26 februari 2009

Eenzaam want consequent: bij de dood van Jaap Kruithof


Mensen jonger dan dertig vallen uit de lucht: Jaap wie? Maar ik voelde een rilling toen ik vanmiddag (25 februari) op de radio hoorde dat Jaap Kruithof op 79-jarige leeftijd was overleden. Ik ben immers een van die tienduizenden die ooit bij hem student zijn geweest, van 1981 tot 1984 om precies te zijn, in het departement wijsbgeerte aan de universiteit Gent. Kruithof was ook toen al een levend monument. Hij had zijn sporen verdiend onder meer als mede-oprichter (samen met Leo Apostel) van de studierichting moraalwetenschappen, als auteur van gewaardeerde boeken als De zingever (1968) en Eticologie (1973), en misschien nog wel het meest als co-auteur (met Jos Van Ussel) van Jeugd tegen de muur (1962), een ophefmakend boek over de seksualiteitsbeleving van jongeren in Vlaanderen, wat toen nog geen voer voor weekendkranten was.

Daarnaast genoot hij ruime bekendheid als boegbeeld en spreekbuis van het radicaal linkse denken in Vlaanderen. Hij was een man met volgelingen én met tegenstanders. Hij hield meer van tegenstanders, denk ik, dan van volgelingen. Hij genoot van controverse, zocht de tegenspraak, “hij was een geducht tegenstander in debatten, het prototype van de dwarsligger,” aldus de website van de VRT vanmiddag. Zo dwars lag Kruithof dat hij jarenlang, zo is mij vaak verteld, op de BRT (VRT) persona non grata is geweest. Het zou mooi zijn als de VRT hier nu eens eerlijk over berichtte.

Kruithofs woede-uitbarstingen tijdens openbare discussies waren legendarisch. Zo herinner ik me een discussie in de Gentse Blandijn waar hij politica Wivina De Meester verbaal vermorzelde, en De Meester was dan nog een van de progressiefste, meest verlichte CVP’ers uit die tijd. Die agressieve stijl was een gevolg en een uitdrukking van zijn tomeloze verontwaardiging over alles wat misging in de wereld, maar het was soms ook zijn zwakte. De boodschap verdronk wel eens in de stijl. Een debat met Kruithof beloofde altijd spektakel. Het was een vorm van academisch entertainment. Vele studenten kwamen naar zulke debatten om zich eens goed te amuseren en beschouwden hem als weinig meer dan een curiosum. Kruithof had daardoor ook iets van een tragische figuur.

Toen ik hem in het begin van de jaren tachtig leerde kennen, was hij verdiept in een historische studie van de complexe verhouding tussen arbeid en lust in de Westerse samenleving. Volgens Kruithof zat het met die verhouding goed scheef, “als gevolg van een onrechtvaardig en inefficiënt maatschappelijk bestel”, zoals hij het formuleerde in de inleiding van wat een grote, driedelige studie moest worden. Bij mijn weten zijn alleen de eerste twee delen van Arbeid en Lust destijds bij Epo verschenen, het eerste in 1984, het tweede in 1986. Ik geloof niet dat beide boeken een grote impact op het denken over deze materie hebben gehad. Daarvoor waren ze gewoon te onleesbaar. Want hoe bevlogen en imponerend Kruithof ook sprak, schrijven kon hij niet. Zijn boeken waren gortdroog, veredelde cursussen, zeer schematisch opgebouwd, opsommerig soms. Ik beledig hem niet, hij wist dat zelf en gaf het ook toe. “Spreken kost me niet zo’n moeite,” schreef hij op de eerste pagina van Arbeid en Lust, “schrijven vergt een talent dat ik niet bezit. Na dertig jaar oefening kost het me nog teveel inspanningen, het ligt me slecht.” Voor zelfkritiek was hij nooit te beroerd.

Veel meer aandacht genoot Kruithofs andere publicatie uit die jaren, De mens aan de grens (1985), een boek waarin hij, in navolging van zijn eminente collega Leo Apostel (aan wie het boek ook opgedragen was), een pleidooi hield voor een vernieuwde religiositeit. Sommige traditionele humanisten beschouwden Kruithofs Wende als een vorm van verraad en intellectuele zelfverloochening, terwijl vele anderen, en met name talrijke christenen, De mens aan de grens juist een interessant en moedig boek vonden. Het zal in ieder geval zijn best verkochte boek ooit zijn geweest.

Vandaag werd Kruithof her en der op nieuwssites omschreven als “een toonaangevend Vlaams filosoof”. Dat is een weinig alerte, om niet te zeggen verkeerde voorstelling. Welke toon gaf Kruithof aan? Spraakmakend en controversieel is hij zonder meer geweest, maar dat was toch al ruim vijftien jaar -hij ging in 1995 met emeritaat- niet meer het geval. In het maatschappelijk debat in Vlaanderen speelde Kruithof al vele jaren geen rol van betekenis meer. Dat had wellicht met twee zaken te maken: met zijn ziekte, waarover hij me jaren geleden al in een briefje berichtte, en, natuurlijk, met de veranderde Zeitgeist. Kruithof behoorde tot een generatie marxistische of marxistisch geïnspireerde denkers die de wereld analyseerden in termen die na de val van de Muur in 1989 en de implosie van het Sovjetregime geheel in het ongerede zijn geraakt - wat niet noodzakelijk impliceert dat die analyses onjuist waren. Zijn anti-antropocentrische kritiek op het traditionele humanisme, zijn eco-filosofie, zijn subversief bedoelde verzamelwoede (waarover op de vrt-site een mooi interviewtje staat) - het waren evenzovele onmodieuze standpunten en ideeën die weinig of geen invloed meer hadden in de weldenkende cenakels en op de opiniepagina’s van deze tijd.

