“Zijn wij nu al toeristen?” vraag ik aan mijn huisgenoten in de auto tien minuten na het vertrek, ter hoogte van Sint-Genesius-Rode, dit is het begin van een lange autoreis naar Portugal. Nee, nu nog niet, oordeelt de achterbank. Maar wanneer dan wel?
“Als je de grens oversteekt,” zegt zoon.
“Maar er zijn geen grenzen meer,” zegt dochter.
“Dan kun je ook nooit toerist in eigen land zijn,” zegt vrouw.
Onduidelijk dus waar de jaarlijkse metamorfose aanvat, maar ’s avonds in het zuiden van Frankrijk zijn we toch weer helemaal vertoerist, hebben we opnieuw de tijdelijke gedaante van principieel verwonderde passanten aangenomen, zijn we weer bereid ons inzake hygiëne, communicatie en oriëntatie ongemakken te laten welgevallen die we in de vertrouwde habitat onaanvaardbaar zouden vinden. Over ongemakken gesproken: het is fijn vast te stellen dat de zonderlinge gewoonte der Fransen om staande de darmen te legen ook in de provincie nagenoeg is uitgestorven. Zelfs in kleine afspanningen langs de snelweg heeft men inmiddels de voordelen van het hurkschijten ingezien, die EU dient niet voor niets.
Bilbao. Ik wilde dat reusachtige, beetje onhandig opengewerkte conservenblik van een Guggenheim wel eens zien. Het gebouw overtreft alles wat ik erover had gelezen, alle foto’s ervan die ik had gezien. Hedendaagse architectuur op zijn vermetelst, een baldadig gebouw dat, zoals bij hedendaagse musea wel vaker het geval is, in de eerste plaats zichzelf tentoonstelt. In Bilbao is dat niet erg. Van alle kunstenaars wier werk ik hier in deze luttele middaguren te zien krijg, is Frank Gehry de grootste – al is dat natuurlijk een veel te vage en luie omschrijving. (De grootste!) Maar ook “Maman”, de reuzespin van Louise Bourgeois die op de schitterende esplanade bij de ingang van het museum waakt, is een indrukwekkend kunstwerk. Wie het museum bezoekt moet beslist in de audiofoon luisteren naar wat de oude Bourgeois zelf over haar spin te vertellen heeft – ontroerende herinneringen aan haar eigen moeder.
Uit België de vertrouwde berichten: slecht weer, knoeiende politici.
“Daags voor de slag bij Aljubarrota (14 augustus 1385) beloofde koning D. João I de Heilige Maagd dat hij, als hij de overwinning zou behalen op de Castilianen, een klooster zou laten bouwen op de plaats van de veldslag. De Portugezen wonnen en D. João kwam zijn belofte na,” lees ik in het voortreffelijke boek Portugal van de Nederlands-Portugese schrijver J. Rentes de Carvalho (De Arbeiderspers, negende druk 1999). In 1388 werd begonnen met de bouw van het klooster van Batalha, een van die typische, reusachtige, uit kalksteen en godsvrucht opgetrokken gebouwen waarbij ik me altijd weer dezelfde simpele vraag stel: hoe hebben ze het ooit kunnen bouwen? Portugal zit goed in de kloosters, valt me op tijdens deze reis door een land waar ik zo goed als niets vanaf weet. Die onwetendheid wordt nog versterkt door de taal natuurlijk, voor wie haar niet doorgrondt klinkt Portugees als verkouden Spaans, met af en toe een gemene, vette, verrassend Antwerps klinkende klinker, meestal in combinatie met de letter l. Fonetiek voor honden.
Na Batalha volgt het nog indrukwekkender Balcobaça, nog later nemen we een dag om het Convento de Cristo in Tomar te bezoeken. Wat zég je tegen zulke gigakloosters? Mocht het niet wat minder? Wie moet dat hier poetsen? Onmacht, ongeloof, onbegrip. Maar indrukwekkend is het allemaal wel.
Portugal: het enige land dat ik ooit heb bezocht waar de weldadige producten van bakkers en patissiers met dezelfde quasi existentiële passie worden genoten als in België. Portugal: land waar iedereen met een beetje tuin op zijn minst twee honden heeft. Portugal: land van gebak en geblaf. De antropologisch verfijnde conclusies waar toeristisch veldwerk een mens toe noopt.
Het is 16 juli, in een krantenwinkel in Tomar vinden we zowaar De Morgen van dezelfde dag. Onder een paginabrede cartoon van Zak druipt de politieke ontreddering van het papier. (“Leterme vecht voor uitstel om eigen vel en regering te redden.”) Yves Desmet noemt het CD&V-NV-A-kartel “een electorale dopingpil”, een van de betere politieke metaforen van de laatste tijd. Binnenin valt op waarom De Morgen er hier zoveel beter uitziet dan in België: de Portugese editie is, op de cartoon van Zak na, helemaal in zwartwit gedrukt, wat nog altijd veel classier oogt dan al die kleurenfoto’s waardoor ook ‘kwaliteitstabloids’ steeds meer lijken op stripalbums en toeristische folders.
In Alcobaça, de schitterendste gotische kerk die ik ooit heb gezien, staan in de dwarsbeuken tegenover elkaar de graftombes van koning D. Pedro I en zijn geliefde Inês de Castro. Naar verluidt zijn ze “op uitdrukkelijke wil van de koning met de voeten naar elkaar toe geplaatst, opdat ze bij hun verrijzenis op de dag van het Laatste Oordeel elkaar onmiddellijk zouden zien.” Deze romantische wens is een verzinsel, knort Rentes de Carvalho in zijn gids, oorspronkelijk stonden de tombes immers naast elkaar. Maar wie geeft er nu iets om historische feiten in een kerk? In zekere zin is elke kerk de uitdrukking van een romantische wens. Voet tegen voet de eeuwigheid tegemoet: prachtige onzin waar geen feit tegenop kan.
18 juli 2008
23 juni 2008
Kafka, het meisje en de pop
Met Siri Hustvedt en Paul Auster in Passa Porta, 18 juni. Foto: © Katrin StraubIn zijn roman Brooklyn Follies, voortreffelijk naar het Nederlands vertaald door Ton Heuvelmans, vertelt Paul Auster een schitterende anekdote over Franz Kafka.
In 1923, een jaar voor zijn dood, verhuist Franz Kafka met zijn laatste liefde Dora Dymant van Praag naar Berlijn. Dora is negentien, Kafka is twee keer zo oud en weet dat hij niet lang meer te leven heeft, maar met deze jodin uit een chassidische Poolse familie beleeft hij daar in Berlijn wellicht de gelukkigste maanden van zijn leven, ondanks of misschien wel juist door het besef dat zijn einde nabij is.
‘Iedere middag gaat Kafka wandelen in het park. Meestal gaat Dora met hem mee. Op een dag komen ze een meisje tegen dat bittere tranen staat te huilen. Kafka vraagt haar wat er aan de hand is en ze vertelt hem dat ze haar pop kwijt is. Hij verzint onmiddellijk een verhaal om uit te leggen wat er gebeurd is. “Jouw pop is even op reis,” zegt hij. “Hoe weet u dat?” vraagt het meisje. “Omdat ze mij een brief heeft geschreven,” zegt Kafka. Het meisje vertrouwt het niet helemaal. “Hebt u die brief bij u?” vraagt ze. “Nee, het spijt me,” zegt hij, “die heb ik per ongeluk thuis laten liggen, maar ik breng hem morgen wel mee.” Zijn verhaal is zo overtuigend dat het meisje niet meer weet wat ze moet denken. Is het mogelijk dat die geheimzinnige man de waarheid spreekt?
