19 januari 2010

Nutteloze nieuwjaarsbrief

Liefste meter en peter,

Ik weet het wel, gij zijt al keilang dood,
Wat kan mijn aards gewauwel u nog schelen,
Gij vindt het vast en zeker idioot,
Dat ik u nog een nieuwjaarsbrief wil mailen.

(O wist gij maar wat mailen was!
Een mailtje is een brief van glas)

Maar wees niet bang: ik vraag u geen cadeau,
Geen laptop, geen console en geen Wii,
De mens – en ik citeer Jean-Jacques Rousseau –
Kan echt wel leven zonder MP3.

Ik vraag alleen dat gij mij zoudt zien staan,
Hier in Tervuren met mijn rimramrijm,
Het duurt niet lang, hoor mij nu even aan,
Ik zal u niet vervelen met geslijm.

Wat geeft gij om ons roepen en ons smeken,
Daar op uw eeuwig onderduikadres,
Zo ver van ons verdriet en onze stress,
Van kanker en van rommelhypotheken.

Er was een tijd, maar dat is lang geleden,
Dat god ons lijden voor zijn rek’ning nam,
Waar is hij nu, de laffe ombudsman?
De hemel is een spambox vol gebeden.

Al heb ik dan aan uw hiernamaals schijt,
Al hou ik niet van tucht en penitentie,
Er zijn toch dagen dat ik u benijd,
Daar in uw transcendente residentie.

Want hier op aarde gaat het hel’maal mis,
De wereld is in handen van malloten,
Die doen alsof het nergens beter is,
Terwijl toch ied’reen weet: ‘t is naar de kloten.

Neem Vlaanderen, het land van uwe dromen,
Waar God u toesprak in het ABN,
Dat is in angst en welstand omgekomen,
Daar jankt een xenofoob in ieder gen.

Verwekt uit achterdocht en eigenwaan,
Probeert het al wat vreemd is weg te pesten,
Het spreekt geen taal, het brabbelt zelfvoldaan,
Het slikt en spaart en huichelt als de besten.

Ook elders zorgt de mens voor veel ellende,
Hij steelt en liegt, hij sjachert en hij moordt,
Zelfs in dat nette land van Balkenende,
Wordt soms de rust op straat ineens verstoord.

Geloof mij maar, het gaat hier echt niet goed,
Neem vorig jaar – ook dit verzin ik niet –
Toen gingen banken zélf zowaar bankroet,
Het scheelde niks of alles was failliet.

Ik weet niet of gij daar waar gij nu staat,
De gaten in de ozonlaag kunt zien,
Het is te laat, om zeep is ons klimaat,
Wij hebben denk ik nog een jaar of tien.

Ik ben niet oud niet jong maar moe,
Want al dat peinzen, al dat internetten,
En al dat bloggen, zeiken in gazetten,
Wat doet het er in godsnaam toe?

Wat kan een mens die niet wil buigen nu nog doen?
Ach, toch niet wéér een column of een commentaar,
Ik denk dat ik maar eens een staatsgreep pleeg dit jaar.
Dag peter meter lief, een zoen van uw kapoen.

15 december 2009

Een roman is geen restaurant












Het gaat goed met het romandebuut van de jonge Italiaanse schrijver Paulo Giordano (°1982): De eenzaamheid van de priemgetallen kreeg in Italië meteen de meest prestigieuze literatuurprijs van het land, de Premio Strega, en er werden al meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. Ook de Nederlandse vertaling doet het uitstekend: ruim 250 000 exemplaren in elf maanden. Hoe is die bijval te verklaren? Welke maatstaven leggen al die jubelende recensenten aan? Wat zijn hun argumenten? De receptie van deze Italiaanse succesroman in de Nederlandse pers getuigt van een onthutsende eensgezindheid en oppervlakkigheid.



De eenzaamheid van de priemgetallen beschrijft de onmogelijke liefde tussen twee Italiaanse jongeren, het kreupele en anorectische meisje Alice en de autistische, wiskundig uiterst begaafde Mattia. Tussen Alice en Mattia wordt het nooit echt wat, maar toch omcirkelen en doorkruisen hun jonge levens elkaar veertien jaar lang. Alice en Mattia hebben allebei erge dingen meegemaakt, ze hunkeren naar warmte en begrip maar kunnen zich nooit echt hechten, niet aan de wereld, niet aan anderen, niet aan elkaar. Vandaar de titel: “Priemgetallen zijn alleen deelbaar door 1 en door zichzelf. Ze staan op hun plaats in de oneindige rij natuurlijke getallen, zoals allemaal tussen twee ingeklemd, maar verder uit elkaar dan de andere. Het zijn argwanende, eenzame getallen (...).”

