tiener doet nog even alsof hij het ook niet kan helpen dat hij geen Nederlands kent, maar Martine geeft geen krimp. Onverrichter zake druipen de twee af. Mijn hart springt op. Martine! Wat geweldig, zo doortastend! You’re a hero! Ik had haar kunnen zoenen. Oprispingen van flamingante retoriek. Wat denken die francofone ettertjes wel. Een beetje Kroaat bij een Vlaamse voetbalclub babbelt na een half seizoen een mondje Nederlands (nou ja, Vloms), maar de Franstalige tienertjes die opgroeien in Tervuren, oh nee, desolé. Fucking bourgeoisie. Oprotten allemaal. Ik koop twee keer meer zegels dan ik nodig had en verlaat het postkantoor als een overtuigde, ja lichtjes fanatieke separatist.
Een dag of tien later. Net voor het begin van de Octopusgesprekken lanceert Elio Di Rupo het idee van de talentelling in Brussel en de Rand. Laten we de mensen daar eens vragen of ze Frans of Nederlands spreken, en of ze liever tot Brussel zouden behoren dan wel tot Vlaanderen, aldus het voorstel van ‘het strikje’. Meteen staan alle Vlamingen op hun achterste poten. Een onaanvaardbaar voorstel vinden ze het. In De Zevende Dag op zondag 13 januari werd het voorstel van Di Rupo een provocatie genoemd, we hebben de taalwetten “in 1962” nu eenmaal vastgelegd en daar valt niet aan te tornen. Het was niet een of andere benepen Belanger die dit zei maar Magda Aelvoet, een van de intelligentste politici van wijlen Agalev. Vaststelling: zodra het over de taalgrens gaat, verdampen in Vlaanderen alle ideologische verschillen tussen links en rechts, dan klampt de hele politieke kaste zich vast aan het territoriumbeginsel, en vervallen zelfs verlichte politici als Aelvoet in een hyperconservatief discours, dat aan de huidige toestand niets wenst te veranderen omdat we die grens bijna vijftig jaar geleden nu eenmaal zo hebben vastgelegd. Het bestaan van een regel verantwoorden door te stellen dat die regel er nu eenmaal is, getuigt niet bepaald van lenig laat staan progressief denkvermogen.
Jazeker, ik verafschuw het hautaine, zelfgenoegzame gedrag van vele Franstaligen in de Brusselse Rand - leve Martine! - maar tegelijkertijd heeft dat mordicus vasthouden van de Vlamingen aan de taalwetten van een halve eeuw geleden iets krampachtigs, iets reactionairs, ja, iets ondemocratisch. Met alle liefde voor mijn taal- en cultuurgenoten, maar als in Kraainem 90% van de bevolking nu Frans spreekt -en dat was toen de taalwetten werden geschreven absoluut niet het geval - wel, dan is Kraainem nu een Franstalige gemeente, punt uit. Je kunt dat betreuren, maar je kunt het niet loochenen. Natuurlijk hebben mensen te gehoorzamen aan de wetten van het land waar ze wonen, maar wetten horen ook veranderlijk te zijn. Met landen of regimes die principieel weigeren hun wetten aan een veranderende werkelijkheid aan te passen - en dat is wat de Vlamingen in de discussie over de taalgrens steevast doen - loopt het zelden goed af.
Ter vergelijking: in de Verenigde Staten wordt iedere tien jaar een volkstelling gehouden. De gevolgen van deze zogenaamde federal census zijn niet gering, want mede hierdoor wordt beslist hoeveel vertegenwoordigers de staten krijgen in het House of Representatives. (Elke Amerikaanse staat heeft twee senatoren, maar het aantal volksvertegenwoordigers dat een staat mag afvaardigen hangt af van de populatie van de staat.) In de VS bestaat dus een rechtstreeks verband tussen demografische verschuivingen en de politieke machtsverhoudingen tussen de staten. Dat lijkt me in ieder geval democratischer dan de Vlaamse weigering om de demografische werkelijkheid in de Brusselse Rand te erkennen. Ik zeg het à contrecoeur, maar als de Franstalige gemeenschap in Wezembeek-Oppem een meerderheid vormt, belastingen betaalt en zich verder aan de regels en de wetten houdt, dan kun je zo’n meerderheid toch niet eeuwig blijven verbieden in publieke aangelegenheden haar eigen taal te spreken?
Overigens begrijp ik niet hoe die verfransing van de Rand nu eigenlijk functioneert. Iedereen weet dat de Rand rond Brussel peperduur is en iedereen weet ook dat de Vlamingen economisch welvarender, koopkrachtiger zijn dan de Franstaligen - toch verfranst de Rand. Hoe kan dat? Hoe kan het relatief armere deel van de bevolking gemeenten in de duurste regio van het land inpalmen? Waar zijn al die Vlamingen die hier vroeger de meerderheid vormden dan naartoe? Ik zie drie mogelijkheden: verhuisd, gestorven of verfranst. Er is me dunkt maar één manier om de Brusselse Rand op democratische wijze Vlaams te houden (of weer te maken): niet door je krampachtig vast te klampen aan moreel niet langer houdbare wetten, maar door er te gaan wonen. En Nederlands te blijven spreken.
Zo dobber ik nu al maanden rond. Niet in staat een van beide onverzoenlijke standpunten ondubbelzinnig te onderschrijven, heen en weer drijvend tussen afkeer van het franskiljonse joeng in het postkantoor - leve Vlaanderen! - en een niet minder grote afkeer van het halsstarrige bodemdenken dat alle Vlaamse politici met elkaar verenigt in één grote, ondemocratische kramp. Leve België ! Onontkoombaar en zeer Belgisch besluit: ik ben voor en tegen de afschaffing en het voortbestaan van België.