Kafka gaat meteen naar huis om de brief te schrijven. Hij gaat achter zijn bureau zitten, en terwijl Dora toekijkt hoe hij schrijft, merkt ze dezelfde ernst en spanning op die hij vertoont als hij met zijn eigen werk bezig is. (...)
De volgende dag haast Kafka zich naar het park met de brief. Het meisje staat op hem te wachten en omdat ze nog niet kan lezen, leest hij de brief hardop voor. Het spijt de pop heel erg, maar ze heeft er schoon genoeg van om altijd bij dezelfde mensen te moeten wonen. Ze moet er nodig op uit, de wijde wereld in, om nieuwe vrienden te maken. Niet dat ze niet meer van het meisje houdt, maar ze verlangt naar een andere omgeving, en daarom moeten ze een poosje gescheiden leven. De pop belooft het meisje dat ze haar iedere dag zal schrijven en op de hoogte zal houden van haar activiteiten.’
Drie weken lang schreef de stervende Kafka iedere dag een gefingeerde brief, ‘afkomstig van een zoekgeraakte pop, om geen enkele andere reden dan om een meisje te troosten, een meisje dat een volmaakte vreemde voor hem is.’
‘De pop wordt groter, gaat naar school, leert andere mensen kennen. Ze blijft het meisje overtuigen van haar liefde voor haar, maar ze verwijst ook naar bepaalde verwikkelingen in haar leven die het haar onmogelijk maken naar huis te komen. Langzaam maar zeker bereidt Kafka het meisje voor op het ogenblik dat de pop voorgoed uit haar leven zal verdwijnen. Het kost hem moeite een bevredigend einde te bedenken (...). Na een aantal mogelijkheden te hebben geprobeerd besluit hij ten slotte de pop te laten trouwen. Hij beschrijft de jongeman op wie ze verliefd wordt, het verlovingsfeest, de bruiloft ergens op het platteland, en zelfs het huis waar de pop en haar man nu wonen. En in de laatste regel neemt de pop afscheid van haar oude, trouwe, geliefde vriendin.
Inmiddels mist het meisje de pop allang niet meer.’
Kafka heeft het meisje immers iets in de plaats gegeven. Na die drie weken hebben de brieven haar genezen van haar gemis, haar verdriet. ‘Ze heeft nu het verhaal...’
Me dunkt dat deze anekdote iets wezenlijks zegt over literatuur.
Na afloop van het gesprek dat ik vorige week met hem en zijn vrouw Siri Hustvedt voerde in Passa Porta, bevestigde Auster dat dit een waargebeurd verhaal is. Zijn bron was een boekje van Dora Dymant. Ik vroeg hem of die brieven van Kafka aan het verdrietige meisje in het park bewaard zijn gebleven. Dat wist Auster niet met zekerheid te zeggen. Hij dacht van niet. Maar in zijn ogen lichtte plotseling een erg austeriaans idee op...
30 mei 2008
Romeo en Julia: vertaalnotities (1)
In mijn verbeelding breng ik deze grijze lentedagen door in Verona, alwaar ik twee verliefde pubers en hun entourage nieuwe verzen en rijmen in de mond leg: in opdracht van het Nationale Toneel in Den Haag maak ik een nieuwe vertaling van Shakespeares Romeo and Juliet.
Heerlijk werk, dat tegelijk vereenvoudigd en bemoeilijkt wordt door vier illustere voorgangers wier vertalingen op mijn tafel liggen: L.A.J. Burgersdijk, Willy Courteaux, Hugo Claus en Gerrit Komrij. Twee Nederlanders, twee Vlamingen. Burgersdijk en Courteaux hebben alle stukken van Shakespeare vertaald, Komrij en Claus vele. Burgersdijk en Courteaux zijn het dichtst bij de ‘oorspronkelijke’ versie(s) gebleven, Komrij veroorlooft zich iets meer vrijheden, Claus wijkt het verste af. In de versie die hij in 1987 maakte voor de Antwerpse KNS, waar Jo Dua het stuk regisseerde, heeft hij vaak versmaat en rijm laten vallen. Dat is een ernstige ingreep. Eigenlijk spreek je dan al over een bewerking. Wat me tot nu toe in Claus’ tekst het meest bevalt zijn de coupures: heel efficiënt, verantwoord. Ongeveer één vijfde van
de tekst is weggelaten.Daardoor krijgt het stuk meer vaart.
Af en toe stoot ik op een weerspannig vers, een regel die zich maar niet wil overgeven en niet in het Nederlands te vatten lijkt zonder dat metrum, rijm en/of betekenis ernstige schade oplopen. Dan spiek ik even bij de oude meesters. Kijken hoe zij het hebben opgelost. Soms moet ik me gewoon gewonnen geven en accepteren dat iemand anders voor een bepaald vertaalprobleem de best denkbare oplossing, een niet te overtreffen beeld of zin gevonden heeft. Soms stel je vast dat ook de anderen er niet zijn uit gekomen. En soms - en dat is vaak het leukst - zie je dat er in de vertaaltraditie die deze tekst heeft gegenereerd, grote meningsverschillen bestaan. Niet over details, maar over belangrijke interpretatiekwesties. Laat ik één voorbeeld geven.
Tijdens de beroemde balkonscène in het tweede bedrijf waarschuwt Julia Romeo dat haar familie hem zal ombrengen als hij daar in die tuin zou worden betrapt. Waarop Romeo zegt:
I have night’s cloak to hide me from their eyes,
And but thou love me, let them find me here.
My life were better ended by their hate
Than death prorogued, wanting of thy love. (II.ii.75-78)
Burgersdijk vertaalde dit zo:
Het kleed der nacht verbergt mij voor hun oog;
Hebt gij mij lief, zoo laat hen vrij mij vinden;
Maar liever, daadlijk sneven door hun haat,
Dan kwijnend sterven zonder uwe liefde.
Komrij:
De mantel van de nacht maakt me onzichtbaar.
Laat ze me zien - als jij maar van me houdt.
Ik sterf veel liever rechtstreeks door hun haat
Dan dat ik, zonder liefde, langzaam wegteer.
Claus:
Ik heb de mantel van de nacht
om mij voor hun ogen te verbergen.
Als jij van me houdt mogen zij mij zien.
Ik sterf liever door hun haat
dan dat ik zonder jouw liefde
mijn leven rek.
Alledrie hebben ze de passage, en met name de tweede regel, op dezelfde manier gelezen: als jij mij liefhebt, lijkt Romeo tot Julia te zeggen, dan mag jouw haatdragende familie mij hier best vinden, dan mogen ze mij zelfs rustig afmaken, liever dan dat ik verstoken van jouw liefde zou moeten verderleven. Ik was bijna met deze interpretatie mee, maar toen las ik bij Courteaux dit:
De mantel van de nacht omhult me; en hou
Je niet van mij, dan mogen zij mij vinden.
Veel liever sterf ik door hun haat, dan dat
Ik kwijnend leven moet zonder jouw liefde.
Ik denk dat Courteaux gelijk heeft. De betekenis van de passage is in zijn interpretatie in ieder geval coherenter dan bij de anderen. Immers, als Julia Romeo niét liefheeft, dan wordt het leven voor Romeo zo waardeloos dat hij net zo graag in de handen van haar familieleden wil sneven. Het idee dat haar familie hem gerust mag afmaken zolang zij hem maar liefheeft, lijkt me minder geloofwaardig. Dat zou een vorm van relativering en onthechting vooronderstellen die niet bij Romeo passen. (Teenage love!) Courteaux volgend heb ik er voorlopig van gemaakt:
Ik draag de camouflage van de nacht.
En hou jij niet van mij, laat ze me dan
maar vinden hier. Zonder jouw liefde is
mijn leven slechts een uitgestelde dood,
dan kan ik beter sterven door hun haat.