Giordano vertelt het verhaal van Alice en Mattia tussen 1983 en 2007, in zeven chronologisch geordende episoden die het boek een eenvoudige structuur verlenen. Ook de stijl waar het boek zo om wordt geprezen, is van een grote, soms naar monotonie neigende eenvoud. Giordano mag graag afgevijlde zinnetjes stapelen: “Ze had zich geen pijn gedaan. Ze moest niet huilen. Ze kon niet nadenken over wat er zojuist was gebeurd. (...) Ze zou niets opruimen. Ze zou wachten tot haar schoonouders kwamen en haar zo aantroffen. Ze zou hun vertellen hoe Fabio zich had gedragen.” Ook het uiterst empatische vertelperspectief draagt er toe bij dat dit boek ‘lekker wegleest’. Bovendien focust de verteller nadrukkelijk op het wedervaren en de zieleroerselen van Alice en Mattia, waardoor de meeste andere personages weinig reliëf krijgen en de lezer zich dus niet al te zeer op nevenintriges of tegenstemmen hoeft te concentreren. Een easy read.

De Nederlandse vertaling is in januari 2009 verschenen bij Cargo, een imprint van De Bezige Bij. De lof spat van het kaft af: “Een van de belangrijkste boeken van het jaar. Een hartverscheurende vertelling,” krijt esta (een glossy met als motto: ‘Elke twee weken serieus leuk.’). “Een hartverscheurend mooi boek” echoot Veronica Magazine. “Prachtig geschreven en aangrijpend vanaf de eerste bladzijde,” juicht Libelle. “Ontzettend mooi en overtuigend geschreven,” aldus de Nederlandse gratiskrant Spits.

Esta, Veronica Magazine, Libelle: niet meteen gezaghebbende bladen als het over literatuurkritiek gaat, maar ook minder fluttige media hadden voor Giordano’s boek veel waardering. “De jubel in Italië” is “volkomen terecht,” schreef Het Parool, “wie op zo’n jeugdige leeftijd al zo’n rijpe, levenswijze en beheerst geschreven roman schrijft, is een uitzonderlijk talent.” “Ontroerende debuutroman met een volmaakt beheerste schrijfstijl,” luidde het in Trouw. NRC Handelsblad loofde Giordano’s “literaire talent, dat berust op zijn ingehouden tederheid en op de poëzie van zijn rake metaforen.” Weliswaar af en toe “sentimenteel” maar toch een “goed boek”, vond de kwaliteitskrant. Het minst onder de indruk was de Volkskrant, die de schrijver “onbeholpen perspectiefwisselingen”, een “af en toe hinderlijk clichématige stijl en een stuk of wat onhandigheden” aanwreef. “Een verre van gaaf boek” heette het. Niettemin kreeg ook deze recensent van het slot “een droge mond en vochtige ogen.” In Vlaanderen noemde De Morgen dit boek “een triomf.” De Standaard nam gewoon de jubelrecensie uit Het Parool over. Knack heeft dit boek niet gerecenseerd, in Humo verscheen een beknopte samenvatting.

Uit dit overzichtje blijkt dat vrijwel alle recensenten De eenzaamheid van de priemgetallen loven om dezelfde twee redenen: het boek is ontroerend en het is mooi geschreven. Dat zijn geen onbelangrijke maar wel erg vage en subjectieve criteria. Wat is dat, mooi schrijven? “Zijn vrouw was uit het leven aan het verdwijnen als een vochtkring uit een trui”: is dit mooi schrijven? “De meubels die de avond daarvoor nog een ziel leken te hebben (...) waren nu niets meer dan haar slaapkamermeubels, geurloos als haar lauwe berusting.” Jawel: geurloos als haar lauwe berusting. Of nog: “Hij wilde ontdekken of dat storende stolsel van verlangen dat in zijn hoofd zat echt als boter zou smelten als hij zijn klasgenoot, op wie hij verliefd was, gewoon zou aanraken.” Smaken verschillen, maar laten we een beetje ernstig blijven.

Bovendien: wat is in dit geval het aandeel van de vertalers (Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd) in die - betwistbare - schoonheid? Daar stond geen enkele recensent bij stil. En waarom zou een roman “gaaf” moeten zijn? Waarom is gaafheid een literaire kwaliteit? Is Macbeth gaaf? Bouvard et Pécuchet? Moby-Dick? En waar ligt de grens tussen hartverscheurend en sentimenteel? En waarom zou een roman “levenswijs” moeten zijn? Is Voyage au bout de la nuit levenswijs? Ulysses? Beckett?

Of je nu Veronica Magzine leest of NRC Handelsblad, de ondoordachte normen die literatuurcritici in de commerciële media hanteren zijn grosso modo overal dezelfde: psychologisch en vaag esthetisch. Als een boek maar “mooi” geschreven is en als je er “een droge mond en vochtige ogen” van krijgt, dan is het goed. Dit is culinaire literatuurkritiek: je somt op wat je hebt gegeten en je zegt wat je lekker vond en wat niet. Klaar. Maar een roman is geen restaurant.