Kruithofs intellectuele erfenis is een paradox: hij oefende wellicht een grote maar moeilijk traceerbare invloed uit op het wereldbeeld van duizenden studenten, maar hij was tegelijkertijd een solitair denker, iemand die vele jaren in het totale isolement van zijn eigen radicale overtuigingen heeft geleefd, wars van modes en trends. Ik heb dat altijd verbluffend gevonden, het waarmerk van een intellectueel en een sterke persoonlijkheid, al betekende het natuurlijk ook dat hij zichzelf vaak buitenspel zette. Bovendien moet je je afvragen waar de grens ligt tussen nobele onverzettelijkheid en dogmatiek.

Laten we dus, nu hij dood is, niet schijnheilig over Kruithof spreken en schrijven. Laten we maar toegeven dat we hem eigenlijk al lang vergeten waren, dat zijn radicaliteit voor deze tijd nog slechts iets excentrieks had, en dat we niet weten wat we zeggen wanneer we hem “toonaangevend” noemen. Iets tussen respect en meewarigheid was sinds lang zijn deel. Maar in mijn ketterse gebeden zal ik hem gedenken als een minzame en meedogenloze wereldverbeteraar, en als een van de indrukwekkendste professoren die ik ooit heb beluisterd.

Op de site van Indymedia staat een interessant interview met Kruithof: http://www.indymedia.be/en/node/31918

26 januari 2009

Denkend aan Kim De Gelder: "Wat mij wakker houdt weet geen mens"




Hij lijkt op Jotie T’Hooft: dat was het eerste wat ik dacht toen ik in de krant de zwartwitfoto van “babybeul” (De Morgen) Kim De Gelder zag.
Jotie T’Hooft was een Vlaamse , drugverslaafde en door de dood bezeten dichter die in 1977 door een overdosis cocaïne om het leven kwam, amper 21 jaar oud. Kim de Gelder is twintig. T’Hooft was afkomstig uit Oudenaarde, Oost-Vlaanderen. (Het jeugdcentrum van Oudenaarde heet Jotie.) De Gelder komt uit Eksaarde, Oost-Vlaanderen, 50km van Oudenaarde. Volgens diverse nieuwsbronnen had De Gelder zijn gezicht wit geschminkt en waren zijn ogen zwart omrand. Jotie T’Hooft schreef over zijn eerste zelfmoordpoging: “Ik (...) schminkte me op in goede decadente traditie (...).” Over het decor van zijn tweede zelfmoordpoging verklaarde zijn moeder later: “Alles was zwart geverfd, overal stonden er witte bloemen.”

Bladerend in de bloemlezing waaruit ik deze informatie haal (In mij is onstuitbaar de doodsbloem ontloken, De beste gedichten van Jotie T’Hooft, samengesteld en ingeleid door Hugo Brems, uitgegeven bij Manteau, Antwerpen, 1992), kom ik regels tegen die nu onvermijdelijk ‘Dendermonds’ klinken.

“Geen duisternis is hem diep genoeg
En waterspiegels ontwijkt hij wankelend
Bang voor zijn bijeengeroofd gezicht
(...)
Wat mij wakker houdt weet geen mens”
***
“Ik heb niemand gekend en niemand kent mij.
Geen antwoord: echo’s, spiegelingen, rook.”
***
“Maar niets was erger dan nu, ik wou
dat je bij me kwam en in mijn ogen keek.”
***
“ik was geen prins maar een roofridder met een zwaard
al wist ik nog niet dat het voor u was geslepen.”
***

Uit de catalogus der nutteloze vragen: zou Kim De Gelder de poëzie van Jotie T’Hooft kennen? Was deze naar verluidt gesloten jongen op de een of andere manier door het leven van de dichter beïnvloed? Wilde hij ook dood, net als T’Hooft? Was zijn moorddadig gedrag ook een poging tot zelfvernietiging, een indirecte bede om zelf te sterven? Ik denk terug aan Hans Van Themsche die, nadat hij in de straten van Antwerpen een vrouw en een kind had doodgeschoten, aan de agent die hem achtervolgde vroeg om hem dood te schieten. Kim De Gelder fietste zwijgend weg. Maar misschien wilde ook hij eigenlijk dood. Hij werd, lees ik, gevat in een supermarkt. Een supermarkt! Wat wilde hij nog kopen dan? Chips?

Schreef hij gedichten? Wat las hij? Leed hij onder een onmogelijke, kapotte, onvervulde liefde? Met een mes dood en vernieling zaaien in een kinderdagverblijf: het lijkt wel een statement. De verkoolde geloofsbelijdenis van iemand die alleen maar wilde zeggen: niets heeft belang, niets heeft betekenis. Het doet denken aan André Bretons omschrijving, in het Tweede Manifest van het Surrealisme, van de perfect amorele, surrealistische daad: "L'acte surréaliste le plus simple consiste, revolvers aux poings, à descendre dans la rue et à tirer au hasard, tout ce qu'on peut dans la foule." Kim De Gelder: een surrealist uit Sinaai. Sin. Aai.

De massale media-aandacht voor deze catastrofe ergert me. Waarom? Omdat ik achter de façade van wellicht niet eens geveinsde verbijstering en afgrijzen mercantiele motieven vermoed? (If it bleeds it leads is nu eenmaal het parool van de mediamarketeer.) Wellicht. Omdat ik het allemaal niet wil horen, niet zo gedetailleerd, wegens zelf vader van? Wellicht. Omdat het toch niet uit te leggen is? Zeer zeker. Zwijg een beetje. De VTM-nieuwslezer in het 19u-journaal van maandag 26 januari, na tweeëntwintig minuten berichtgeving over de moorden en de moordenaar: ‘Tot zover de kwestie Dendermonde’. De kwestie Dendermonde? Wat een hulpeloze frase.