(wordt vervolgd)
Heerlijk werk, dat tegelijk vereenvoudigd en bemoeilijkt wordt door vier illustere voorgangers wier vertalingen op mijn tafel liggen: L.A.J. Burgersdijk, Willy Courteaux, Hugo Claus en Gerrit Komrij. Twee Nederlanders, twee Vlamingen. Burgersdijk en Courteaux hebben alle stukken van Shakespeare vertaald, Komrij en Claus vele. Burgersdijk en Courteaux zijn het dichtst bij de ‘oorspronkelijke’ versie(s) gebleven, Komrij veroorlooft zich iets meer vrijheden, Claus wijkt het verste af. In de versie die hij in 1987 maakte voor de Antwerpse KNS, waar Jo Dua het stuk regisseerde, heeft hij vaak versmaat en rijm laten vallen. Dat is een ernstige ingreep. Eigenlijk spreek je dan al over een bewerking. Wat me tot nu toe in Claus’ tekst het meest bevalt zijn de coupures: heel efficiënt, verantwoord. Ongeveer één vijfde van
de tekst is weggelaten.Daardoor krijgt het stuk meer vaart.
Af en toe stoot ik op een weerspannig vers, een regel die zich maar niet wil overgeven en niet in het Nederlands te vatten lijkt zonder dat metrum, rijm en/of betekenis ernstige schade oplopen. Dan spiek ik even bij de oude meesters. Kijken hoe zij het hebben opgelost. Soms moet ik me gewoon gewonnen geven en accepteren dat iemand anders voor een bepaald vertaalprobleem de best denkbare oplossing, een niet te overtreffen beeld of zin gevonden heeft. Soms stel je vast dat ook de anderen er niet zijn uit gekomen. En soms - en dat is vaak het leukst - zie je dat er in de vertaaltraditie die deze tekst heeft gegenereerd, grote meningsverschillen bestaan. Niet over details, maar over belangrijke interpretatiekwesties. Laat ik één voorbeeld geven.
Tijdens de beroemde balkonscène in het tweede bedrijf waarschuwt Julia Romeo dat haar familie hem zal ombrengen als hij daar in die tuin zou worden betrapt. Waarop Romeo zegt:
I have night’s cloak to hide me from their eyes,
And but thou love me, let them find me here.
My life were better ended by their hate
Than death prorogued, wanting of thy love. (II.ii.75-78)
Burgersdijk vertaalde dit zo:
Het kleed der nacht verbergt mij voor hun oog;
Hebt gij mij lief, zoo laat hen vrij mij vinden;
Maar liever, daadlijk sneven door hun haat,
Dan kwijnend sterven zonder uwe liefde.
Komrij:
De mantel van de nacht maakt me onzichtbaar.
Laat ze me zien - als jij maar van me houdt.
Ik sterf veel liever rechtstreeks door hun haat
Dan dat ik, zonder liefde, langzaam wegteer.
Claus:
Ik heb de mantel van de nacht
om mij voor hun ogen te verbergen.
Als jij van me houdt mogen zij mij zien.
Ik sterf liever door hun haat
dan dat ik zonder jouw liefde
mijn leven rek.
Alledrie hebben ze de passage, en met name de tweede regel, op dezelfde manier gelezen: als jij mij liefhebt, lijkt Romeo tot Julia te zeggen, dan mag jouw haatdragende familie mij hier best vinden, dan mogen ze mij zelfs rustig afmaken, liever dan dat ik verstoken van jouw liefde zou moeten verderleven. Ik was bijna met deze interpretatie mee, maar toen las ik bij Courteaux dit:
De mantel van de nacht omhult me; en hou
Je niet van mij, dan mogen zij mij vinden.
Veel liever sterf ik door hun haat, dan dat
Ik kwijnend leven moet zonder jouw liefde.
Ik denk dat Courteaux gelijk heeft. De betekenis van de passage is in zijn interpretatie in ieder geval coherenter dan bij de anderen. Immers, als Julia Romeo niét liefheeft, dan wordt het leven voor Romeo zo waardeloos dat hij net zo graag in de handen van haar familieleden wil sneven. Het idee dat haar familie hem gerust mag afmaken zolang zij hem maar liefheeft, lijkt me minder geloofwaardig. Dat zou een vorm van relativering en onthechting vooronderstellen die niet bij Romeo passen. (Teenage love!) Courteaux volgend heb ik er voorlopig van gemaakt:
Ik draag de camouflage van de nacht.
En hou jij niet van mij, laat ze me dan
maar vinden hier. Zonder jouw liefde is
mijn leven slechts een uitgestelde dood,
dan kan ik beter sterven door hun haat.
(wordt vervolgd)
25 mei 2008
Afscheid van een tafel
Het was moederdag en wij zaten weer moeizaam bijeen.
Drie als volwassenen vermomde kinderen, verenigd rond een houten tafel waarover zij jaren heeft geheerst.
Rond de tafel.
Hier vandaan ordende zij voor man en kinderen de dagen, hier werden rapporten getekend en boodschappenlijstjes uitgevaardigd, dit was de hoofdzetel van haar dagelijks bestuur. Aan deze randen leerden wij tafelmanieren en spinazie eten, boven dit geverniste blad vouwde zij voor ons de wereld open, hier hoorden wij voor het eerst namen als “Kennedy” en “Biafra”, aan deze tafel is gezongen, gehuild en Churchill geciteerd. Dit was het centrum van een nu weggevaagde stad, hier vandaan zijn wij opgestegen, wiekend de wereld in.
Na haar dood is de tafel in dit huis terechtgekomen. Andere borden, ander licht, gerechten die toen niet bestonden. Aan de randen groeien nu andere, niets vermoedende kinderen die zij slechts door mij kan zien, ik ben haar periscoop in een andere tijd. De tafel is een andere tafel nu, wij zijn in het hout getrokken.
Zij lacht ons al jaren toe vanaf de muur.
Telkens wanneer wij hier weer samenzitten in haar nabestaan, drie kinderen in grote mensenkleren, komt zij algauw achter het glas vandaan, neemt weer plaats aan het hoofd, zegt niets - en wij knikken onzichtbaar.
Later die avond leunde iemand op de tafel en gebeurde het ondenkbare. De poten klapten opzij en sneller dan wij het konden bevatten, donderde de tafel tegen de grond. De scharnieren gebroken, de ijzeren banden doorgebogen, het blad gebarsten - deze tafel was niet meer overeind te krijgen. Dat dit meubelstuk ons uitgerekend op deze dag zo plots ontviel: wij negeerden de al te opdringerige symboliek. Wij droegen de tafel de tuin in en verzaagden haar tot haardhout. Een tafel is ook maar een tafel, logen wij, en gingen veel ouder weer naar binnen.
Drie als volwassenen vermomde kinderen, verenigd rond een houten tafel waarover zij jaren heeft geheerst.
Rond de tafel.
Hier vandaan ordende zij voor man en kinderen de dagen, hier werden rapporten getekend en boodschappenlijstjes uitgevaardigd, dit was de hoofdzetel van haar dagelijks bestuur. Aan deze randen leerden wij tafelmanieren en spinazie eten, boven dit geverniste blad vouwde zij voor ons de wereld open, hier hoorden wij voor het eerst namen als “Kennedy” en “Biafra”, aan deze tafel is gezongen, gehuild en Churchill geciteerd. Dit was het centrum van een nu weggevaagde stad, hier vandaan zijn wij opgestegen, wiekend de wereld in.
Na haar dood is de tafel in dit huis terechtgekomen. Andere borden, ander licht, gerechten die toen niet bestonden. Aan de randen groeien nu andere, niets vermoedende kinderen die zij slechts door mij kan zien, ik ben haar periscoop in een andere tijd. De tafel is een andere tafel nu, wij zijn in het hout getrokken.