Me dunkt dat literatuurkritiek toch interessantere en complexere kwesties aan de orde kan stellen, zelfs binnen de krappe ruimte die de commerciële cultuurjournalistiek haar vergunt. De eenzaamheid van de priemgetallen speelt zich af in Italië tussen 1983 en 2007. Maar wat zegt het boek ons over dat land in die tijd? Niets. Geschiedenis, politiek, globalisering, cultuurkritiek: geen spoor. De roman baadt in een wereldvreemdheid die misschien wel typerend is voor eenzelvige, verliefde tieners, maar levert dit ook interessante, relevante literatuur op? Kennelijk kreeg geen enkele recensent tijdens het lezen van dit boek last van de benauwdheid die mij gaandeweg beving. Zelfs de kritiek van de Volkskrantrecensent bleef beperkt tot formele, technische tekortkomingen van het boek, en stelde niet de veel urgentere vraag: Waar is de wereld in dit boek? Kon dit boek niet net zo goed in de jaren vijftig of zestig spelen? Wat is het belang van de historische markeringen - de zeven episodes spelen zich af in 1983, 1984, 1991, 1995, 1998, 2003 en 2007 - als er in het verhaal van die historische inbedding niets te merken valt? Waarom is de huishoudster van Alices vader - een welgestelde advocaat - een Ecuadoriaanse als dit gegeven er in de rest van de roman helemaal niet toe doet? Nergens slaagt deze roman erin een zinvol, verhelderend verband te leggen tussen de sombere binnenwereld van twee tobbende adolescenten en de grote buitenwereld.



Moet dat dan? Moet een roman altijd cultuurkritiek zijn, zich met geschiedenis en politiek bemoeien? Is dit geen erg beperkende visie, die de betekenis van literatuur reduceert tot wat documentairemakers of, godbetert, journalisten doen? Natuurlijk moét een roman of een schrijver niets, maar dat neemt niet weg dat sommige boeken, oeuvres, schrijvers relevanter zijn dan andere. Relevante literatuur verhoudt zich altijd op de een of andere manier tot de geschiedenis, tot een context. Relevante literatuur is éérst eigentijds en daarna misschien tijdloos. Dit betekent helemaal niet dat een relevante roman geen schoonheid of ontroering kan bevatten. Maar in literatuur die ertoe doet zijn ook schoonheid en ontroering geworteld in iets méér dan simpele psychologische herkenbaarheid. Ook schoonheid en ontroering moet je bevechten, bedingen, aan de wereld ontfutselen. Dat is het verschil tussen schrijvers als David Grossman en Orhan Pamuk enerzijds, en bellettristen als Giordano anderzijds. Het oeuvre van de eerste twee hangt met klodden vast aan een tijd, een cultuur, een context, terwijl je in een roman als De eenzaamheid van de priemgetallen niet eens de vingerafdrukken van een buitenwereld aantreft. Daardoor neigt deze Italiaanse succesroman minder naar kunst dan naar edelkitsch: hij creëert, in het beste geval, schoonheid in het historisch luchtledige. Lippizanerkunst. In vergelijking hiermee is bijvoorbeeld De vliegeraar een veel interessanter boek. Daarin werd een bijwijlen ook hartverscheurend en zelfs sentimenteel verhaal wél afgezet tegen het canvas van de recente geschiedenis, wat op een andere manier ook geldt voor Het huis van de moskee. Of neem een best wel intimistische novelle als Ian McEwans On Chesil Beach. Daarin voel je op iedere pagina hoe de benauwende tijdgeest van de jaren vijftig in Engeland doordringt tot in elke porie van de seksueel gestremde hoofdpersonages. Commercieel succesvol én relevant: het kan.

Natuurlijk bestaan er ook romans die zich lijken te hebben losgezongen van alle herkenbare, cultuurhistorische referenties en die er toch toe doen. Ik denk aan J.M. Coetzee en José Saramago bijvoorbeeld, twee recente Nobelprijswinnaars die in hun werk vaak slechts op een zeer indirecte manier verwijzen naar een historische werkelijkheid. Maar in romans als Waiting for the Barbarians en De stad der blinden bezit het verhaal een duidelijk allegorisch karakter, wat de lezer uitnodigt en uitdaagt om zelf een brug te slaan tussen de romaneske wereld en de grote wereld daarbuiten. In De eenzaamheid van de priemgetallen is er van een dergelijke allegorische dimensie geen sprake. Deze roman kiest radicaal voor de binnenkant: gemijmer, getob, gehunker - gevat in een eenvoudige en vereenvoudigende taal.

Eenvoud, herkenbaarheid, directe ontroering: daarop drijft deze roman, en dat zijn wellicht ook de ingrediënten die het massale succes van dit boek verklaren. Natuurlijk staat het iedereen vrij om op deze manier aan literatuur te doen en om van dit soort literatuur te genieten. Maar de vanzelfsprekendheid waarmee de literatuurkritiek - van pulpblaadjes tot kwaliteitskranten - zich van dezelfde oppervlakkige en eenzijdige normen bedient, is bepaald zorgwekkend. Relevante literatuur is iets anders dan vacuümverpakte bellettrie.

(Een ingekorte versie van dit stuk staat deze week in Knack.)

04 november 2009

Over politiek

“Sommige mensen geloven dat we het klassenconflict allang achter ons hebben gelaten,” zei politologe Chantal Mouffe onlangs in Knack, “maar er bestaat nog altijd een grote kloof tussen mensen die weinig hebben en mensen die veel hebben. (...) Ik zie geen enkele reden waarom die kloof politiek niet langer relevant zou zijn. En dat is de kloof tussen links en rechts.”