Hij werkt niet mee aan het onderzoek. Hij zwijgt. Hoe langer, hoe harder hij zwijgt, hoe harder wij gaan praten. Ook dit doet terugdenken aan het proces Van Themsche: als de beklaagde zweeg, was dat hardvochtig, en als hij praatte, loog hij. Want hij zei niet wat ‘wij’ wilden horen. Hij stortte niet in. Hij leek zo onverschillig. Misschien was dat uiteindelijk zijn onvergeeflijkste misdaad: schijnbare onverschilligheid. Dan denk je meteen: Meursault, Camus, L’étranger.

Maar ook: Bartleby, de zwijgzame klerk in het gelijknamige verhaal van Herman Melville. Bartleby, een bedaarde, gesloten jongeman, mager en bleek, wordt op een dag aangenomen in het kantoor van een New Yorkse advocaat, in de eerste plaats om documenten te kopiëren. Dat doet hij aanvankelijk voortreffelijk, maar na een paar dagen gebeurt er iets vreemds. Gevraagd of hij de advocaat wil helpen een tekst na te kijken, antwoordt Bartleby (‘in a singularly mild, firm voice’): “I would prefer not to.” De verbijsterde advocaat herhaalt zijn verzoek, en Bartleby herhaalt: “I would prefer not to.” De advocaat en de andere medewerkers begrijpen er niets van. Ze ondernemen de ene na de andere poging om Bartleby weer aan het werk te krijgen, of op zijn minst om de redenen voor zijn abrupte werkweigering te achterhalen. Maar tevergeefs.

“Every copyist is bound to help examine his copy. Is it not so? Will you not speak? Answer!”
“I prefer not to,” he replied in a flutelike tone.

Misschien iets anders voorstellen, denkt de advocaat.
“Bartleby, (...) just step around to the Post office, won’t you?”
“I would prefer not to.”
“You will not?”
“I prefer not.”
Om gek te worden, zo’n klerk. Nu eens begripvol en dan weer woedend probeert de advocaat zijn opalen klerk te doorgronden. Mild voorstel van de radeloze advocaat:
“Say now, that in a day or two you will begin to be a little reasonable: - say so, Bartleby.”
“At present I would prefer not to be a little reasonable.”

De advocaat besluit om Bartleby te ontslaan, maar zelfs dat lukt niet:
“The time has come; you must quit this place; I am sorry for you; here is money; but you must go.”
“I would prefer not to,” he replied, with his back still towards me.

Melville vat de afgrondelijke eenzaamheid van Bartleby in een paar weergaloze zinnen:

“He seemed alone, absoluty alone in the universe.”
“Like the last column of some ruined temple, he remained standing mute and solitary in the middle of the otherwise deserted room.”

Bartleby is volgens de advocaat een door en door eerlijk man. Hij pleegt geen enkele misdaad, behalve deze: hij weigert zijn weigering te verklaren. Hij gunt ons geen motieven die zijn gedrag bevattelijk zouden maken. Hij lijkt immuun voor de heftige emoties die zijn eigen gedrag oproept. Ons verlangen, onze eis de andere te begrijpen, negeert hij. Daarom, omdat wij ons door hem afgewezen voelen, belandt Bartleby uiteindelijk toch in de gevangenis. Maar hij volhardt, met een stalen logica. Wanneer de cipier hem vraagt wat hij wil eten, antwoordt Bartleby: “I prefer not to dine today.”

Kim De Gelder, lees ik, weigert te eten en te drinken, en wordt intraveneus gevoed. Zolang hij ons geen verklaring geeft, zullen wij hem in leven houden. Voor Bartleby geen infuus. Hij - de eerste hongerkunstenaar, lang voor Kafka dit type in Europa beroemd maakte - blijft tot het bittere einde de onvermurwbare zonderling. Op een dag vindt de advocaat hem, dood op de binnenplaats.

“He’s asleep, ain’t he?” vraagt de cipier.
“With kings and counselors,” murmured I.

10 december 2008

Waar is de woede?


Paniek op de beurs van New York, 1907.



Er zijn dagen dat ik de wereld wil slaan.
Om zijn domheid.
Zijn kortzichtigheid.
Zijn machtsmannetjes.
Zijn hebzucht.
Zijn zelfgenoegzaamheid.
Geen erger weapon of mass destruction dan mijn soort.
De bom! De bom!

Ja, er is Beethoven en er is Shakespeare, antibiotica en het Louvre, algemeen stemrecht en Venetië - leve de dialectiek en ik hoor u alweer Walter Benjamin citeren. Maar niettemin.


Quo usque tandem abutere, Capitalista, patientia nostra? Het wordt met de dag hemeltergender: hoe politici in dit halfrond er niet in slagen ook maar één originele gedachte te ontwikkelen die een zweem van een glimp van een schijn van een fractie van een oplossing zou kunnen bevatten voor de economische epilepsie-aanval die de wrede vrije markt andermaal - voor de zoveelste keer al in de geschiedenis - heeft uitgelokt.
De zoveelste depressie van dit manische systeem.

Hoe de diagnose ook luidt, de remedie is altijd dezelfde: more of the same.
Geleuter over centen en procenten.
Het denken achter de komma.
Morrelen, schipperen, neuzelen.
Maar uiteindelijk: geen millimeter spatie tussen feit en wens.