Zij lacht ons al jaren toe vanaf de muur.
Telkens wanneer wij hier weer samenzitten in haar nabestaan, drie kinderen in grote mensenkleren, komt zij algauw achter het glas vandaan, neemt weer plaats aan het hoofd, zegt niets - en wij knikken onzichtbaar.
Later die avond leunde iemand op de tafel en gebeurde het ondenkbare. De poten klapten opzij en sneller dan wij het konden bevatten, donderde de tafel tegen de grond. De scharnieren gebroken, de ijzeren banden doorgebogen, het blad gebarsten - deze tafel was niet meer overeind te krijgen. Dat dit meubelstuk ons uitgerekend op deze dag zo plots ontviel: wij negeerden de al te opdringerige symboliek. Wij droegen de tafel de tuin in en verzaagden haar tot haardhout. Een tafel is ook maar een tafel, logen wij, en gingen veel ouder weer naar binnen.
19 april 2008
Katholieken in Amerika
Naar aanleiding van het pausbezoek aan de VS is het misverstand weer overal te horen en te lezen: de katholieken zouden in het overwegend protestantse Amerika maar een kleine minderheid zijn - een beetje zoals de getuigen van Jehovah bij ons.
Niets is minder waar. Some facts and figures.
In feite vormen de katholieken juist de allergrootste christelijke gezindte in de VS. In 2001 waren er volgens de religieuze statistiekensite http://www.adherents.com/ in de VS ongeveer 65 miljoen katholieken. Dat was toen 24,5% van de Amerikaanse bevolking. Volgens CNN zou dat aantal nu al opgelopen zijn tot 70 miljoen, wat nog steeds bijna een kwart van de alsmaar toenemende Amerikaanse bevolking is.
(Volgens het Amerikaanse Census Bureau waren er op zaterdag 19 april om 20.20u Belgische tijd 303 890 810 Amerikanen.)
Volgens het Jaarboek van de Amerikaanse en Canadese Kerken zag de top-drie van de Amerikaanse Kerken in 2005 er zo uit:
1) de katholieke Kerk (67,2 miljoen leden);
2) de Southern Baptist Convention (16,4 miljoen)
3) de United Methodist Church (8,2 miljoen).
De katholieken vormen dus met voorsprong de grootste denomination binnen de christelijke geloofsgemeenschap van de VS. (Als je alle protestantse gezindten bij elkaar optelt, komen de protestanten natuurlijk op een groter aantal uit, maar ‘de protestanten’ alsdusdanig bestaan niet als Kerk in de VS.)
In feite was Amerika eerst een katholiek land en is het pas daarna protestants geworden. De eerste katholieken arriveerden er immers al aan het begin van de zestiende eeuw, toen (katholieke) Spaanse immigranten zich vestigden in wat nu Florida heet. Naar verluidt zou de allereerste christelijke eredienst ooit gehouden in wat nu de VS is, een katholieke misviering in Florida zijn geweest.
Nu de Puriteinen weer.
Die kwamen zoals bekend in de zeventiende eeuw aan op de oostelijke oevers, met het stellige plan in de Nieuwe Wereld een protestantse modelstaat te stichten die de hele wereld tot voorbeeld zou strekken. Hoe gezellig het in die Puriteinse utopie toeging heeft Nathaniel Hawthorne in zijn romans en novellen op indrukwekkende wijze beschreven.
Dus ja, vanaf de zeventiende eeuw leek met name het koloniale New England een protestantse cultuur te zullen worden. Ten tijde van de Amerikaanse Onafhankelijheidsoorlog leefden er in deze contreien 30 000 katholieken, dat was toen niet eens 1% van de bevolking.
De snelle en gigantische toename van het katholieke aandeel in de christelijke gemeenschap in de VS is makkelijk te verklaren: de grote immigratiestromen die het land vanaf de negentiende eeuw overspoelden, kwamen doorgaans uit overwegend katholieke landen en maatschappijen. In de eerste plaats uit Ierland (de potato famine in 1845 ontketende een massale migratie van Ieren naar de VS), maar ook uit Italië, Polen, het zuiden van Duitsland. (In de boeken van Karl May komen Old Shatterhand en Winnetou Duitse trappers uit Beieren tegen, die diep in de Amerikaanse prairie het Ave Maria zingen.) Ook uit Franstalig Canada zakten in het midden van de negentiende eeuw vele duizenden katholieken af naar de VS, in de hoop daar beter emplooi te vinden. Tot deze groep van overwegend blue collar gelovigen behoorden onder meer ook de ouders van Jack Kerouac. (De schrijver van On the Road heeft zichzelf zijn hele Amerikaanse leven lang als een katholiek beschouwd.)
Een paar cijfers.
In 1830 telden de VS 600 000 katholieken. Tussen 1880 en 1900 kwamen er maar liefst 2,5 miljoen katholieke immigranten bij. Het is niet moeilijk te begrijpen dat zo’n bruuske toename van het katholieke volksdeel weerstand en wrevel veroorzaakte. Gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw lukte het katholieken in de VS maar uiterst zelden om in de politieke en gerechtelijke instellingen van het land een toppositie te verwerven.
Het was dan ook niet weinig vermetel van John F. Kennedy, een rijkeluiszoontje uit een Iers en dus katholiek gezin in Boston, om in 1960 mee te dingen naar het hoogste politieke ambt. Zijn katholieke achtergrond was voor heel veel Amerikanen immers een voldoende reden om in geen geval voor JFK te stemmen, hoe briljant of charmant hij verder ook mocht zijn. Het katholieke stempel was voor Kennedy in 1960 zo ongeveer wat huidskleur is voor Obama nu: een bron van visceraal wantrouwen bij een aanzienlijk deel van het Amerikaanse electoraat.
De migratiegolven uit met name Latijns-Amerikaanse landen in de tweede helft van de twintigste eeuw, verklaart mede waarom de katholieke gemeenschap de afgelopen decennia is uitgegroeid tot de grootste groep binnen de Amerikaanse christenheid.
Inmiddels worden katholieken in politieke en juridische middens ook niet langer als paria’s behandeld. Integendeel zou je kunnen zeggen: vijf rechters in het Amerikaanse Hoogerechtshof, onder wie Chief Justice John Roberts, zijn katholiek. Dat was twintig jaar geleden nog ondenkbaar. En hoewel katholieken traditioneel voor de Democratische partij stemmen, heeft uitgerekend G.W. Bush twee katholieke rechters in het hoogste Hof benoemd (Roberts en Samuel Alito).
In het verleden stemden katholieken bij presidentsverkiezingen meestal voor de Democraten. Of ze dat ook dit jaar zullen doen, is erg twijfelachtig. Er bestaat niet langer zoiets als ‘thé catholic vote’ in Amerika. Ook de katholieken zijn verdeeld. Zo was voor vele katholieken het pro-abortusstandpunt van Bill Clinton al een groot probleem (never mind Monika), terwijl diezelfde katholieken de republikeinse standpunten inzake immigratie en de doodstraf dan weer te streng, te rechts vinden. Vele katholieken zouden in deze verkiezingsstrijd een stem voor McCain overwegen omdat McCain ‘pro life’ (anti abortus) is, maar McCain’s standpunt over Irak staat hen dan weer tegen. In de tweestrijd bij de Democraten is het tot nu toe duidelijk Hillary Clinton die de meeste katholieke stemmen binnenhaalt. Volgens sommige analysten is het dankzij deze katholieke steun dat Clinton überhaupt nog in de race zit. (In de staten Ohio en Texas won ze bij de voorverkiezingen twee derden van de ‘catholic vote’.)
Het is dus helemaal geen uitgemaakte zaak hoe de katholieke gemeenschap in de VS dit jaar gaat stemmen. Maar in een race die ongelooflijk close lijkt te zullen zijn, is het begrijpelijk dat alledrie de kandidaten hun uiterste best doen om ook zoveel mogelijk katholieke stemmen voor zich te winnen.