Een heldere, intellectueel aantrekkelijke gedachte, maar bij nader inzien vond ik ze toch onbevredigend. De stelling ontkent immers precies datgene wat ze zou moeten verklaren, namelijk dat die maar al te reële ‘kloof tussen mensen die weinig hebben en mensen die veel hebben’ inderdaad niet meer politiek relevant blijkt te zijn. Je kunt als politieke filosofe wel vinden dat het anders hoort, in de politieke praktijk stel je vast dat die kloof zich allang niet meer vertaalt in partijpolitieke allianties. Het is niet zo dat alle arme mensen SP.A stemmen en alle rijke stinkerds Open VLD. Er zullen vast meer miljonairs op blauwe recepties rondlopen dan op groene, maar het partijpolitieke landschap is geen eenduidige weerspiegeling van de sociaal-economische verhoudingen en tegenstellingen in de maatschappij. Mede door dit gebrek aan eenduidigheid in de relatie tussen economische werkelijkheid en politieke vertegenwoordiging is het onderscheid tussen ‘links’ en ‘rechts’ zo problematisch. Partijen kunnen in sommige opzichten standpunten innemen die als ‘links’ worden beschouwd, terwijl ze op andere vlakken veeleer ‘rechtse’ belangen of ideeën verdedigen. Partijen zijn hybriden, clusters van belangen en overtuigingen, niet de dragers van een scherp omlijnd, eenduidig en coherent wereldbeeld.

Iets daarvan blijkt zelfs uit de idiote naamsveranderingen die sommige partijen de afgelopen jaren ondergingen: de “A” in SP.A is in principe inhoudsloos, het “Open” in Open VLD is niet minder zinledig, al was het maar omdat er geen “gesloten” VLD bestaat. Toevoegingen als “A” en “Open” zijn passe partout-kwalificaties zonder enige substantiële betekenis. Zij zijn symptomatisch voor het proces van ideologische vergruizing dat alle niet-extremistische partijen kenmerkt, en dat ervoor zorgt dat fundamentele maatschappelijke belangentegenstellingen zich niet langer uiten in partijpolitieke tegenstellingen. Er is een duidelijke ontwikkeling waarneembaar van ideologisch geprofileerde naar generieke partijen. De kloof tussen arm en rijk is maatschappelijk gesproken natuurlijk nog steeds pijnlijk relevant, maar ze is niet langer vertaalbaar in partijpolitieke verhoudingen. De neoliberale list bestaat er precies in maatschappelijke conflicten te ontzenuwen, te smoren en politiek irrelevant te maken.

Een vergelijkbare evolutie zie je ook in de pers: kranten zijn alleen nog elkaars commerciële concurrenten en geen levensbeschouwelijke rivalen meer, wat mede verklaart waarom journalisten veel probleemlozer dan vroeger heen en weer bewegen tussen zogenaamd rivaliserende media. De enige logica die een journalist nog geacht wordt te onderschrijven is de bedrijfslogica. Zijn wereldbeeld is van secundair belang - tenzij hij in zijn berichtgeving een of ander extreem anarchistisch, libertair of autoritair gedachtegoed zou propageren natuurlijk. Zelfs op opiniepagina’s, toch het hart en misschien ook wel de ultieme bestaansgrond van een kwaliteitskrant, is het meestal gezellig keuvelen. Zelden lees je er een fundamentele tegenstem die het niveau van de badinerende polemiek overstijgt.

Chantal Mouffe pleitte in dat interview niet alleen voor meer conflict in de democratie, ze brak ook een lans voor meer passie in de politiek. Wij denken dat we “alle problemen op een strikt rationele manier” kunnen oplossen, zei ze, dat we altijd wel een consensus vinden als we “met z’n allen aan tafel gaan zitten als gelijke en rationele burgers (...). Maar “zo werkt politiek niet. Politiek heeft ook te maken met emoties.” Als voorbeeld van een emotioneel geladen conflict verwees Mouffe naar abortus: “Een katholiek kan ervan overtuigd zijn dat abortus een misdaad is. Een ongelovige kan ervan overtuigd zijn dat elke vrouw het recht heeft om voor abortus te kiezen. Dat conflict kan onmogelijk op een rationele wijze worden beslecht, een consensus is hier uitgesloten.” Een bizarre gedachte. Abortus is in dit land verplicht noch verboden. Katholieken kunnen het dus rustig een misdaad blijven vinden, ongelovigen niet. De wet verhindert dat de ene groep zijn opvattingen aan de andere opdringt, wat het geval was zolang abortus helemaal illegaal was. Is dit nu niet net een schoolvoorbeeld van hoe je emotioneel geladen conflicten juist wél rationeel kunt en moet oplossen? Consensus is pas mogelijk wanneer je emotie zoveel mogelijk uit de politieke discussie bant. Politiek met passie vermengd: is daar al ooit iets goeds uit voortgekomen? De kerkhoven liggen vol met de gevolgen ervan. Als de ideologieën geen antwoorden en geen oplossingen meer bieden voor de uitermate complexe problemen van een snel globaliserende wereld, dan zullen emotie en passie daar al helemaal niet in slagen. Ik huiver een beetje voor Mouffes romantische benadering van politiek.