Honderden teksten en gesprekken, duizenden woorden voor en duizenden tegen, en wat is het resultaat van al dit lezen en praten en tobben en discussiëren?
Dat ik het niet weet. Dat ik het minder dan ooit weet. De ene dag dein ik mee met de redenering van de separatist die rustig en duidelijk uitlegt waarom België geen zin meer heeft, en een dag later zit ik even instemmend het vertoog te lezen van de antiseparatist die met niet minder zinnige argumenten de droom van een bonzairepubliek Vlaanderen weer afschiet.
Ik voel me een weerhaan, een kameleon, een dobber, een kurk op de baren van voor en tegen. Ellende. Heerlijk moet het zijn om in deze fundamentele kwestie een ondubbelzinnige positie te kunnen innemen, om echt helemaal radicaal honderd procent overtuigd te zijn van je eigen gelijk en dus ook van het ongelijk van “de anderen”. Om niet de hele tijd heen en weer te laveren zoals ik nu al maanden doe, voorwaar een vermoeiend gevoel, vooral als je in Duisburg woont, deelgemeente van Tervuren, vlakbij de taalgrens, de linguïstische frontlijn loopt dwars door mijn zolderraam, de horizon spreekt Frans.
Proeve van gezigzag.
Op een middag tussen kerst en nieuwjaar sta ik in het postkantoor van Tervuren in de rij. Voor mij twee slungels van een jaar of vijftien. Ik hoor ze onder elkaar Frans mommelen. Benieuwd wat Martine zal zeggen, denk ik bij mezelf. Martine is onze loketbeambte. De jongens komen een aangetekende zending ophalen. Martine kijkt naar de identiteitskaart van een van de jongens en zegt: ‘Je bent te jong, je moet vijftien zijn om aangetekende zendingen te kunnen ophalen.’ Antwoordt de jongen: ‘Vous parlez français?’ ‘Ja,’ zegt Martine, ‘ik spreek Frans, maar hier niet, Tervuren is een Vlaamse gemeente.’ Zegt ene jongen tegen andere: ‘Qu’est-ce qu’elle dit?’ De andere: ‘Elle dit qu’il faut avoir quinze ans.’ De al dan niet werkelijk monoglotte tiener doet nog even alsof hij het ook niet kan helpen dat hij geen Nederlands kent, maar Martine geeft geen krimp. Onverrichter zake druipen de twee af. Mijn hart springt op. Martine! Wat geweldig, zo doortastend! You’re a hero! Ik had haar kunnen zoenen. Oprispingen van flamingante retoriek. Wat denken die francofone ettertjes wel. Een beetje Kroaat bij een Vlaamse voetbalclub babbelt na een half seizoen een mondje Nederlands (nou ja, Vloms), maar de Franstalige tienertjes die opgroeien in Tervuren, oh nee, desolé. Fucking bourgeoisie. Oprotten allemaal. Ik koop twee keer meer zegels dan ik nodig had en verlaat het postkantoor als een overtuigde, ja lichtjes fanatieke separatist.
Een dag of tien later. Net voor het begin van de Octopusgesprekken lanceert Elio Di Rupo het idee van de talentelling in Brussel en de Rand. Laten we de mensen daar eens vragen of ze Frans of Nederlands spreken, en of ze liever tot Brussel zouden behoren dan wel tot Vlaanderen, aldus het voorstel van ‘het strikje’. Meteen staan alle Vlamingen op hun achterste poten. Een onaanvaardbaar voorstel vinden ze het. In De Zevende Dag op zondag 13 januari werd het voorstel van Di Rupo een provocatie genoemd, we hebben de taalwetten “in 1962” nu eenmaal vastgelegd en daar valt niet aan te tornen. Het was niet een of andere benepen Belanger die dit zei maar Magda Aelvoet, een van de intelligentste politici van wijlen Agalev. Vaststelling: zodra het over de taalgrens gaat, verdampen in Vlaanderen alle ideologische verschillen tussen links en rechts, dan klampt de hele politieke kaste zich vast aan het territoriumbeginsel, en vervallen zelfs verlichte politici als Aelvoet in een hyperconservatief discours, dat aan de huidige toestand niets wenst te veranderen omdat we die grens bijna vijftig jaar geleden nu eenmaal zo hebben vastgelegd. Het bestaan van een regel verantwoorden door te stellen dat die regel er nu eenmaal is, getuigt niet bepaald van lenig laat staan progressief denkvermogen.
Jazeker, ik verafschuw het hautaine, zelfgenoegzame gedrag van vele Franstaligen in de Brusselse Rand - leve Martine! - maar tegelijkertijd heeft dat mordicus vasthouden van de Vlamingen aan de taalwetten van een halve eeuw geleden iets krampachtigs, iets reactionairs, ja, iets ondemocratisch. Met alle liefde voor mijn taal- en cultuurgenoten, maar als in Kraainem 90% van de bevolking nu Frans spreekt -en dat was toen de taalwetten werden geschreven absoluut niet het geval - wel, dan is Kraainem nu een Franstalige gemeente, punt uit. Je kunt dat betreuren, maar je kunt het niet loochenen. Natuurlijk hebben mensen te gehoorzamen aan de wetten van het land waar ze wonen, maar wetten horen ook veranderlijk te zijn. Met landen of regimes die principieel weigeren hun wetten aan een veranderende werkelijkheid aan te passen - en dat is wat de Vlamingen in de discussie over de taalgrens steevast doen - loopt het zelden goed af.