In dit licht komt het bezoek van de paus op een interessant moment. De paus zal zich uiteraard niet voor deze of gene kandidaat uitspreken. Wie van de drie uiteindelijk het meeste baat zal hebben gehad bij het pauselijk bezoek, zullen we wellicht pas kunnen meten in de dagen en weken nadat de Heilige Vader naar Rome zal zijn teruggekeerd, aan boord van de Shepherd One.
Niets is minder waar. Some facts and figures.
In feite vormen de katholieken juist de allergrootste christelijke gezindte in de VS. In 2001 waren er volgens de religieuze statistiekensite http://www.adherents.com/ in de VS ongeveer 65 miljoen katholieken. Dat was toen 24,5% van de Amerikaanse bevolking. Volgens CNN zou dat aantal nu al opgelopen zijn tot 70 miljoen, wat nog steeds bijna een kwart van de alsmaar toenemende Amerikaanse bevolking is.
(Volgens het Amerikaanse Census Bureau waren er op zaterdag 19 april om 20.20u Belgische tijd 303 890 810 Amerikanen.)
Volgens het Jaarboek van de Amerikaanse en Canadese Kerken zag de top-drie van de Amerikaanse Kerken in 2005 er zo uit:
1) de katholieke Kerk (67,2 miljoen leden);
2) de Southern Baptist Convention (16,4 miljoen)
3) de United Methodist Church (8,2 miljoen).
De katholieken vormen dus met voorsprong de grootste denomination binnen de christelijke geloofsgemeenschap van de VS. (Als je alle protestantse gezindten bij elkaar optelt, komen de protestanten natuurlijk op een groter aantal uit, maar ‘de protestanten’ alsdusdanig bestaan niet als Kerk in de VS.)
In feite was Amerika eerst een katholiek land en is het pas daarna protestants geworden. De eerste katholieken arriveerden er immers al aan het begin van de zestiende eeuw, toen (katholieke) Spaanse immigranten zich vestigden in wat nu Florida heet. Naar verluidt zou de allereerste christelijke eredienst ooit gehouden in wat nu de VS is, een katholieke misviering in Florida zijn geweest.
Nu de Puriteinen weer.
Die kwamen zoals bekend in de zeventiende eeuw aan op de oostelijke oevers, met het stellige plan in de Nieuwe Wereld een protestantse modelstaat te stichten die de hele wereld tot voorbeeld zou strekken. Hoe gezellig het in die Puriteinse utopie toeging heeft Nathaniel Hawthorne in zijn romans en novellen op indrukwekkende wijze beschreven.
Dus ja, vanaf de zeventiende eeuw leek met name het koloniale New England een protestantse cultuur te zullen worden. Ten tijde van de Amerikaanse Onafhankelijheidsoorlog leefden er in deze contreien 30 000 katholieken, dat was toen niet eens 1% van de bevolking.
De snelle en gigantische toename van het katholieke aandeel in de christelijke gemeenschap in de VS is makkelijk te verklaren: de grote immigratiestromen die het land vanaf de negentiende eeuw overspoelden, kwamen doorgaans uit overwegend katholieke landen en maatschappijen. In de eerste plaats uit Ierland (de potato famine in 1845 ontketende een massale migratie van Ieren naar de VS), maar ook uit Italië, Polen, het zuiden van Duitsland. (In de boeken van Karl May komen Old Shatterhand en Winnetou Duitse trappers uit Beieren tegen, die diep in de Amerikaanse prairie het Ave Maria zingen.) Ook uit Franstalig Canada zakten in het midden van de negentiende eeuw vele duizenden katholieken af naar de VS, in de hoop daar beter emplooi te vinden. Tot deze groep van overwegend blue collar gelovigen behoorden onder meer ook de ouders van Jack Kerouac. (De schrijver van On the Road heeft zichzelf zijn hele Amerikaanse leven lang als een katholiek beschouwd.)
Een paar cijfers.
In 1830 telden de VS 600 000 katholieken. Tussen 1880 en 1900 kwamen er maar liefst 2,5 miljoen katholieke immigranten bij. Het is niet moeilijk te begrijpen dat zo’n bruuske toename van het katholieke volksdeel weerstand en wrevel veroorzaakte. Gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw lukte het katholieken in de VS maar uiterst zelden om in de politieke en gerechtelijke instellingen van het land een toppositie te verwerven.
Het was dan ook niet weinig vermetel van John F. Kennedy, een rijkeluiszoontje uit een Iers en dus katholiek gezin in Boston, om in 1960 mee te dingen naar het hoogste politieke ambt. Zijn katholieke achtergrond was voor heel veel Amerikanen immers een voldoende reden om in geen geval voor JFK te stemmen, hoe briljant of charmant hij verder ook mocht zijn. Het katholieke stempel was voor Kennedy in 1960 zo ongeveer wat huidskleur is voor Obama nu: een bron van visceraal wantrouwen bij een aanzienlijk deel van het Amerikaanse electoraat.
De migratiegolven uit met name Latijns-Amerikaanse landen in de tweede helft van de twintigste eeuw, verklaart mede waarom de katholieke gemeenschap de afgelopen decennia is uitgegroeid tot de grootste groep binnen de Amerikaanse christenheid.
Inmiddels worden katholieken in politieke en juridische middens ook niet langer als paria’s behandeld. Integendeel zou je kunnen zeggen: vijf rechters in het Amerikaanse Hoogerechtshof, onder wie Chief Justice John Roberts, zijn katholiek. Dat was twintig jaar geleden nog ondenkbaar. En hoewel katholieken traditioneel voor de Democratische partij stemmen, heeft uitgerekend G.W. Bush twee katholieke rechters in het hoogste Hof benoemd (Roberts en Samuel Alito).
In het verleden stemden katholieken bij presidentsverkiezingen meestal voor de Democraten. Of ze dat ook dit jaar zullen doen, is erg twijfelachtig. Er bestaat niet langer zoiets als ‘thé catholic vote’ in Amerika. Ook de katholieken zijn verdeeld. Zo was voor vele katholieken het pro-abortusstandpunt van Bill Clinton al een groot probleem (never mind Monika), terwijl diezelfde katholieken de republikeinse standpunten inzake immigratie en de doodstraf dan weer te streng, te rechts vinden. Vele katholieken zouden in deze verkiezingsstrijd een stem voor McCain overwegen omdat McCain ‘pro life’ (anti abortus) is, maar McCain’s standpunt over Irak staat hen dan weer tegen. In de tweestrijd bij de Democraten is het tot nu toe duidelijk Hillary Clinton die de meeste katholieke stemmen binnenhaalt. Volgens sommige analysten is het dankzij deze katholieke steun dat Clinton überhaupt nog in de race zit. (In de staten Ohio en Texas won ze bij de voorverkiezingen twee derden van de ‘catholic vote’.)
Het is dus helemaal geen uitgemaakte zaak hoe de katholieke gemeenschap in de VS dit jaar gaat stemmen. Maar in een race die ongelooflijk close lijkt te zullen zijn, is het begrijpelijk dat alledrie de kandidaten hun uiterste best doen om ook zoveel mogelijk katholieke stemmen voor zich te winnen.
In dit licht komt het bezoek van de paus op een interessant moment. De paus zal zich uiteraard niet voor deze of gene kandidaat uitspreken. Wie van de drie uiteindelijk het meeste baat zal hebben gehad bij het pauselijk bezoek, zullen we wellicht pas kunnen meten in de dagen en weken nadat de Heilige Vader naar Rome zal zijn teruggekeerd, aan boord van de Shepherd One.