Politiek bedreven door briljante, nuchtere geesten en gebaseerd op wetenschappelijk gefundeerd denken, rationele analyse, eruditie en expertise: dat zou een verademing zijn.

10 september 2009

Hitler in Hoboken



Hitlerbashen: altijd lekker. Gezellig gevoel van eensgezindheid. Wij tegen het Kwaad. Hitler brengt de mensen dichter bij elkaar, wat je van hoofddoeken en de standaardtaal niet kunt zeggen. Over Hitler hoeven wij niet te discussiëren. Duivel met snor, punt. Niets of niemand zal onze knusse verontwaardiging verstoren. Wij hebben zelfs wetten die mensen verbieden te ijlen. (Hadden we maar méér van die wetten.) Komt daar een zogenaamd zelfstandige onthaalmoeder uit Hoboken vertellen dat ze Dolfs ideeën “goed” vindt. “Fenomenaal” zelfs. Het kieken.

Kreeg de hele pers over zich heen. Meteen verstoten uit het Vlaams Belang, dat beweerde mensen met zulke opvattingen niet te dulden. Alsof de zee zou zeggen: water? Nooit van gehoord. Zelfs Jo Van Deurzen werd kwaad. Binnen de 24 uur haar licentie kwijt. Wij opgelucht. Tijd voor belangrijker kwesties. Wie volgt Frank Vercauteren op ? Haalt Clijsters de finale?

Ten faveure van het kieken:
er zal toch een man voor je deur staan die zegt dat hij een kinderdagverblijf zoekt voor zijn dochter, en die later een reporter blijkt te zijn. Filmt stiekem je lelijke woonkamer, neemt je achterlijke praatjes op en toont dat de volgende dag allemaal op de televisie aan de bevolking. Je bent belazerd, in een val gelokt, in een hinderlaag gelopen. Zo zien wij dat niet natuurlijk. Wij noemen dit undercoverjournalistiek. Niet netjes, maar soms onvermijdelijk.

Mag alleen, zei de Raad voor de Journalistiek twee jaar geleden, als “de informatie, die de journalist op die manier hoopt te verkrijgen, een grote maatschappelijke relevantie heeft, zoals het geval is bij ernstige misstanden of schending van mensenrechten.” (Er zijn nog drie andere voorwaarden.)

Toonde de reportage “ernstige misstanden of schending van mensenrechten” aan? No way. Uit niets bleek dat de bruine ideeën van het kieken haar werk als onthaalmoeder beïnvloeden. Er was geen kind te bespeuren, de vrouw werd niet in haar beroepsbezigheden gefilmd, er werden geen ouders geïnterviewd, geen buren, geen andere getuigen. Hier zat gewoon een tamelijk domme vrouw in gruwelijk Antwerps abjecte ideeën te verkondigen. Dit was een tooggesprek zoals je dat in vele cafés in Vlaanderen iedere avond kunt horen.

Aantonen dat een onthaalmoeder kindjes verzorgt volgens de principes van het nazisme: dat had de reportage moeten doen, en dat zou de undercovermethode ruimschoots hebben verantwoord. Maar daar is de reportage niet in geslaagd. Dus kun je je de vraag stellen: was deze journalistieke camouflage wel geoorloofd?

Ach, een zeurkous die daar om maalt. De reportage raakte twee blote zenuwen in de cultuur: Hitler (het absolute kwaad) en kindjes (de absolute onschuld). Zodra die twee met elkaar verbonden raken in een suggestief verhaal, verdampt elke zin voor nuance en zorgvuldig denken. Collectieve verontwaardiging smoort elke kritische interpellatie. Gin gezaaik zou het kieken in Hoboken zeggen. De duivel is uitgedreven. De licentie afgenomen. Het reglement van Kind en Gezin is aangepast: voortaan zijn nazistische symbolen in de crècheruimte expliciet verboden. Alleen een poster van Stalin mag nog, een foto van Pol Potje of een buste van Leopold II op de commode - helemaal top.

De wereld is weer helder. Hitler heeft ons andermaal even verenigd. Gereinigd en opgelucht kijken wij nu met zijn allen uit naar wat onze meiskes zullen doen in de halve finales van de US Open. En de media, zij ijlden grinnikend voort, op zoek naar de volgende scoop.

02 september 2009

Onze kindjes

Daar gaan ze weer, met hun nieuwe boekentasjes en hun nieuwe jassen, bedremmeld en zenuwachtig, duimend en pruilend de nieuwe klas in. Het voorspelbare journaal van 1 september: een schoolpoort, krijsende ukjes, weeë moeders, een juf gloeiend van goede bedoelingen, een directeur zal iets zeggen over geldgebrek en een minister zal hem vriendelijk tegenspreken. Onze kindjes. Onze kleine heiligen. Gepantserd door liefde en zorg, weerloos en soeverein.

Kijkend naar al die analfabete honneponnetjes in hun vers geschilderde lokalen, denk ik: wie van hen komt straks als eerste in de gevangenis? Wie op deze bankjes wordt inbreker, oplichter, psychopaat, pedofiel, bankier?