Ter vergelijking: in de Verenigde Staten wordt iedere tien jaar een volkstelling gehouden. De gevolgen van deze zogenaamde federal census zijn niet gering, want mede hierdoor wordt beslist hoeveel vertegenwoordigers de staten krijgen in het House of Representatives. (Elke Amerikaanse staat heeft twee senatoren, maar het aantal volksvertegenwoordigers dat een staat mag afvaardigen hangt af van de populatie van de staat.) In de VS bestaat dus een rechtstreeks verband tussen demografische verschuivingen en de politieke machtsverhoudingen tussen de staten. Dat lijkt me in ieder geval democratischer dan de Vlaamse weigering om de demografische werkelijkheid in de Brusselse Rand te erkennen. Ik zeg het à contrecoeur, maar als de Franstalige gemeenschap in Wezembeek-Oppem een meerderheid vormt, belastingen betaalt en zich verder aan de regels en de wetten houdt, dan kun je zo’n meerderheid toch niet eeuwig blijven verbieden in publieke aangelegenheden haar eigen taal te spreken?
Overigens begrijp ik niet hoe die verfransing van de Rand nu eigenlijk functioneert. Iedereen weet dat de Rand rond Brussel peperduur is en iedereen weet ook dat de Vlamingen economisch welvarender, koopkrachtiger zijn dan de Franstaligen - toch verfranst de Rand. Hoe kan dat? Hoe kan het relatief armere deel van de bevolking gemeenten in de duurste regio van het land inpalmen? Waar zijn al die Vlamingen die hier vroeger de meerderheid vormden dan naartoe? Ik zie drie mogelijkheden: verhuisd, gestorven of verfranst. Er is me dunkt maar één manier om de Brusselse Rand op democratische wijze Vlaams te houden (of weer te maken): niet door je krampachtig vast te klampen aan moreel niet langer houdbare wetten, maar door er te gaan wonen. En Nederlands te blijven spreken.
Zo dobber ik nu al maanden rond. Niet in staat een van beide onverzoenlijke standpunten ondubbelzinnig te onderschrijven, heen en weer drijvend tussen afkeer van het franskiljonse joeng in het postkantoor - leve Vlaanderen! - en een niet minder grote afkeer van het halsstarrige bodemdenken dat alle Vlaamse politici met elkaar verenigt in één grote, ondemocratische kramp. Leve België ! Onontkoombaar en zeer Belgisch besluit: ik ben voor en tegen de afschaffing en het voortbestaan van België.
17 december 2007
Dom cadeautje bij De Standaard
Toen de RTBF vorig jaar in december zijn inmiddels roemruchte nepjournaal ‘Bye Bye Belgium’ uitzond, kwam De Standaard woorden tekort om haar afkeer van deze journalistieke ‘grap’ te uiten. De krant vond het een “domme uitzending”, bulkend van ergerlijke clichés en karikaturen, een “misplaatste stunt”. In Vlaanderen was er slechts één partij die deze barre vorm van journalistiek de dag nadien toejuichte, namelijk het Vlaams Belang. Dat vond de krant niet verbazend. “De uitzending was inderdaad een perfect verlengstuk van de eenzijdige en kortzichtige visie van deze partij op de staatsontwikkeling,” zo heette het. ‘Bye Bye Belgium’ was waardeloze journalistiek en “dodelijk voor de geloofwaardigheid van de media”.
Of de uitzending van dat overigens schitterend gemaakte nepjournaal nu wel zo’n goed idee was voor een openbare omroep, daarover liepen en lopen de meningen uiteen. Maar het was natuurlijk wel de spraakmakendste televisie-uitzending van het afgelopen jaar, een programma bovendien waarvan de strekking in het licht van de politieke evolutie van de afgelopen zes maanden niet bepaald minder relevant is geworden. Dat is de dienst marketing van De Standaard uiteraard ook niet ontgaan.
Want kijk: een jaar later, afgelopen zaterdag, zat in diezelfde krant een bon waarmee je bij de filialen van de Standaardboekhandel een dvd van ‘Bye bye Belgium’ kon afhalen. Gratis.
Opmerkelijk toch, dat een krant extra kopers zoekt door gratis een reportage aan te bieden die ze een jaar geleden zelf erg “dom” vond en waarvan ze de “eenzijdige en armtierige benadering” ten zeerste betreurde. Aan de inhoud van die eenzijdige en armtierige reportage is namelijk niets veranderd. Wél veranderd is zeg maar de cultuursociologische betekenis van deze reportage. Die veranderde betekenis is misschien ook commercieel uit te buiten, moeten de Coreliomarketeers hebben gedacht.
En zo kon het dat een reportage die De Standaard vorig jaar neersabelde als Vlaams Belangjournalistiek, twaalf maanden later de lezers van diezelfde krant doodleuk als cadeautje werd aangeboden. Zonder enige duiding, verklaring, contextualisering. Of hoe marketingstrategieën soms veel dodelijker kunnen zijn voor de “geloofwaardigheid van de media” dan alle hysterische, simplistische Franstalige journalisten bij elkaar.