23 maart 2008
Brief aan René Stockman, Broeder van Liefde

Broeder,
U heeft gemeend in de pers te moeten reageren op de manier waarop schrijver Hugo Claus uit dit leven is gestapt, en op de manier waarop in de media over zijn dood is bericht. Dat is uw goed recht. Zoals het ook Claus’ recht was om zijn onomkeerbare aftakelingsproces af te breken en op de dood toe te stappen in plaats van haar nog langer en steeds weerlozer af te wachten.
Maar het gaat hier niet over rechten. Het gaat hier zelfs niet over twee tegengestelde visies op leven en sterven en de ethische consequenties daarvan, het gaat hier niet over gelijk en ongelijk. Het gaat hier over niveau. Over het niveau waarop iemand denkt, zijn overtuigingen uitdrukt en de overtuigingen van andersdenkenden weergeeft. Het gaat hier over stijl en, welja, intellectuele klasse. Het gaat hier over alles wat in uw reactie ontbrak.
Uw kritiek gold in de eerste plaats de wijze waarop Claus’ euthanasie in de media en door vooraanstaande burgers in dit land is begroet. U viseerde met name de pas afgetreden premier, wiens hommage aan zijn overleden vriend volgens u een “tendentieuze stelling” bevatte. Daarmee doelde u op Verhofstadts respect voor Claus’ keuze om zich te laten euthanaseren. Later in uw tekst gebruikte u hetzelfde woord nog een keer. U noemde de lof voor Claus’ beslissing in de media “meer dan tendentieus”. U weet niet goed wat het woord ‘tendentieus’ betekent, geloof ik. ‘Tendentieus’ betekent iets met opzet zo voorstellen dat “aan de waarheid te kort gedaan wordt” (Van Dale). ‘Tendentieus’ vooronderstelt dus dat er een waarheid is die vervolgens verwrongen, verdraaid, gekleurd kan worden weergegeven. In de context van dit ethische debat bestaat een dergelijke, voorafgaandelijke waarheid niet - zoals u natuurlijk ook wel weet. Je kunt hooguit stellen dat voorstanders van euthanasie te kort doen aan uw waarheid, net zoals uw afkeer van euthansie te kort doet aan hun waarheid hieromtrent, wat meteen bewijst dat er in deze kwestie geen waarheid is. U had dus niet het woord ‘tendentieus’ moeten gebruiken, maar wel ‘subjectief’, of ‘persoonlijk’, zelfs ‘problematisch’ of ‘controversieel’ - allemaal mogelijke, filosofisch toelaatbare kwalificaties. Of zou het kunnen dat u juist heel goed weet wat 'tendentieus' betekent, en dat het dus uw bedoeling was te suggereren dat u de waarheid bezit en andersdenkenden dwalen?
In diezelfde alinea stelde u bovendien dat sommigen Claus’ euthanasie “de hemel inprijzen als summum van edelmoedigheid”. Waar stond dat? Ik heb dit nergens gelezen. Ik heb wél gelezen dat velen deze beslissing moédig vonden, wat deze beslissing wellicht ook was. Men stapt namelijk niet “zomaar” uit dit leven, ook Hugo Claus niet. Dat woordje “zomaar” werd vanochtend gebruikt door uw geestesgenoot kardinaal Danneels in zijn homilie tijdens de paaswake in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen. Volgens De Standaard zei hij daar het volgende: “Door zomaar uit het leven te stappen, antwoordt men niet op het probleem van lijden en dood. Men loopt er in een boog omheen en omzeilt het. Omzeilen is geen heldendaad, geen voer voor frontpaginanieuws.” Eén ding wil ik u alvast nageven: u bent dapperder dan uw kardinaal. U noemde tenminste man en paard, de kardinaal niet, de kardinaal verkoos de schrijver via insinuerende algemeenheden te kritiseren. Een beetje laf van de kardinaal.
U uitte niet alleen uw ongenoegen over de manier waarop de media Claus’ euthanasie hebben begroet, u viseerde ook de schrijver zelf. Laat ik deze passus integraal citeren, omdat hij zowel de kern als het dieptepunt van uw betoog vormt:
Heeft Hugo Claus nagedacht toen hij deze stap zette welke boodschap hij zou geven aan deze mensen, aan hun naasten, aan hun verzorgers, aan de ruimere samenleving? Hij heeft het vanuit zijn mensbeeld wellicht als een individueel recht beschouwd dit te kunnen doen, maar dan heeft hij toch de sociale impact van zijn daad onderschat. Vanuit zijn levensvisie waren lijden en aftakeling wellicht in oppositie met een waardevol leven, maar ook hier heeft hij toch een belangrijke realiteit van het leven ontkend: dat waardevol leven niet alleen afhangt van capaciteiten die men al dan niet kan ontwikkelen en dat men als medemens juist wordt uitgenodigd anderen te helpen als ze in hun capaciteiten falen, waarin nieuwe facetten van medemenselijkheid kunnen opbloeien. Het was uiteraard zijn visie en daar willen we in een maatschappij waar ruimte is voor verscheidenheid respect voor opbrengen, ook al strookt het niet met ons mensbeeld en onze levensvisie.
Uw retorische, wat denigrerende vraag (“Heeft Hugo Claus nagedacht...?”) suggereert dat de schrijver over die boodschap onvoldoende heeft nagedacht. Maar is er wel een boodschap? En hoe weet u eigenlijk wat die boodschap is? En voor hoeveel mensen is die boodschap zo erg als u lijkt te denken? Heeft u “de sociale impact van zijn daad” al onderzocht? Zou deze impact niet iets meerduidiger, complexer kunnen zijn dan u lijkt te veronderstellen?
Een dag eerder publiceerde diezelfde krant een bijdrage waarin de coördinator van Exepertisecentrum dementie Vlaanderen de pertinente vraag stelde: Is dementie mensonwaardig? Het was een kort, helder, gematigd stuk, waarin gewaarschuwd werd voor de nogal ondoordachte manier waarop sommigen - en met name politici - een dement leven a fortiori “mensonwaardig en niet levenswaardig” lijken te vinden. Het was een a-ideologisch, a-confessioneel en ook helemaal niet tendentieus stuk, waarin zeer terechte vragen werden gesteld. Maar de coördinator was dan ook geen Broeder van Liefde - what’s in a name.
De kern van uw betoog zat in de bewering dat Claus “een belangrijke realiteit van het leven heeft ontkend”, namelijk “dat waardevol leven niet alleen afhangt van capaciteiten die men al dan niet kan ontwikkelen en dat men als medemens juist wordt uitgenodigd anderen te helpen als ze in hun capaciteiten falen, waarin nieuwe facetten van medemenselijkheid kunnen opbloeien.” Het is een zin die om euthanasie schrééuwt, zo krakkemikkig is hij, maar dit terzijde. Dit is de fundamenteelste passus in uw tekst, omdat u hier moet uitleggen wat volgens u en uw christelijke geestesgenoten de zin van het lijden is, een zin die voor mensen als Claus en zijn humanistische geestesgenoten inderdaad onbestaande is.
Voor vrijzinnige humanisten is het onnoemelijke leed van een onomkeerbaar aftakelingsproces - ik denk aan de laatste maanden en beelden uit het leven van paus Johannes Paulus II bijvoorbeeld - zinloos en mensonterend. Over deze fundamentele kwestie is tussen gelovigen en niet-gelovigen geen consensus mogelijk. Dit is een breuklijn, een kloof.