Want bij al het kleffe eersteschooldaggezemel - hoe schattig! - en alle benevelende sentimentaliteit die kindjes nu eenmaal oproepen, mogen wij toch deze harde waarheid niet vergeten: ook de moordenaars van morgen zitten nu in de kleuterklas. Het snoezige jongetje dat u zo roert terwijl hij voor camera en microfoon over zijn eerste schooldag vertelt, zal op een dag misschien uw huis in brand steken, uw juwelen stelen, uw dochter verkrachten in een ondergronds toilet. In zeeën van onschuld drijft het tuig van de toekomst.

Kinderen lijken van nature immers geen moreel hoogstaande wezens. Het tegendeel is aannemelijker. Kindjes zijn ongelooflijk egocentrische ettertjes, narcistische bonzaimensjes die heel lang niets kunnen, niets weten en idiote taalfouten maken. Hun zwakte is hun grootste wapen. Listige rotzakjes zijn het. L’enfant n’est méchant que parce qu’il est faible beweerde Jean-Jacques Rousseau, die een prachtig boek schreef over opvoedkunde en zijn eigen vijf koters te vondeling legde - wat een heerlijke intellectueel. Kindjes zijn ongemanierde despootjes. Melk nu! Dat sproeit en boert en kakt maar in het rond, who cares, ouderliefde veegt alles op. Hun eerste huilbuien zijn als gebeden, aldus Rousseau, maar wee de ouder die ze niet verhoort: si l’on n’y prend garde, ils deviennent bientôt des ordres; ils commencent par se faire assister, ils finissent par se faire servir. Zo is het maar net.

Elke misdadiger is een mislukte opvoeding. Hier en daar valt er wel eens iets uit een vrouw dat zelfs in het paradijs zou stelen en brandstichten, maar als de meeste mensen géén crapuul worden, dan is dat dankzij het onderwijs - ook wel een beetje dankzij ouders, vrienden en genen natuurlijk. Maar de school is de belangrijkste, noodzakelijkste disciplineringsmachine in elke beschaving. Ik weet niet hoeveel toekomstige moordenaars er per jaar afstuderen aan onze athenea en onze colleges, maar zonder scholen zou het in onze norren nog een stuk drukker zijn.

Laten we dus het grootst mogelijke respect hebben voor wie zich beroepsmatig over de kleinste mensen ontfermt. Het personeel in crèches, in kleuterklassen, in de eerste jaren van het lager onderwijs: zij zijn de belangrijkste wachters van de beschaving. Zij leren ons mores in de betere zin van het woord: zeden. Zij schaven ons tot wezens waarmee toch min of meer te leven valt. Zonder onderwijzend personeel eindigden wij allemaal als brabbelende honden in kennels.

Dat onderwijs belangrijk is wisten de oude Grieken al. “Niemand bedrijft vrijwillig het kwade,” luidt een beroemde zin van Socrates. Een misdadiger is een slecht geïnformeerde mens, iemand die niet heeft geleerd het goede van het kwade te onderscheiden. En dat onderscheid leer je, als je tenminste een beetje aanleg hebt voor mens zijn, op school. Die Grieken hadden niet altijd gelijk, maar soms wel.

In een humane cultuur zouden de onderwijzende en de zorgende mens het grootste aanzien genieten. De juf in de kleuterklas, de verpleger die zijn nachten doorwaakt bij zieken en stervenden: zij zouden in een echte beschaving de morele elite zijn. Zij zouden er het drievoud verdienen van een ingenieur, een informaticus, een voetballer. Straten, pleinen en studiebeurzen zouden hun naam dragen. Zij zouden vooraan zitten bij premières. Politici, rechters, generaals, journalisten, bisschoppen, filmsterren, schlagerzangers: zij zouden knielen in hun schaduw.


Gie Van den Berghe stuurde een relevante reactie op bovenstaand stukje. Blijkbaar is zijn tekst te lang om binnen het format van deze blog als 'reactie' te worden 'afgedrukt'. Omdat zijn tekst interessant is, en zinvolle correcties voorstelt bij sommige zaken die ik in "Onze kindjes" nogal eenzijdig beklemtoon, neem ik zijn tekst hieronder op, als een substantiële (tegen)voetnoot zeg maar.

Ont-voeding

De school als disciplineringsmachine voor de moreel laagstaande wezens die kinderen van nature zijn. Geen reine onschuld, maar tuig van de toekomst. Zonder scholen zouden onze gevangenissen nog voller zitten! Dus laten we het grootst mogelijke respect opbrengen voor het personeel in crèches, kleuterklassen en in de eerste jaren van het lager onderwijs. Zij zijn de “belangrijkste wachters van de beschaving”. Zij brengen ons zeden bij die van ons wezens maken “waarmee toch min of meer te leven valt”. Bijvoorbeeld, bedenk ik meteen, een meerderheid van gedweeë consumenten en een minderheid van tegen de lamp lopende bankiers, rechters, commissarissen en politici.