Meer dan ooit zijn politici de handlangers van krachten die ze nauwelijks doorgronden en al helemaal niet beheersen. Strandjutters. Ijdele slaven die zich schminken in de glans van hun boeien. Meer dan ooit is politiek de bezemwagen die achter de feiten aanrijdt. We hebben geen keus! jammert het gilde al maanden. En dus doet het wat het zegt te moeten doen: lief zijn voor Freddie en Fannie, plots instortende banken stutten, fors lenen, btw en rentevoeten verlagen, de begroting een beetje in het rood laten gaan - en als er geen geld meer is, dan drúkken we geld. Allemaal noodgrepen binnen de logica van een systeem, dat precies door diezelfde logica deze problemen over zich heeft afgeroepen.

“Het kan niet de bedoeling zijn dat de winsten geprivatiseerd worden en het verlies gesocialiseerd,” aldus de hoofdredacteur van The Economist vorig weekend in De Morgen. Dat is me dunkt wel degelijk de bedoeling van sommigen, en dat is in ieder geval wat nu ophanden is. Zoiets zou in een minder comateuze wereld een gevaarlijke volkswoede uitlokken. Maar niet in onze beste aller mogelijke werelden, waar niemand buiten de sjablonen denkt. Ik vraag me af hoe slecht slecht nieuws moet zijn om vadsig Europa nog tot enige vorm van opstand te kunnen bewegen.

Ondertussen marcheert het parmantige volkje der commentatoren en opiniemakers en columnisten achter de feiten aan, als de muziekkapel over het dek van de Titanic. Kweelde diezelfde hoofdredacteur van The Economist in zijn debardeur: “Kapitalisme is een goede zaak. Daar zou zelfs geen discussie over mogen bestaan. Het einde van de vrije markt zou pas echt een wereldramp zijn.” De journalist als cheerleader. Opsluiten moesten ze zo’n man. Uithongeren. De vrije markt is een catwalk in een mijnenveld. De beurs is een machtiger en wispelturiger sfinks dan het Grieks orakel ooit is geweest. Vergeleken bij Wall Street is Lourdes een sciëntistisch bolwerk. Maar geen politicus - van groen tot donkerbruin - die de macht van de sfinks fundamenteel in vraagt stelt. Dat is wat deze financiële en economische crisis zo schrijnend duidelijk heeft gemaakt: de politieke klasse heeft geen macht, geen ideeën, geen lef. Boven het bidet van het parlement spoelt de vrije markt haar kut.


Pijnlijk ook, hoe zo’n hoofdredacteur een systeem bejubelt waarvan de logische gevolgen momenteel in zijn eigen vakgebied een kleine ravage aanrichten. Niet onder hoofdredacteuren wellicht. (Misschien moesten persbedrijven in moeilijkheden, voor ze aan het infuus van de overheidshulp gaan, eerst maar eens hun loonschalen publiceren. Het afvijlen van een paar toplonen zou wellicht enige C4’tjes kunnen schelen.)

En dan de intellectuelen. De schrijvers. De kunstenaars. De filosofen. Het danst en het tobt en het kliedert en het schrijft zijn schriftjes vol, naarstig, vlijtig, braaf. Het vent zijn gesubsidieerde onbehagen, het moppert obligaat, me quoque, en hoopt stiekem op een prijsje. De vrome schlagerzangers der cultuurkritiek, wie maalt nog om hun rebelse refreintjes? Als een minister van Buitenlandse Zaken de subversieve kracht van de kunst gaat loven, zoals Karel De Gucht vorige zaterdag in deze krant deed, dan weet je hoe het met de subversieve kracht van de kunst gesteld is.

Nergens zie ik echte woede. Nergens leidt deze diepe en alomvattende crisis tot een diepgaande culturele introspectie, nergens groeit uit het puin een politiek significante tegenbeweging. How many times can a man turn his head, pretending he just doesn’t see? kraste Bob Dylan ruim veertig jaar geleden. Het is nog steeds een open vraag.

28 oktober 2008

Over Hitler, Yves Desmet en forel in botersaus

De VRT heeft in extremis besloten om een programma over het lievelinsgegerecht van Adolf Hitler niet uit te zenden. In De Morgen had journalist Yves Desmet het meteen over ‘censuur’, en noemde hij het besluit van de VRT ‘dom’. Desmet vergist zich.

Het programma over Hitlers lievelingsgerecht maakt deel uit van een reeks die een Franse titel draagt, Plat Préféré. In die reeks kookt kok Jeroen Meus de lievelingsgerechten na van beroemde mensen, zoals Jacques Brel, Maria Callas en Salvador Dalí. Een nogal idioot ideetje voor een Canvasprogramma, maar goed, het kunnen niet alle dagen boekenprogramma’s zijn en koken is blijkbaar erg in op de treurbuis.

Voor die reeks trok Meus dus ook naar Berchtesgaden, waar hij in het Adelaarsnest het lievelingsgerecht van de Führer bereidde: forel met botersaus. En die aflevering is nu, onder zware druk van allerlei instanties en individuen, afgevoerd. We wilden immers “de perceptie vermijden dat we van Hitler een ‘icoon’ maken,” aldus VRT-woordvoerdster Diane Waumans vandaag in De Morgen. “Het was een foute inschatting om deze documentaire in een reeks te plaatsen waarin alle andere protagonisten beroemdheden zijn in de positieve zin van het woord,” zei Waumans nog. “Daardoor is ten onrechte het beeld ontstaan dat het programma Hitler zou vermenselijken of -erger nog- zou verheerlijken.”

Programma afgevoerd - tot grote opluchting wellicht van ondere andere Luc Van der Kelen (politiek journalist bij Het Laatste Nieuws), en Luckas Van der Taelen (gewezen groen Europarlementslid), die beiden voor dit verbod hadden gepleit.