Of de uitzending van dat overigens schitterend gemaakte nepjournaal nu wel zo’n goed idee was voor een openbare omroep, daarover liepen en lopen de meningen uiteen. Maar het was natuurlijk wel de spraakmakendste televisie-uitzending van het afgelopen jaar, een programma bovendien waarvan de strekking in het licht van de politieke evolutie van de afgelopen zes maanden niet bepaald minder relevant is geworden. Dat is de dienst marketing van De Standaard uiteraard ook niet ontgaan.
Want kijk: een jaar later, afgelopen zaterdag, zat in diezelfde krant een bon waarmee je bij de filialen van de Standaardboekhandel een dvd van ‘Bye bye Belgium’ kon afhalen. Gratis.
Opmerkelijk toch, dat een krant extra kopers zoekt door gratis een reportage aan te bieden die ze een jaar geleden zelf erg “dom” vond en waarvan ze de “eenzijdige en armtierige benadering” ten zeerste betreurde. Aan de inhoud van die eenzijdige en armtierige reportage is namelijk niets veranderd. Wél veranderd is zeg maar de cultuursociologische betekenis van deze reportage. Die veranderde betekenis is misschien ook commercieel uit te buiten, moeten de Coreliomarketeers hebben gedacht.
En zo kon het dat een reportage die De Standaard vorig jaar neersabelde als Vlaams Belangjournalistiek, twaalf maanden later de lezers van diezelfde krant doodleuk als cadeautje werd aangeboden. Zonder enige duiding, verklaring, contextualisering. Of hoe marketingstrategieën soms veel dodelijker kunnen zijn voor de “geloofwaardigheid van de media” dan alle hysterische, simplistische Franstalige journalisten bij elkaar.
21 november 2007
Waar is 'links'?
Is “links op de dool” ? Dat was het uitgangspunt van een opmerkelijke bijlage in Knackenige weken geleden (17 oktober 2007). Links, zo heette het, maakt een identiteitscrisis door. In Nederland stelt schrijver Joost Zwagerman iets vergelijkbaars vast. ‘We leven in een tijd waar links hopeloos op de dool is’ noteert hij in zijn onlangs verschenen pamflet De schaamte voor links. Wat zouden de oorzaken van dit dolen wel kunnen zijn? Is de crisis tijdelijk of het begin van de definitieve neergang? En wat is dat eigenlijk, ‘links’?
Antropoloog Rik Pinxten, een van de geïnterviewden in het Knack-dossier, verbond de ‘teloorgang van links’ met de aanslagen van elf september 2001 in de VS. Toen George W. Bush in naam van de oorlog tegen het terrorisme wetten liet goedkeuren die een aantal burgerrechten opschortten of afschaften, durfde de linkerzijde zich daar niet tegen te verzetten, bang als ze was om in die vertwijfelde tijden voor anti-patriottisch te worden uitgekreten. ‘Toen sommigen begonnen in te zien dat hun leiders misbruik van de situatie hadden gemaakt, was het kwaad al geschied,’ aldus Pinxten.
Politiek socioloog Marc Swyngedouw wees dan weer op de fataal gebleken tweespalt van linkse regeringspartijen die de afgelopen jaren in hun eigen Europese staat ‘een intensief sociaal beleid’ voerden terwijl ze ‘op Europees niveau een volledig neoliberaal systeem’ verdedigden. Ook de rode eminentie Philippe Moureaux (PS) verwees naar die Europese mislukking: ‘De socialisten hebben zelf een heel belangrijke kans verknoeid in de jaren dat ze overal in Europa, ook in de Europese Commissie, het politieke overwicht hadden. (...) Voor de publieke opinie, die hoopvol gestemd was omdat de socialisten voor het eerst sinds lang in Europa aan zet waren, is die periode op één grote desillusie uitgedraaid.’
De linkse politici waren niet mals voor de eigen familie. Zo weet Louis Tobback de erbarmelijke uitslag van zijn SP.A bij de recentste parlementsverkiezingen aan ‘een absoluut verkeerde, rotslechte campagne.’ Moureaux kapittelde de loftsocialisten binnen de PS en ook groen Europarlementslid Bart Staes stak de hand diep in eigen boezem. Volgens Staes verkeert de linkerzijde in crisis doordat ze veel te lang de problemen van de multiculturele samenleving heeft weggehoond. ‘Dat is een zeer zware fout geweest.’ Hij verweet zijn eigen geestesgenoten politieke en intellectuele luiheid en omschreef zijn eigen analyse als ‘een schuldbekentenis’.
In Nederland heeft links zich volgens Zwagerman in ‘drie wezenlijke kwesties’ ernstig vergist: 'de hardnekkige weigering om morele vragen te durven te stellen (het zogeheten normen-en-waarden-debat), de multicultuur en de onttakeling van het onderwijs.’ De verantwoordelijkheid voor deze feilen legt Zwagerman bij de ‘linksisten van de PvdA’, ideologisch verkrampte betweters wier zelfgenoegzaamheid en onverdraagzaamheid de schrijver met verve beschimpt. Zwagerman voegt er wel meteen aan toe dat hij geen conservatief is geworden, hij is eerder een afvallige dan een overloper, iemand die zich nu schaamt voor de politieke familie waar hij zich altijd toe heeft gerekend.
Opmerkelijk toch, hoe mensen die zichzelf wel degelijk ter linkerzijde situeren de laatste tijd met welhaast masochistisch genoegen aan intellectuele zelfkastijding doen. De vraag is of al die lamento’s van boetvaardig links ook wat uithalen. Creëren ze ruimte voor iets nieuws? Zullen linkse partijpogramma’s nu fundamentele veranderingen ondergaan? Ik ben bang van niet.