In een humane cultuur, besluit Frank Albers, zou de onderwijzende en de zorgende mens het grootste aanzien moeten genieten. In “een echte beschaving” zouden zij “de morele elite zijn”, meer geëerd en beter betaald dan “ingenieurs, beroemde voetballers, politici, rechters, generaals, bisschoppen of filmsterren”. Akkoord, maar voeg daar ook de opvoeders en begeleiders aan toe van mensen met een zware mentale handicap, de verzorgsters van bejaarden en dementen, poetsvrouwen en al wie een vuil, gevaarlijk of een voor zijn/haar gezondheid schadelijk beroep uitoefent.

Maar uitgerekend de zo door Frank Albers geroemde disciplineringfunctie van de school, het leren handelen en denken volgens waarden, normen en idealen eigen aan de maatschappij, houdt ook in dat mensen die voor de ondankbaarste en smerigste klussen opdraaien ondergewaardeerd en onderbetaald worden, én dat wij dat met zijn allen doodnormaal blijven vinden.

De school als disciplineringmachine. Niet zo lang geleden zouden velen dit opgevat hebben als een kritische, afkeurende uitspraak. Maar hier en nu wordt hij, mede door de opgefokte media-aandacht voor jongerengeweld, blijkbaar als iets positiefs ervaren. Albers prijst de school als “de belangrijkste, noodzakelijkste disciplineringmachine in elke beschaving”. Waarbij wie nog niet helemaal ‘gedisciplineerd’ is zich spontaan afvraagt of beschavingen zonder school dan geen beschavingen waren of zijn.

Als de socialisering (alias disciplinering) van jonge mensen vooral de taak is van scholen, dan is het triestig gesteld met maatschappij en school. Zeker, scholen spelen een rol in het socialisatieproces, door disciplinering én interactie met leeftijdsgenoten, leren samenleven. Maar daarnaast heb je natuurlijk het gezin als bakermat van vanzelfsprekende waarden en normen; de peergroups waarin jongeren eigen en andermans grenzen aftasten, jeugdverenigingen en, last but not least, het al dan niet voorbeeldig gedrag van volwassenen; tal van maatschappelijke invloeden dus. Als kind en jongere ben je op al die vlakken discipel (leerling), wordt je door je omgeving - als het goed is - discipline (lering) bijgebracht, word je uiteindelijk je eigen meester. Als disciplinering, socialisering alleen of voornamelijk op scholen gebeurt, en nog wel op machinale wijze, dan is er iets mis met onze maatschappij.

Om scholen als panacee tegen criminaliteit voor te stellen haalt Albers er het morele optimisme van Socrates bij. Wie het goede kent, doet het. Misdadigers zijn gewoon slecht geïnformeerde mensen, ze hebben niet geleerd het goede van het kwade te onderscheiden. Dat is een wel zeer idealistische en benepen visie van moraal. Alsof goed en kwaad voor eens en altijd vastliggen, universeel en onveranderlijk zijn. Alsof wat in de ene situatie of context een kwaad is, in een andere geen goed kan zijn. Wie een mens op eigen houtje doodt is een moordenaar, wie in oorlogstijd op bevel doodt is een held, vervult zijn (schoolse) plicht. Of denk aan abortus, desnoods om het leven van de moeder te redden. Bovendien doen veel misdadigers wetens willens kwaad omdat het voor hen (een) goed is, veel profijt kan opleveren. Anderen doen kwaad omdat ze ervan overtuigd zijn dat het (op een hoger vlak) een goed is (sterilisatie van geesteszieken, uitroeien van ‘minderwaardige’ rassen die het hogere ras heten te bedreigen).

Scholen stomen klaar voor de maatschappij. Je leert er hoe in het gareel lopen om voor normaal door te gaan, succes te boeken. Hoe zo probleemloos mogelijk meedraaien in de maatschappij en haar tegelijk in stand houden. De school leert dus doorgaans niet hoe die maatschappij in vraag te stellen, laat staan ertegen te protesteren of tegen in te gaan. En zo zijn scholen inderdaad de behoedsters van de maatschappij. Er wordt, ook omdat veel leerkrachten in het gareel (moeten) lopen, veel te weinig aan maatschappijkritiek, aan ont-voeding gedaan.

Gie van den Berghe

04 augustus 2009

Woodstock, veertig jaar later













Het Amerikaanse dorpje Woodstock -150km ten noorden van New York City - teert nog steeds op de herinnering aan het legendarische muziekfestival dat daar in augustus 1969 had moeten plaatsvinden. Bericht uit het Sint-Martens-Latem van de Amerikaanse tegencultuur.


“Ik ben hier twintig jaar geleden aangekomen,” zegt Ricochet, een slonzig oud mannetje dat in het centrum van Woodstock op een klapstoeltje zit te genieten van de zon. In zijn lange baard zitten paarse verfvlekken. Ricochet kwam dus twintig jaar te laat voor het legendarische muziekfestival waar dit pittoreske dorpje honderdvijftig kilometer ten noorden van New York zijn mythische reputatie aan te danken heeft. Maar hij praat erover alsof hij het zelf heeft bedacht. “Woodstock wilde een ecotopia realiseren. Het was a grand experiment in social engineering. De tegencultuur die hier een gezicht kreeg was de grootste bedreiging die de Amerikaanse regering in de jaren zestig heeft gekend. De overheid zat met een ei. Gouverneur Rockefeller van de staat New York heeft tijdens het festival overwogen om Woodstock te laten uitroepen tot nationaal rampgebied. Hij wilde helikopters sturen en het festivalterrein laten ontruimen door het leger! Hij heeft het uiteindelijk niet gedaan omdat hij vreesde dat de pleuris zou uitbreken.” Mijmerend: “Maar wat zou er zijn gebeurd als het niet zo had geregend? Als de mensen waren gebleven? Woodstock had het einde kunnen betekenen van government as we know it.”