Maar wat doet u in deze passus? U verklaart de zin van het lijden door te verwijzen naar de zin die dit lijden kan hebben voor anderen, namelijk voor de medemens die zich uitgenodigd weet om de lijdende te helpen. Maar dat is niet de essentie natuurlijk, de essentie is: wat is de zin van het lijden voor de lijdende? Precies omdat u op deze vraag het antwoord schuldig blijft, omdat u in de loop van één terminale zin op bijna slinkse wijze de vraag van de zingeving verplaatst van de lijdende mens naar de medemens - vond ik uw betoog niet alleen een aanslag op het menselijk taalgevoel maar ook een intellectuele belediging. Nogmaals: ik spreek u niet aan op uw christelijke overtuiging, ik spreek u aan op de kwaliteit van uw redenering en uw stijl. U denkt zo beroerd en schrijft zo belabberd dat u niet eens de kern van uw eigen geloofsovertuiging op een heldere en aannemelijke wijze kunt verwoorden. Ik dacht daareven: als katholieke gezagsdragers in deze tijd hun wereldbeeld en hun ethiek niet overtuigender meer kunnen formuleren dan Broeder Stockman, dan hoeven we uit die hoek niets meer te vrezen.
Na die volstrekt inadequate alinea over het menselijk lijden, ontspoorde uw artikel in kreten en karikaturen die een nauwkeurige weerlegging niet eens verdienen. U had het over “de arrogantie” van “een bepaalde groep in de samenleving” die “pretendeert de norm voor de gehele samenleving te bezitten” en die wenst “op te dringen aan eenieder”. In zijn reactie op uw stuk, diezelfde dag verschenen, heeft Etienne Vermeersch de aperte onwaarheid van dergelijke beweringen nog maar eens aangeklaagd. Hij schreef onder meer: “Wellicht gaan zij die aan anderen eeuwenlang een eenheidsdenken over leven en dood hebben opgelegd, ervan uit dat iedereen die voor zichzelf - en alleen voor zichzelf - een andere visie ontwikkelt, die meteen ook aan anderen wil opdringen. Dogmatici denken blijkbaar dat iedereen die een afwijkende mening heeft, ook zelf een dogmaticus wil zijn.” Misschien moet u hierover toch eens even goed nadenken.
“Onder de mom van vrijheid van mening worden we gedwongen een opgedrongen mening in vrijheid over te nemen” schreef u nog. Maar u bent het beste tegenbewijs van wat u hier beweert. U neemt namelijk helemaal niets over. Het feit dat u uw afwijkende mening toch maar mooi in een mainstream massamedium kon publiceren en daarmee behoorlijk wat persaandacht voor uw standpunten en uw kritiek genereerde, logenstraft wat u in deze sikkeneurige en pruilerige passage bijna zegt, namelijk dat er vandaag in Vlaanderen een soort cordon médiatique zou bestaan dat u en de uwen verhindert uw mening te uiten. De publicatie van uw lamentabele tekst getuigt juist van extreme journalistieke tolerantie.
Tot slot, uw suggestie dat Claus’ besluit en de mediareacties neerkomen op een “ode aan het leven van de volmaakten, van de succesvollen” is wel bijzonder pijnlijk voor iedereen die ooit ook maar een heel klein beetje kennis heeft genomen van Claus’ werk. Ik ken niet veel schrijvers of dichters in onze literatuur in wier werk het onvolkomene, het gebrekkige en het kwetsbare van het menselijk bestaan met zoveel luciditeit, mededogen en ja, liefde is vormgegeven als in het werk van Claus. Dit veelkantige oeuvre is een woedende ode aan de kleine mens, de bange, stamelende, altijd struikelende en telkens weer overeind krabbelende mens. Dit is een oeuvre trouw aan de aarde, zou Albert Camus hebben gezegd. Het is een oeuvre met hoogten en laagten, jazeker, maar het is mij in ieder geval oneindig veel dierbaarder dan uw wellicht niet eens malicieus bedoelde maar o zo ondermaatse geneuzel.
28 februari 2008
Waarom de verfilming van De vliegeraar niet deugt
Het boek is beter dan de film: dat geldt voor bijna alle verfilmingen van grote romans - van Lolita tot L’amant, van The Sheltering Sky tot Het parfum, van The Scarlet Letter tot The Great Gatsby. (Wat niet wil zeggen dat verfilmingen van romans noodzakelijk slechte films opleveren. Ik vond The French Lieutenant’s Woman destijds en The English Patient bijvoorbeeld op zich wel geslaagde films.)
Dat geldt ook voor The Kite Runner, in het Nederlands vertaald als De vliegeraar, de hartverscheurende bestseller van de Amerikaans-Afghaanse schrijver-arts Khaled Hosseini, een boek uit 2003 dat nu is verfilmd door de Amerikaanse regisseur Marc Forster. Maar waarom is het boek dan beter? En waarom werden bepaalde elementen uit de roman in de film weggelaten?
Uiteraard is het niet mogelijk om de hele anekdotiek van een roman die 350 bladzijden beslaat in beeldtaal om te zetten en te vatten in anderhalf of twee uur film. Verfilmingen couperen vrijwel altijd. Maar in het geval van De vliegeraar hebben die coupures soms tot gevolg dat de film ideologisch iets anders vertelt dan de roman. De weglatingen krijgen daardoor iets van verzwijgingen, waardoor de akelige indruk ontstaat dat de film het boek censureert.
Hosseini vertelt het verhaal van twee jongetjes, Amir en Hassan, die opgroeien in het Kaboel van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Amir behoort tot de upper class van Afghanistan, de (sjiïtische) Pashtun, Hassan behoort tot de (soennitische) Hazara’s, de basse classe van Afghanistan, een beetje vergelijkbaar met de Paravans in Indië. Hassan en zijn vader Ali zijn het huispersoneel van Amir en zijn vader Baba. Ondanks het absolute klasseverschil groeien de twee jongetjes samen op. Vriendschap is sterker dan culturele en socio-economische barrières, zo lijkt het in het begin van het boek. Maar die illusie gaat aan diggelen wanneer de twee jongens te maken krijgen met “de blonde, blauwogige Assef”, een stuitend upper class joch dat opgroeit in de kringen van Daoud Kahn, de man die in juli 1973 een einde maakte aan het koningschap van Zahir Shah en in Afghanistan de republiek installeerde. Assef mag andere kinderen in de chique Wazir Akbar Khan-wijk graag terroriseren. In het boek heeft Assef “een Duitse moeder en een Afghaanse vader” en een grote bewondering voor Adolf Hitler. “Dat was nog eens een leider,” bralt hij tijdens een vervelende ontmoeting met Amir en Hassan op straat, “een groot leider. Een man met visie.” Vervolgens schrijft Hosseini over Assef: “Zijn blauwe ogen schoten naar Hassan. ‘Afghanistan is het land van de Pashtun. Dat is altijd zo geweest en dat zal altijd zo blijven. Wij zijn de ware Afghanen, de zuivere Afghanen, en niet die platneus daar (hij bedoelt de Hazara Hassan - fa). Zijn volk bezoedelt ons vaderland, onze watan. Zij bezoedelen ons bloed. Afghanistan voor de Pashtun, zeg ik.’ ”
Hosseini vermengt het nationalistische vertoog van de elitaire Pashtun met het racistische Blut und Boden-discours van Hitlers Derde Rijk. Dat is in het boek geen onbelangrijk detail, aangezien Yussef veel later in het verhaal een talib blijkt te zijn geworden, die tijdens het terreurregime van de Taliban overspeligen stenigt in het Ghazi-voetbalstadion en met jonge jongetjes knoeit. De boodschap van de roman is hier erg duidelijk, op het didactische af: de Taliban zijn de nazi’s van Afghanistan.
Die heftige associatie is in de film volkomen uitgewist. Yussef is er een gewone, weliswaar vervelende maar in ieder geval niet langer blauwogige slungel. In het boek krijgt Amir op zijn verjaardagsfeestje van Assef een biografie van Hitler cadeau. (Assef is op dat feestje aanwezig omdat zijn vader en Amirs vader vrienden zijn.) In de film is er van een Hitlerbiografie geen sprake. In het boek bepotelt talib Yussef een weesjongetje (het zoontje van Hassan), in de film is die scène verproperd. Ook de stenigingsscène is in de roman vele malen ondraaglijker dan in de film.