De rode zelfgeseling is een louter ritueel proces, een ongewenste maar ook tijdelijke time out, waarna min of meer dezelfde mensen met min of meer dezelfde ideeën en aspiraties opnieuw tot het politieke machtsspel zullen worden toegelaten. Nog één keer Zwagerman: ‘Het lijkt wel een psychisch ziektebeeld onder links,’ schrijft hij in zijn pamflet, ‘na een verkiezingsnederlaag doet men in ijltempo aan een verplichte introspectie en komt dan tot confronterende ontdekkingen over de ideologische en praktische tekortkomingen, waarna men schijnbaar onbekommerd overgaat tot de orde van de dag en alles precies weer even verkeerd doet als daarvoor.’
Zijn politici dan zo hardleers? Leren ze niet uit hun fouten? Ik denk dat het à la limite niet eens over fouten gaat. Politici vervallen in altijd min of meer dezelfde denk- en gedragspatronen - die nu eens electoraal lonend zijn en dan weer niet, afhankelijk van variabelen waar politici vaak maar weinig vat op hebben - om de simpele reden dat ze niets anders meer kunnen bedenken. Het ontbreekt hen aan een fundamenteel ander soort weten, een ander soort denken, aan ideeën die wezenlijk zouden verschillen van de aannames die de sociaaldemocratie nu toch al een jaar of vijftig schragen en sturen. Dat zijn, in telegramstijl: geloof in de principiële gelijkwaardigheid van alle mensen, in individuele vrijheid (al weten we niet altijd wat dit precies behelst), de rechtvaardigheid van een sociaal gecorrigeerde vrije markteconomie, scheiding van Kerk en Staat, min of meer vrije meningsuiting - en nog wat. Aan dit vertrouwde begrippenkader is ons denken over politiek en ethiek geketend. Wij kunnen eigenlijk niets anders meer denken. Ik bedoel dit zo letterlijk mogelijk: wij weten niets beters. Alsof het neoliberalisme een aangeboren denkvorm zou zijn.
Over de superieure waarde van dit model bestaat in dit deel van de wereld een granieten consensus. Dat merk je wanneer je dit denksysteem confronteert met ideeën die het niet of nauwelijks kan absorberen. Neem nu de beursspeculatie. Dit is - ik heb het hier al eerder betoogd - een volslagen irrationeel, ondemocratisch, economisch inefficiënt en immoreel systeem dat in zijn huidige vorm meteen zou moeten worden afgeschaft. Toch is deze gedachte ook voor vele zich links wanende mensen bijna fysiek on-denkbaar. Ze leidt hooguit tot een bezorgd hoofdschudden en wordt dan prompt afgestoten, als een vreemd lichaam. Dezelfde reactie wacht wie een pleidooi houdt voor een herwaardering van een planeconomie, terwijl je toch helemaal geen antieke communist hoeft te zijn om in te zien dat op een planeet met beperkte energiebronnen een planeconomie in principe een veel verstandiger systeem is dan de vrije markt. Ideeën als deze maken de harde grenzen van wat binnen de neoliberale consensus denkbaar is zichtbaar. Ze ontmaskeren de verpletterende eensgezindheid die wij pluralisme noemen.
Wie het over ‘links’ heeft moet een onderscheid maken tussen pragmatisch, partijpolitiek links en wat ik gemakshalve filosofisch links noem. Filosofisch links stoelt op één zeer duidelijk axioma: telkens wanneer de waarden solidariteit en individuele menselijke vrijheid met elkaar in conflict komen, verdedig je eerst de solidariteit. Dit is niet de fundering van een totalitair regime maar het is wel de enige keuze die links denken op glasheldere wijze scheidt van rechts denken. Links denken ent de individuele vrijheid op solidariteit, rechts denken ent solidariteit op individuele vrijheid. Hoe genuanceerd en in elkaar vervloeiend links en rechts verder ook mogen zijn, op dit niveau is de tegenstelling tussen beider prioriteiten absoluut.
Het dolende links is het pragmatische links van sociaaldemocratische partijen die geheel binnen de ideologische afrastering van het neoliberalisme opereren en daar nu even een moeilijke tijd doormaken. De huidige crisis heeft te maken met positionering tegenover verwante rivalen, met electorale strategieën, met individuen en imago’s en ook met de slijtage en de hubris die het onvermijdelijke gevolg zijn van langdurige machtsuitoefening. Maar eigenlijk zijn dit oppervlakkige symptomen. Iedereen die zich het electorale effect van de dioxinekippencrisis herinnert weet hoe snel de stromingen in het politieke oppervlaktewater kunnen keren. De CVP is ook ooit dood verklaard en kijk wat ons nu overkomt.
Maar of de SP.A. zich bij de volgende verkiezingen herstelt dan wel dieper wegzinkt, doet er eigenlijk niet doe. Voor wie de politiek bekijkt vanuit een wat omvattender, filosofischer perspectief maakt het geen donder uit of deze partij nu bestaat of niet. Aangezien ze louter kosmetische veranderingen voorstaat binnen structuren en denkpatronen waarvan zij de legitimiteit nooit echt betwist, kun je bezwaarlijk stellen dat het eventuele verdampen van de SP.A het politieke spectrum wezenlijk zou beïnvloeden. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de andere democratische partijen, die immers allemaal op dezelfde axioma’s stoelen.