Desmet schoot met scherp op de motieven van wat hij “de forellenverbranders” noemde, maar hij mikte verkeerd. Ten eerste reconstrueerde hij de bezwaren van (onder andere) Van der Kelen en Van der Taelen in een verkeerd perspectief. Hij schreef: “Het probleem was dus dat er een programma zou uitgezonden worden waarin iets verkondigd zou kunnen worden dat de beide heren niet welgevallig in de oren klinkt.” (Bemerk de ironiserende, wat spottende formulering, bedoeld allicht om de inhoudelijke zwakte van het beweerde te camoufleren.)

Dat was helemaal niet het probleem. Ik heb de aflevering niet gezien, Desmet ook niet, u ook niet, maar ik begrijp dat het hier over een kookprogramma gaat waarin niét werd verkondigd dat Hitler een fijn mens was, maar dat hij graag forel met botersaus at. De bezwaren van VDK en VDK golden natuurlijk niet de culinaire voorkeuren van de Führer alszodanig. Het was hen niet te doen om de forel an sich. Hun ‘probleem’ had wellicht helemaal niets te maken met wat in het programma werd verkondigd, maar met context, interpretatie, ongewenste conclusies, de gevreesde iconisering waarover Waumans het had.

En Desmet vervolgde:
“Daarmee maken ze een redeneringsfout die tot op heden vooral in kringen rond het Vlaams Belang furore maakte: ook daar wordt vrijheid van meningsuiting verengd tot de verdediging van de eigen meningsvrijheid.”

Zo gemakkelijk kan kritiek dus zijn. Iemand maakt bezwaar tegen een culinair programma rondom Adolf Hitler omdat hij denkt dat daardoor verkeerde signalen worden uitgezonden, en zelfs als hij zich daarin zou vergissen: het geeft toch geen pas om wie zulke bezwaren formuleert dan maar meteen met de abjecte ideologie van extreem-rechts in verband te brengen? Wie doet nu zoiets? Wat verklaart het? Wat verduidelijkt het? Bovendien, waarom zou het “verengen” van de “vrijheid van meningsuiting” tot de “verdediging van de eigen meningsvrijheid” een “redeneringsfout” zijn die “vooral” in extreem-rechtse kringen voorkomt? Zou dit verschijnsel zich niet ook ter extreem-linkerzijde voordoen? En wat is dan de “eigen meningsvrijheid” die VDK en VDT hier hebben willen verdedigen? Welke mening was hen onwelgevallig? Dat forel met botersaus lekker is?

Kortom, het ging hier helemaal niet over een mening die in het programma zou zijn verkondigd. En dus was de eerst helft van Desmets betoog, waarin hij de gemeenzame opvattingen over meningsvrijheid samenvatte, naast de kwestie.

Maar wat vinden VDK en VDT dan zo schokkend aan dit programma, vroeg de journalist zich halverwege zijn stuk af, “dat ze bereid zijn voor een keertje de fundamenten van de democratische samenleving onderuit te halen”? En hij gaf zelf het antwoord: “Dat blijkt dus niet een hernieuwde oproep tot de Endlösung te zijn, maar wel een recept voor forel in botersaus.”

Tja... Gênante sofistiek is dit. De ideeën van je opponent vereenvoudigen, verminken en belachelijk maken in plaats van ze te weerleggen: het is de meest versleten retorische truc van allemaal. Want uiteraard wilden VDK en VDT “de fundamenten van de democratische samenleving” niet onderuithalen, en uiteraard was het niet het recept dat hen heeft geschokt. Dat weet zo’n commentator natuurlijk ook. Wat is dan de waarde, en wat kan de bedoeling zijn van dit soort kritiek, die grotendeels gebaseerd blijkt te zijn op overdrijving, vereenvoudiging, ridiculisering en irrelevante uitweidingen over censuur en meningsvrijheid?

Interessanter was de discussie in het tweede deel van Desmets artikel, over de vraag of het omstreden televisieprogramma riskeerde de Führer te banaliseren. Misschien zouden de makers onwillekeurig Hitler sympathiek(er) maken in de ogen van de ideologisch wankelmoedigen onder ons. (Mama kijk! Hitler at ook forel!)


Reactie Desmet: “Waarom zou er aan de banale aspecten van het leven van Hitler geen aandacht mogen worden besteed?” Terechte opmerking. Volgende zin: “Alle gereputeerde Hitlerbiografen, Ian Kershaw op kop, hebben daar aandacht aan besteed.” Klopt, al is een biografie net iets anders dan een kookprogramma. Dan: “Zullen we dan meteen ook zijn boeken op de brandstapel gooien?” Oeps.

Is het mogelijk dat wie zo’n zin schrijft, niét beseft dat hij wel erg kort door de bocht gaat? Een beetje brein weet toch dat wat VDK en VDT bepleitten niets maar dan ook werkelijk niets met boekverbrandingen te maken heeft? Waarom dan weer zo doorschieten, zo overdrijven dat je de kern van het debat niet eens meer raakt? Het gevaar van deze stijl, deze toon, is dat al je eventueel terechte bezwaren dreigen te verwaaien in retorische galm en hoon.