De meeste weglatingen in de film zijn minder problematisch, en hebben slechts tot gevolg dat de film hier en daar minder helder, minder geloofwaardig overkomt dan het verhaal in het boek. Hoewel: de radicaliteit van het klassenconflict in de Afghaanse maatschappij is behoorlijk afgezwakt, net zoals Amirs alles bepalende vadercomplex. Ook het feit dat Amir en Hassan als zuigeling aan dezelfde min hebben gehangen, blijft in de film onvermeld. In de film lijkt het bovendien erg makkelijk om uit een talibankamp te ontsnappen, en is ook de hele poging van Amir om Hassans zoontje uit de klauwen van de Taliban te redden zodanig vereenvoudigd dat het lachwekkend wordt.
Maar meer dan al deze teleurstellende ingrepen is het de opvallende, radicale de-nazificatie van het boek die ernstige vragen opwerpt. Is het mogelijk dat deze laag uit het verhaal is weggehaald uit angst voor woedende reacties in Afghanistan en andere moslimlanden? (Volgens het blad Filmmagie is The Kite Runner “een van de eerste Hollywoodfilms, zoniet de eerste, waarin uitsluitend moslims acteren.”) Per slot van rekening is de release van de film uitgesteld totdat de Afghaanse acteurs die de verkrachtingsscène spelen in veiligheid waren gebracht - bang als de makers van de film waren voor ‘Deense toestanden’ - represailles van Afghaanse fundamentalisten die geen onderscheid maken tussen acteurs en de rollen die acteurs spelen.
Is het denkbaar dat overwegingen van commercieel-tactische aard ertoe hebben geleid dat de film het boek censureert en dus verminkt? En wat te denken van een schrijver die toestaat dat zijn boek op een dergelijke, neutraliserende manier wordt verfilmd?
Dat geldt ook voor The Kite Runner, in het Nederlands vertaald als De vliegeraar, de hartverscheurende bestseller van de Amerikaans-Afghaanse schrijver-arts Khaled Hosseini, een boek uit 2003 dat nu is verfilmd door de Amerikaanse regisseur Marc Forster. Maar waarom is het boek dan beter? En waarom werden bepaalde elementen uit de roman in de film weggelaten?
Uiteraard is het niet mogelijk om de hele anekdotiek van een roman die 350 bladzijden beslaat in beeldtaal om te zetten en te vatten in anderhalf of twee uur film. Verfilmingen couperen vrijwel altijd. Maar in het geval van De vliegeraar hebben die coupures soms tot gevolg dat de film ideologisch iets anders vertelt dan de roman. De weglatingen krijgen daardoor iets van verzwijgingen, waardoor de akelige indruk ontstaat dat de film het boek censureert.
Hosseini vertelt het verhaal van twee jongetjes, Amir en Hassan, die opgroeien in het Kaboel van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Amir behoort tot de upper class van Afghanistan, de (sjiïtische) Pashtun, Hassan behoort tot de (soennitische) Hazara’s, de basse classe van Afghanistan, een beetje vergelijkbaar met de Paravans in Indië. Hassan en zijn vader Ali zijn het huispersoneel van Amir en zijn vader Baba. Ondanks het absolute klasseverschil groeien de twee jongetjes samen op. Vriendschap is sterker dan culturele en socio-economische barrières, zo lijkt het in het begin van het boek. Maar die illusie gaat aan diggelen wanneer de twee jongens te maken krijgen met “de blonde, blauwogige Assef”, een stuitend upper class joch dat opgroeit in de kringen van Daoud Kahn, de man die in juli 1973 een einde maakte aan het koningschap van Zahir Shah en in Afghanistan de republiek installeerde. Assef mag andere kinderen in de chique Wazir Akbar Khan-wijk graag terroriseren. In het boek heeft Assef “een Duitse moeder en een Afghaanse vader” en een grote bewondering voor Adolf Hitler. “Dat was nog eens een leider,” bralt hij tijdens een vervelende ontmoeting met Amir en Hassan op straat, “een groot leider. Een man met visie.” Vervolgens schrijft Hosseini over Assef: “Zijn blauwe ogen schoten naar Hassan. ‘Afghanistan is het land van de Pashtun. Dat is altijd zo geweest en dat zal altijd zo blijven. Wij zijn de ware Afghanen, de zuivere Afghanen, en niet die platneus daar (hij bedoelt de Hazara Hassan - fa). Zijn volk bezoedelt ons vaderland, onze watan. Zij bezoedelen ons bloed. Afghanistan voor de Pashtun, zeg ik.’ ”
Hosseini vermengt het nationalistische vertoog van de elitaire Pashtun met het racistische Blut und Boden-discours van Hitlers Derde Rijk. Dat is in het boek geen onbelangrijk detail, aangezien Yussef veel later in het verhaal een talib blijkt te zijn geworden, die tijdens het terreurregime van de Taliban overspeligen stenigt in het Ghazi-voetbalstadion en met jonge jongetjes knoeit. De boodschap van de roman is hier erg duidelijk, op het didactische af: de Taliban zijn de nazi’s van Afghanistan.
Die heftige associatie is in de film volkomen uitgewist. Yussef is er een gewone, weliswaar vervelende maar in ieder geval niet langer blauwogige slungel. In het boek krijgt Amir op zijn verjaardagsfeestje van Assef een biografie van Hitler cadeau. (Assef is op dat feestje aanwezig omdat zijn vader en Amirs vader vrienden zijn.) In de film is er van een Hitlerbiografie geen sprake. In het boek bepotelt talib Yussef een weesjongetje (het zoontje van Hassan), in de film is die scène verproperd. Ook de stenigingsscène is in de roman vele malen ondraaglijker dan in de film.
De meeste weglatingen in de film zijn minder problematisch, en hebben slechts tot gevolg dat de film hier en daar minder helder, minder geloofwaardig overkomt dan het verhaal in het boek. Hoewel: de radicaliteit van het klassenconflict in de Afghaanse maatschappij is behoorlijk afgezwakt, net zoals Amirs alles bepalende vadercomplex. Ook het feit dat Amir en Hassan als zuigeling aan dezelfde min hebben gehangen, blijft in de film onvermeld. In de film lijkt het bovendien erg makkelijk om uit een talibankamp te ontsnappen, en is ook de hele poging van Amir om Hassans zoontje uit de klauwen van de Taliban te redden zodanig vereenvoudigd dat het lachwekkend wordt.
Maar meer dan al deze teleurstellende ingrepen is het de opvallende, radicale de-nazificatie van het boek die ernstige vragen opwerpt. Is het mogelijk dat deze laag uit het verhaal is weggehaald uit angst voor woedende reacties in Afghanistan en andere moslimlanden? (Volgens het blad Filmmagie is The Kite Runner “een van de eerste Hollywoodfilms, zoniet de eerste, waarin uitsluitend moslims acteren.”) Per slot van rekening is de release van de film uitgesteld totdat de Afghaanse acteurs die de verkrachtingsscène spelen in veiligheid waren gebracht - bang als de makers van de film waren voor ‘Deense toestanden’ - represailles van Afghaanse fundamentalisten die geen onderscheid maken tussen acteurs en de rollen die acteurs spelen.
Is het denkbaar dat overwegingen van commercieel-tactische aard ertoe hebben geleid dat de film het boek censureert en dus verminkt? En wat te denken van een schrijver die toestaat dat zijn boek op een dergelijke, neutraliserende manier wordt verfilmd?
Abonneren op:
Posts (Atom)