Politiek links zou trouwens helemaal geen fundamentele veranderingen kunnen doorvoeren - als ze die al zou kunnen dénken. Louis Tobback zei het onomwonden: ‘Op dit moment ontberen wij de politieke instrumenten waarmee we een rechtvaardiger maatschappijmodel ingang zouden kunnen doen vinden, als alternatief voor het model dat de globalisering ons opdringt.’ Zo is het maar net. Alleen de toevoeging ‘op dit moment’ vond ik raadselachtig. Het is me namelijk niet duidelijk of we een fundamenteel ander moment mogen verwachten, en waar die verandering dan wel vandaan zou moeten komen. Zolang die politieke instrumenten ontbreken zal ‘links’ nooit iets méér kunnen zijn dan de ambulance die achter de neoliberale fanfare aanrijdt.
Antropoloog Rik Pinxten, een van de geïnterviewden in het Knack-dossier, verbond de ‘teloorgang van links’ met de aanslagen van elf september 2001 in de VS. Toen George W. Bush in naam van de oorlog tegen het terrorisme wetten liet goedkeuren die een aantal burgerrechten opschortten of afschaften, durfde de linkerzijde zich daar niet tegen te verzetten, bang als ze was om in die vertwijfelde tijden voor anti-patriottisch te worden uitgekreten. ‘Toen sommigen begonnen in te zien dat hun leiders misbruik van de situatie hadden gemaakt, was het kwaad al geschied,’ aldus Pinxten.
Politiek socioloog Marc Swyngedouw wees dan weer op de fataal gebleken tweespalt van linkse regeringspartijen die de afgelopen jaren in hun eigen Europese staat ‘een intensief sociaal beleid’ voerden terwijl ze ‘op Europees niveau een volledig neoliberaal systeem’ verdedigden. Ook de rode eminentie Philippe Moureaux (PS) verwees naar die Europese mislukking: ‘De socialisten hebben zelf een heel belangrijke kans verknoeid in de jaren dat ze overal in Europa, ook in de Europese Commissie, het politieke overwicht hadden. (...) Voor de publieke opinie, die hoopvol gestemd was omdat de socialisten voor het eerst sinds lang in Europa aan zet waren, is die periode op één grote desillusie uitgedraaid.’
De linkse politici waren niet mals voor de eigen familie. Zo weet Louis Tobback de erbarmelijke uitslag van zijn SP.A bij de recentste parlementsverkiezingen aan ‘een absoluut verkeerde, rotslechte campagne.’ Moureaux kapittelde de loftsocialisten binnen de PS en ook groen Europarlementslid Bart Staes stak de hand diep in eigen boezem. Volgens Staes verkeert de linkerzijde in crisis doordat ze veel te lang de problemen van de multiculturele samenleving heeft weggehoond. ‘Dat is een zeer zware fout geweest.’ Hij verweet zijn eigen geestesgenoten politieke en intellectuele luiheid en omschreef zijn eigen analyse als ‘een schuldbekentenis’.
In Nederland heeft links zich volgens Zwagerman in ‘drie wezenlijke kwesties’ ernstig vergist: 'de hardnekkige weigering om morele vragen te durven te stellen (het zogeheten normen-en-waarden-debat), de multicultuur en de onttakeling van het onderwijs.’ De verantwoordelijkheid voor deze feilen legt Zwagerman bij de ‘linksisten van de PvdA’, ideologisch verkrampte betweters wier zelfgenoegzaamheid en onverdraagzaamheid de schrijver met verve beschimpt. Zwagerman voegt er wel meteen aan toe dat hij geen conservatief is geworden, hij is eerder een afvallige dan een overloper, iemand die zich nu schaamt voor de politieke familie waar hij zich altijd toe heeft gerekend.
Opmerkelijk toch, hoe mensen die zichzelf wel degelijk ter linkerzijde situeren de laatste tijd met welhaast masochistisch genoegen aan intellectuele zelfkastijding doen. De vraag is of al die lamento’s van boetvaardig links ook wat uithalen. Creëren ze ruimte voor iets nieuws? Zullen linkse partijpogramma’s nu fundamentele veranderingen ondergaan? Ik ben bang van niet.
De rode zelfgeseling is een louter ritueel proces, een ongewenste maar ook tijdelijke time out, waarna min of meer dezelfde mensen met min of meer dezelfde ideeën en aspiraties opnieuw tot het politieke machtsspel zullen worden toegelaten. Nog één keer Zwagerman: ‘Het lijkt wel een psychisch ziektebeeld onder links,’ schrijft hij in zijn pamflet, ‘na een verkiezingsnederlaag doet men in ijltempo aan een verplichte introspectie en komt dan tot confronterende ontdekkingen over de ideologische en praktische tekortkomingen, waarna men schijnbaar onbekommerd overgaat tot de orde van de dag en alles precies weer even verkeerd doet als daarvoor.’
Zijn politici dan zo hardleers? Leren ze niet uit hun fouten? Ik denk dat het à la limite niet eens over fouten gaat. Politici vervallen in altijd min of meer dezelfde denk- en gedragspatronen - die nu eens electoraal lonend zijn en dan weer niet, afhankelijk van variabelen waar politici vaak maar weinig vat op hebben - om de simpele reden dat ze niets anders meer kunnen bedenken. Het ontbreekt hen aan een fundamenteel ander soort weten, een ander soort denken, aan ideeën die wezenlijk zouden verschillen van de aannames die de sociaaldemocratie nu toch al een jaar of vijftig schragen en sturen. Dat zijn, in telegramstijl: geloof in de principiële gelijkwaardigheid van alle mensen, in individuele vrijheid (al weten we niet altijd wat dit precies behelst), de rechtvaardigheid van een sociaal gecorrigeerde vrije markteconomie, scheiding van Kerk en Staat, min of meer vrije meningsuiting - en nog wat. Aan dit vertrouwde begrippenkader is ons denken over politiek en ethiek geketend. Wij kunnen eigenlijk niets anders meer denken. Ik bedoel dit zo letterlijk mogelijk: wij weten niets beters. Alsof het neoliberalisme een aangeboren denkvorm zou zijn.