Ten gronde: natuurlijk is de heisa rondom dit programma een uiting van ‘ons’ verlangen om Hitler, als de verpersoonlijking van het Kwaad, buiten te houden. Hij is de meest gedemoniseerde figuur uit de westerse geschiedenis, en belichaamt alles wat ‘wij’ niet willen zijn. Hitler is het absolute donker. Elk portret, elke analyse die hem iets menselijks verleent, ontreddert ons, omdat ze continuïteit en gelijkenis suggereert daar waar wij alleen een radicale breuk wensen te zien. Vandaar dat ook geschiedschrijvers en biografen die Hitler in een heel andere context hebben ‘vermenselijkt’ dan Plat Préféré dat doet, daarvoor flink op hun donder hebben gekregen. Maar, zoals Desmet terecht opmerkt: “Het besef dat de grootste gruwel kan voortkomen uit iemand die ook graag forel met botersaus at, draagt bij tot het begrijpen van de geschiedenis, leert ons dan niets ooit verworven is, dat we waakzaam moeten blijven.”

Zeker, zeker, zeker. Alleen: in Plat Préféré ontbreekt die context volkomen. Het gaat niet over dat onthutsende verband tussen het zogenaamd absolute Kwaad en de forel etende sterveling. Het is gewoon een kookprogramma over beroemde mensen, een format dat wellicht niet de ambitie heeft om ons aan te sporen tot het begrijpen van de geschiedenis, en evenmin tot waakzaamheid jegens de potentiële nazibeul in iedere foreleter.

Plat Préféré focust op de culinaire voorliefdes van beroemde mensen los van datgene wat hen beroemd heeft gemaakt. Het gaat niet - begrijp ik- over het verband tussen Brels keuken en Brels chansons, niet over de wisselwerking tussen Dalí’s schilderijen en zijn kookgedrag. De geselecteerde figuren hebben slechts twee dingen met elkaar gemeen: ze zijn beroemd en ze aten of kookten graag. Ze bestaan samen in de abstracte ruimte van “de roem”, en dat maakt hen in zekere zin onderling verwisselbaar. Zo bekeken was het inderdaad niet verstandig om Hitler in die reeks op te nemen, terwijl een programma over Hitlers culinaire liefdes op zich best te verdedigen is. Men leze goed wat Waumans precies zei: “Het was een foute inschatting om deze documentaire in een reeks te plaatsen waarin alle andere protagonisten beroemdheden zijn in de positieve zin van het woord.” Met andere woorden, het format wiste achtergrond en oorzaken waarop de roem en de betekenis van de geselecteerden berusten. Cru gezegd: het maakt in zo’n format niet uit of je nu beroemd bent geworden met Ne me quitte pas of met Zyklon-B. Dankzij die neutralisering kon Hitler in het rijtje worden opgenomen, maar diezelfde neutralisering is natuurlijk ook precies wat de critici van dit programma aanstootgevend vinden. Dat lijkt me een zeer verdedigbaar standpunt, dat niets van doen heeft met boekverbrandingen en extreem-rechts. Het is trouwens best denkbaar, en misschien ook wenselijk dat de VRT de aflevering over Hitler op een dag in een andere context wel zou uitzenden.

Tot slot, nog een andere, nauwelijks minder verontrustende vaststelling: het schrappen van de Hitleraflevering was blijkbaar niet het gevolg van een wat late maar respectabele afweging onder journalisten en programmamakers, maar wel van directe politieke inmenging. “De directietop van de VRT stond onder zware politieke druk van haar raad van bestuur,” schreef De Morgen vandaag. “Voorzitter Guy Peeters liet gisterochtend per mail aan gedelegeerd bestuurder Dirk Wauters in niet mis te verstane taal weten dat hij ‘zijn verantwoordelijkheid moest nemen’ -mail die kennelijk op de redactie van De Morgen is beland, fa- omdat de uitzending niet paste op Canvas. (...) Ook in de Vlaamse regering dacht men er naar verluidt zo over.” De journalistieke top van de VRT is dus overruled door de politiek. Het ging hier niet zozeer om het beknotten van meningsvrijheid als wel om een flagrante schending van de persvrijheid. Me dunkt dat wie bekommerd is om de fundamenten van de democratische samenleving zijn pijlen beter daar op had gericht.

15 september 2008

Palin steunt NAVO-kandidatuur Bart De Wever



(van de persagentschappen)

Gisterochtend, nauwelijks vierentwintig uur na de uitvaart van John McCain, heeft president Palin tijdens een korte ontmoeting met de internationale pers in de Rose Garden van het Witte Huis bevestigd dat de VS de kandidatuur van Bart de Wever voor de baan van secretaris-generaal van de NAVO ten volle steunen.

“Ik heb meneer De Wever nog nooit ontmoet,” liet Palin zich tegenover een ABC-reporter ontvallen, “maar ik ben voldoende over hem geïnformeerd om te weten dat hij een zeer ervaren en intelligent man is. Hij wordt zeer gewaardeerd in Alaska. Zijn conservatieve standpunten bieden de Verenigde Staten voldoende garantie dat de NAVO onder zijn leiding de oorlog in Georgië met een klinkende overwinning (one smashing victory) zullen besluiten.”

Gevraagd of de VS gezien het grote belang van het militaire conflict met Rusland niet liever een Amerikaan aan het hoofd van de NAVO zouden zien, antwoordde Palin: “Ik zie momenteel geen betere kandidaat voor het voorzitterschap van de NAVO dan Wart The Beaver.” Haar pijnlijke verhaspeling van De Wevers naam veroorzaakte onder de aanwezige journalisten niet de minste hilariteit.

In een eerste reactie liet Vlaams minister-president Jean-Marie Dedecker weten het “bijzonder tof te vinden dat mevrouw Palin een Vlaming aan het hoofd van de NAVO zou willen benoemen. Dit is het beste bewijs,” aldus Dedecker, “dat het onafhankelijke Vlaanderen tien keer meer prestige in de wereld geniet dan het voormalige Belgique à papa.”