Over de superieure waarde van dit model bestaat in dit deel van de wereld een granieten consensus. Dat merk je wanneer je dit denksysteem confronteert met ideeën die het niet of nauwelijks kan absorberen. Neem nu de beursspeculatie. Dit is - ik heb het hier al eerder betoogd - een volslagen irrationeel, ondemocratisch, economisch inefficiënt en immoreel systeem dat in zijn huidige vorm meteen zou moeten worden afgeschaft. Toch is deze gedachte ook voor vele zich links wanende mensen bijna fysiek on-denkbaar. Ze leidt hooguit tot een bezorgd hoofdschudden en wordt dan prompt afgestoten, als een vreemd lichaam. Dezelfde reactie wacht wie een pleidooi houdt voor een herwaardering van een planeconomie, terwijl je toch helemaal geen antieke communist hoeft te zijn om in te zien dat op een planeet met beperkte energiebronnen een planeconomie in principe een veel verstandiger systeem is dan de vrije markt. Ideeën als deze maken de harde grenzen van wat binnen de neoliberale consensus denkbaar is zichtbaar. Ze ontmaskeren de verpletterende eensgezindheid die wij pluralisme noemen.
Wie het over ‘links’ heeft moet een onderscheid maken tussen pragmatisch, partijpolitiek links en wat ik gemakshalve filosofisch links noem. Filosofisch links stoelt op één zeer duidelijk axioma: telkens wanneer de waarden solidariteit en individuele menselijke vrijheid met elkaar in conflict komen, verdedig je eerst de solidariteit. Dit is niet de fundering van een totalitair regime maar het is wel de enige keuze die links denken op glasheldere wijze scheidt van rechts denken. Links denken ent de individuele vrijheid op solidariteit, rechts denken ent solidariteit op individuele vrijheid. Hoe genuanceerd en in elkaar vervloeiend links en rechts verder ook mogen zijn, op dit niveau is de tegenstelling tussen beider prioriteiten absoluut.
Het dolende links is het pragmatische links van sociaaldemocratische partijen die geheel binnen de ideologische afrastering van het neoliberalisme opereren en daar nu even een moeilijke tijd doormaken. De huidige crisis heeft te maken met positionering tegenover verwante rivalen, met electorale strategieën, met individuen en imago’s en ook met de slijtage en de hubris die het onvermijdelijke gevolg zijn van langdurige machtsuitoefening. Maar eigenlijk zijn dit oppervlakkige symptomen. Iedereen die zich het electorale effect van de dioxinekippencrisis herinnert weet hoe snel de stromingen in het politieke oppervlaktewater kunnen keren. De CVP is ook ooit dood verklaard en kijk wat ons nu overkomt.
Maar of de SP.A. zich bij de volgende verkiezingen herstelt dan wel dieper wegzinkt, doet er eigenlijk niet doe. Voor wie de politiek bekijkt vanuit een wat omvattender, filosofischer perspectief maakt het geen donder uit of deze partij nu bestaat of niet. Aangezien ze louter kosmetische veranderingen voorstaat binnen structuren en denkpatronen waarvan zij de legitimiteit nooit echt betwist, kun je bezwaarlijk stellen dat het eventuele verdampen van de SP.A het politieke spectrum wezenlijk zou beïnvloeden. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de andere democratische partijen, die immers allemaal op dezelfde axioma’s stoelen.
Politiek links zou trouwens helemaal geen fundamentele veranderingen kunnen doorvoeren - als ze die al zou kunnen dénken. Louis Tobback zei het onomwonden: ‘Op dit moment ontberen wij de politieke instrumenten waarmee we een rechtvaardiger maatschappijmodel ingang zouden kunnen doen vinden, als alternatief voor het model dat de globalisering ons opdringt.’ Zo is het maar net. Alleen de toevoeging ‘op dit moment’ vond ik raadselachtig. Het is me namelijk niet duidelijk of we een fundamenteel ander moment mogen verwachten, en waar die verandering dan wel vandaan zou moeten komen. Zolang die politieke instrumenten ontbreken zal ‘links’ nooit iets méér kunnen zijn dan de ambulance die achter de neoliberale fanfare aanrijdt.
19 november 2007
Op zoek naar de tepel van de aarde

Wat hadden Pythagoras en Avicenna, de assasijnen en de katharen, de Schotse kwakzalver James Graham en de Litouwse protestant Samuel Hartlib met elkaar gemeen?
Allemaal waren ze op de een of andere manier op zoek naar het aards paradijs. En ze komen allemaal voor in het boek dat de Amerikaanse journalist en wereldreiziger Kevin Rushby onlangs over dit thema heeft gepubliceerd: Paradise. A History of the Idea that Rules the World. De Nederlandse vertaler heeft het boek alvast van een bescheidener ondertitel voorzien: Het paradijs. Drieduizend jaar zoeken naar de perfecte wereld.
Rushby - van wie eerder de reisreportages Op jacht naar de Berg van Licht (over Indië) en De bloemen van het paradijs (over Jemen en Ethiopië) in Nederlandse vertaling zijn verschenen - had goede persoonlijke redenen om zich op de geschiedenis van de paradijszoekers toe te leggen. Rushby’s ouders waren lid van de christadelfianen, ook bekend als de Broeders in Christus, ‘een protestantse sekte die geloofde dat het paradijs zou komen wanneer Jezus terugkeerde en de rechtschapenen uit de dood zouden herrijzen.’ De christadelfianen hielden van een eenvoudig leven in afzondering. ‘Onze meubels en kleding maakten we zelf, en ons voedsel kwam uit eigen tuin.’
Maar deze vredige levenswijze had iets paradoxaals, schrijft Rushby, want de Broeders in Christus geloofden dat de verlossing slechts te bereiken was na ‘een gewelddadig armageddon’. Zonder wereldbrand geen aards paradijs. In de jaren zestig van de vorige eeuw zagen Rushby’s ouders voldoende tekenen die erop wezen dat die wereldbrand nabij was: ‘Vietnam, Biafra, rellen, moordaanslagen, het onstuitbare succes van The Rolling Stones - de dag des oordeels zou nu niet lang meer op zich laten wachten.’
De mens heeft altijd op twee verschillende manieren naar het paradijs gezocht, stelt Rushby (zich inspirerend op de cultuurfilosofie van de late D.H. Lawrence), via ‘de zich vredig ontwikkelende harmonie en de heftige omwenteling van de wereldbrand.’ Zijn boek belicht hoogtepunten en sleutelfiguren uit deze tweesporige geschiedenis - de vreedzame en de gewelddadige zoektocht naar het aards paradijs.
'Paradeiza' is oorspronkelijk een Perzisch woord - 'pardes' in het Hebreeuws - dat verwijst naar een ‘veilige omheining’ waarachter, althans volgens een in steen gehakt reliëf in Kermansha (West-Iran), een koning tijdens een jacht een eindeloze hoeveelheid spek verorbert. Vanaf het begin is het woord paradijs dus geassocieerd geweest met overdadig voedsel.
In de geschiedenis van de paradijsjagers komen nogal wat griezels voor. De assassijnen bijvoorbeeld, fanatieke islamitische zelfmoordstrijders uit de elfde eeuw (het Engels dankt er wellicht het woord 'assassin' aan), of de katharen in Zuid-Frankrijk, of Savonarola met zijn donderpreken over het’ vreugdevuur der ijdelheden’. Keerpunt in deze geschiedenis is 1498, toen Christoffel Columbus en de zijnen bij de monding van de Orinoco-rivier als eerste Europeanen het vasteland van Zuid-Amerika zagen en dachten dat ze wel degelijk ‘de tepel van de aarde, de enige echte Hof van Eden’ hadden gevonden. Met de ontdekking van de Nieuwe Wereld - in diezelfde periode arriveerde de Florentijn Amerigo Vespucci in de Caraïben en in Brazilië (1499) en driekwart eeuw later gingen Arthur Barlowe en Philip Amadas als eerste Engelsen aan land in North Carolina - verschoof de focus van de paradijszoekers ‘van de apocalyptische koorts van de godsdienstoorlogen in het heilige Land naar de natuur en Amerika’.
Voor de moderne paradijsjager was de hemel op aarde steeds minder een droomplek die je moest vinden, maar steeds vaker een plek die je zelf moest scheppen. Eden, Arcadië, Atlantis, Elysium: dat zijn namen van oude paradijzen, mythische, vaak verloren gewaande streken of eilanden. Typisch voor de moderne tijd is de gedachte dat mensen het aards paradijs zelf konden (en moesten) verwerkelijken. Op grote schaal is het Puriteinse experiment in Amerika daarvan natuurlijk het meest spectaculaire voorbeeld. Maar er zijn ook talloze kleinschaligere paradijzen bedacht, vaak door individuele excentriekelingen of idealisten. Zo beschrijft Rushby onder meer de utopische nederzetting Antilia van Samuel Hartlib in de 17de eeuw en New Harmony van Robert Owen in de 19de eeuw. Ook het vrije seks-experiment Oneida van de charismatische priester John Humphrey Noyes krijgt ruim aandacht, waarna Rushby een interessant hoofdstuk wijdt aan de ‘utopische’ bedoelingen van eminente eugenetici als Francis Galton, Henry Goddard, Leonard Darwin (zoon van) en de door Hitler bewonderde antropoloog dr. Eugen Fischer.
Rushby’s origineelste en tegelijk ook meest discutabele bijdrage aan deze geschiedenis is zijn voorstelling van warenhuizen en shopping malls als de recentste verschijningsvorm van het aards paradijs. Het motief van het aards paradijs is volgens Rushby nog lang niet uitgesleten, wel integendeel: ‘Het paradijs is de officieuze religie van onze tijd geworden, de sturende mythe achter het vooruitgangsidee en het consumptiekapitalisme.’ Rushby ziet de droom van de paradijsjager zelfs voortleven ‘in het streven van supermarkten om een eeuwigdurende lente te creëren op de groenteafdeling.’ Zo had ik het daar in dat Siberische koelvak bij Colruyt nog nooit bekeken.
Kevin Rushby, Het paradijs. Vertaald door Raymond Noë. Amsterdam: Atheneum, Polak & Van Gennep, 2007. 271blz.
Abonneren op:
Posts (Atom)