In regeringskringen wordt vernomen dat de steun van de VS voor De Wevers kandidatuur in niet geringe mate te danken zou zijn aan discreet politiek overleg tussen het Witte Huis en Vlaams VN-ambassadeur Jurgen Verstrepen. “In Washington hadden ze nog nooit van De Wever gehoord,” aldus een anonieme bron, “maar Verstrepen heeft tijdens de receptie na de Inauguratie van Palin de Vlaamse kandidaat bij een aantal kersverse Amerikaanse kabinetsleden met zeer veel vuur verdedigd.” Naar verluidt was met name de Amerikaanse ambassadeur in Vlaanderen Donald Rumsfeldt onder de indruk van Verstrepens pleidooi, en Rumsfeldt is in de betrekkelijk onervaren ploeg van de nieuwe president een zwaargewicht.

Voor een kritisch geluid zorgde Kamervoorzitter Filip De Man. “Nu weten we wat Bart De Wever bedoelde met een vette vis. Een postje voor zichzelf.” Een heel ander geluid was te horen op het Rectoraat van de Vlaamse Gravensteenuniversiteit, waar De Wever sinds enige jaren de leerstoel Cyriel Verschaeve bekleedt. “De baan van Secretaris-Generaal van de NAVO zou een geweldige beloning betekenen voor een uitmuntende Vlaming,” liet Rector Geert Bourgeois weten in een kort persbericht. “Hoewel het vertrek van Bart De Wever een aderlating voor onze Faculteit zou zijn, steunen wij de Amerikaanse steun volledig volmondig,” aldus nog de Rector.

Bart De Wever was gisteren voor commentaar onbereikbaar. Volgens partijwoordvoerdster Frieda Brepoels is de toekomstige NAVO-baas eergisteren samen met zijn nieuwe echtgenote Rita Verdonk op huwelijksreis vertrokken naar Diksmuide.

07 september 2008

Hoe Shakespeare ons op de zenuwen werkt

Shakespeares taal wordt al eeuwen door literatoren en filologen geprezen en bestudeerd. Met behulp van technieken uit de neurolinguïstiek hebben wetenschappers nu aangetoond dat Shakespeares taalgebruik ook ons zenuwstelsel niet onberoerd laat.


Words, words, words: Shakespeare gebruikte er in zijn oeuvre ongeveer 17 000, het viervoud van de gemiddelde, geschoolde taalgebruiker. En hij had niet eens een woordenboek. Het eerste Engelse woordenboek, A Table Alphabeticall, samengesteld door Robert Cawdrey (een schoolmeester uiteraard), verscheen in 1604. Shakespeare was toen al bijna klaar met zijn oeuvre: in 1611 ging hij met pensioen en keerde uit Londen terug naar Stratford waar hij in 1616 overleed.

Ander sterk cijfer: Shakespeare gebruikt bijna de helft van al die woorden, een zevenduizendtal, maar één keer in zijn hele oeuvre. Dat heeft iets guls, iets bijna kwistigs. Van die 17000 woorden heeft hij er een 3000 zelf bedacht, of afgeleid van bestaande woorden. In de Oxford English Dictionary is Shakespeare de grootste leverancier van neologismen. Overigens is die taalrijkdom vaak een nachtmerrie voor lexicografen gebleken. Van menig door Shakespeare bedacht woord heeft men de betekenis immers nimmer kunnen achterhalen. (Zie bijvoorbeeld de discussie over “runaway’s eyes” in Romeo and Juliet in een vorige tekst op deze blog.) Andere woorden hebben in de afgelopen eeuwen betekenissen of associaties verloren, of andere betekenissen verworven. Zo betekende “spirit” in Shakespeares tijd onder meer “penis”, en een van de connotaties van “circle” was “vagina”. Dat moet je wel weten als je Mercutio in Romeo and Juliet hoort zeggen: “’Twould anger him / To raise a spirit in his mistress’ circle” (II.1. 23-4). In de openingsscène van Hamlet noemt wachter Bernardo zijn collega’s “rivals” - dat betekent nu alleen nog het tegenovergestelde van wat Bernardo daar bedoelde, namelijk “companions” of “colleagues”. (Het zou geen enkele zin hebben om “rivals” hier met “rivalen” te vertalen.) Die betekenisverschuivingen zijn meestal wel te traceren, ze verschaffen filologen al eeuwen werk.

De waardering voor Shakespeares werk is in niet geringe mate waardering voor deze taalrijkdom, de meerzinnigheid, de creativiteit, de poëzie, de woordspelingen - bibliotheken vol zijn erover geschreven. Maar de laatste tijd hebben wetenschappers die taalrijkdom ook aan de hand van technieken uit de neurolinguïstiek bestudeerd. Dat levert fascinerende experimenten en inzichten op.

Een van Shakespeares stijlkenmerken is wat linguïsten noemen functional shift, of ook wel word class conversion: het proces waarbij een woord of een zinsdeel van functie verandert in een zin, maar wel min of meer dezelfde vorm behoudt. Shakespeare doet dat inderdaad voortdurend. Hij gebruikt een voornaamwoord als een substantief (“the cruellest she alive”), een adjectief als een werkwoord (“to thick my blood”) en vaak ook een substantief als werkwoord (“He childed as I fathered”).

‘Functional shift’ werd tot voor kort beschouwd als een gevolg, een symptoom van hersenbeschadiging. Het werd alleen in dat perspectief bestudeerd. Maar recent heeft bij wetenschappers het idee postgevat dat ‘functional shift’ zich ook kan voordoen bij taalgebruikers zonder hersenschade. ‘Functional shift’ kun je ook beschouwen als een vorm van taalcreativiteit. Het geeft je een idee van de buigzaamheid van een taal en van de vrijheid waarover een (creatieve) taalgebruiker daardoor beschikt, en het geeft ook een idee van de economie van een taal: het vermogen om bepaalde betekenissen zeer compact weer te geven, bijvoorbeeld.

Om deze effecten van ‘functional shift’ in Shakespeares werk te onderzoeken, bedachten twee onderzoekers aan de universiteit van Liverpool, Philip Davis en Victorina Gonzalez-Diaz, volgend experiment.

Proefpersonen krijgen een veertigtal zinnen te lezen, telkens in vier varianten:

(A) De zin in zijn ‘normale’, grammaticaal en semantisch correcte vorm.
(B) Diezelfde zin met de ‘functional shift’ in Shakespeares versie ervan.
(C) Een variant van die zin met een syntactische ‘functional shift’ die in de context van de zin geen betekenis heeft.
(D) Een variant van diezelfde zin zonder grammaticale shift, maar ook zonder betekenis in de context van de zin.

Het voorbeeld van Davis (een regel uit Coriolanus):
(A) This old man loved me above the measure of a father, nay, deified me indeed.

(B) This old man loved me above the measure of a father, nay, godded me indeed. (= Shakespeares versie, met functional shift: een substantief wordt als werkwoord gebruikt.)

(C) This old man loved me above the measure of a father, nay, charcoaled me indeed.

(D) This old man loved me above the measure of a father, nay, poured me indeed.

De proefpersonen werd gevraagd om op een knopje te duwen als de zin die ze te horen kregen hen min of meer betekenisvol leek.

Ondertussen werd hun hersenactiviteit geregistreerd op drie manieren: eerst via een EEG (electro-encefalogram), daarna met een MEG (magneto-encefalogram) en tenslotte met een fMRI (functionele Magnetische Resonantie Beeldvorming).

Telkens wanneer de hersenen een semantische afwijking opmerken, registreert een EEG een zogeheten N400-effect, dat is een negatieve golfmodulatie die zich voordoet 400 milliseconden nadat de hersens de semantische afwijking hebben opgemerkt. De amplitude van de golfmodulatie is klein wanneer de semantische storing klein is, dat wil zeggen, wanneer de hersens weinig moeite hebben om de zin ‘normaal’ te maken. Bijvoorbeeld, als je hersens te horen krijgen: “The pizza was too hot to”, dan weten ze vrijwel onmiddellijk dat ze slechts “eat” hoeven toe te voegen om de zin semantisch in orde te brengen. Maar als er staat: “The pizza was too hot to sing”, dan weten de hersens niet zo meteen wat ze moeten doen, en dan zal de modulatie van de golf groter zijn.

Wanneer de hersens een syntactische stoornis opmerken, registreert een EEG een P600-effect, dat is een positieve golfmodulatie die optreedt 600 milliseconden nadat de hersens de stoornis hebben opgemerkt. Semantische afwijkingen leiden dus tot negatieve golfmodulaties, en syntactische afwijkingen tot positieve. En in beide gevallen geldt: hoe groter de verstoring van wat de hersens als een normale zin beschouwen, hoe groter de modulatie.

Toen de proefpersonen de zin “This old man...” en de drie varianten te horen kregen, deed zich het volgende voor.

Bij het horen van A (“deified”): geen N400- en geen P600-effecten, want een semantisch en syntactisch normale zin.

Bij het horen van B (“godded”): sterk P600-effect, geen N400-effect. De hersens merkten dus wel een grammaticale hindernis op, maar vonden ‘godded’ semantisch geen probleem.

Bij C (“charcoaled”): sterk P600-effect en ook sterk N400-effect. Zowel grammaticaal als semantisch ervoeren de hersens deze versie als problematisch. “Charcoaled” is immers onzin in deze context, terwijl ze uit “godded” meteen wel een zinvolle betekenis konden afleiden.

Bij D (“poured”): geen P600-effect (want syntactisch in orde) maar sterk N400-effect (want semantisch onzin).

Hieruit blijkt, aldus de onderzoekers, dat ‘functional shift’ wel degelijk een zogeheten robust phenomenon is: “it has a distinct and unique effect on the brain.” En dus: “Instinctively Shakespeare was right to use it as one of his dramatic mental tools.” (“Instinctively” verraadt het speculatieve karakter van deze hypothese.)

Het sterke P600-effect en het uitblijven van een N400-effect in Shakespeares versie van de zin, duidt er volgens de Liverpudlians op dat ‘functional shifts’ in Shakespeare semantisch weinig problemen opleveren voor onze hersenen, maar wel een “syntactic re-evaluation process” activeren, en ons dus tot meer aandacht, meer bewustzijn nopen. Simpeler gezegd, onze hersens gaan ervan uit dat de Shakespeariaanse 'functional shift' de zin niet betekenisloos maakt, maar dat we een en ander moeten herschikken, vervangen, om die betekenis te achterhalen. Zo bracht Shakespeare in zijn stukken dramatische spanning teweeg “by implicitly taking advantage of the relative independence - at the neural level - of semantics and syntax in sentence comprehension.”

Experimenten als dit tonen aan dat we met Hamlet en Othello meeleven niet alleen op plotniveau, maar dat Shakespeares taalgebruik ook onze zenuwen beroert. Het bezorgt ons, besluit Davis, “neural excitement never fully exorcised by later conceptualisation.”

Shakespeare lezen is niet alleen literair, historisch, filosofisch interessant, het blijkt nog goed voor je hersens te zijn ook.

(Bron: Philip Davis, “The Shakespeared Brain”, Literary Review, september 2008.)