Woodstock wordt nog steeds gezien als het Mekka van de Amerikaanse tegencultuur uit de jaren zestig, maar eigenlijk verdient het dorp die faam niet. Toen de drieduizend inwoners in de lente van 1969 vernamen dat een paar jonge gasten in hun gemeente een muziekfestival wilden organiseren voor tweehonderdduizend mensen, ging de meerderheid dwarsliggen. Tweehonderdduizend! The Beatles hadden in 1966 in het Shea Stadium voor zowat vijfenvijftigduizend mensen gespeeld, een absoluut record. Maar tweehonderdduizend, nee, dat was onvoorstelbaar, bedreigend ook.

“Michael Lang, drijvende kracht achter het festival, kreeg van de gemeentesecretaris te horen dat hij hier niet welkom was,” vertelt Ricochet. “Lang had al grote groepen gecontracteerd, Creedence Clearwater Revival, Jefferson Airplane, Canned Heat. Ook de datum lag al vast: 15, 16 en 17 augustus. Nu moest er inderhaast een andere plek worden gevonden. Uiteindelijk zijn ze in Bethel terechtgekomen, honderdvijftig kilometer hiervandaan. Daar heeft Lang toen een melkboer ontmoet, Max Yasgur, die bereid was om het festival op zijn grond te laten doorgaan. Yasgur is de ware held van Woodstock,” zegt Ricochet, “zonder hem was er nooit een festival geweest.”


Al vond Woodstock dus niet in Woodstock plaats, Lang besloot de naam die hij voor het festival had bedacht toch te behouden: "An Aquarian Exposition: The Woodstock Music and Art Fair.” Daar mag het dorp hem tot vandaag dankbaar voor zijn. Uit de toeristische winkeltjes in Tinker Street, de hoofdstraat waar ik met Ricochet te praten zit, puilt nostalgie. Nergens ter wereld vind je anno 2009 zoveel kartonnen Bob Dylans, kitcherige portretten van Jimi Hendrix, psychedelisch gekleurde t-shirts, lieve handdoeken met vredeswensen. “Hippies Always Welcome” lees ik op een bordje in een winkelraam. Elders: "Hippie Parking Only. All Others Will Be Stoned.” Op het pleintje downtown Woodstock staat op een houten paal in honderd talen: “May Peace Prevail on Earth.” De totem van de tegencultuur. Het hele dorp teert op de herinnering aan een festival dat hier nooit heeft plaatsgehad.













Het reünieconcert ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van Woodstock heeft Ricochet wel van nabij meegemaakt. “In augustus 1989 hingen we met een stel locals rond op het oorspronkelijke terrein in Bethel. Daar was niks gepland. Wel in het nabijgelegen Brown Hotel. Richie Havens, die in 1969 het festival had geopend, zou daar optreden. En het radiostation CBSFM had een 20th anniversary special aangekondigd. Dat bracht me op een idee. Laten we toch gewoon zélf iets organiseren, zei ik. We begonnen onze tenten op te zetten en verspreidden het gerucht that something was going on on the field. Binnen de kortste keren daagde er een honderdtal auto’s op. Nieuwsgierigen. We wilden dat Richie Havens op de wei zou spelen, niet in dat hotel. Ik ben hem daar persoonlijk gaan weghalen. Toen het bericht eenmaal rondging dat Richie Havens opnieuw op de wei zou spelen, ontstond er een kleine volksverhuizing. Vijfentwintigduizend mensen hebben uiteindelijk een totaal geïmproviseerd festival bijgewoond.”

Het is een bekende boutade: wie zich de jaren zestig herinnert, heeft ze niet meegemaakt. Misschien heeft het daarom veertig jaar geduurd voor organisator Michael Lang zijn mémoires kon schrijven. In zijn onlangs verschenen boek The Road to Woodstock doet Lang zeer gedetailleerd verslag van het hele festival, de voorgeschiedenis, het verzet van de overheid en de lokale bevolking, de optredens, de drugs, de financiële kater. Het is een boek zonder literaire pretentie of diepzinnige beschouwingen, maar wel heel informatief en af en toe niet ongeestig. Als de organisatoren op 20 juli 1969 even hun voorbereidingswerken onderbreken om op televisie naar de maanwandeling van Neil Armstrong te kijken, noteert Lang: “The irony! America was putting a man on the moon, and we were just trying to land on earth.” Bij Lang las ik ook dat Woodstock eigenlijk altijd al een beetje een schuilplaats was voor esthetisch gevoelige mensen van stand. Zo bestaat hier al sinds 1903 de Byrdcliffe Arts Colony, een afgelegen broedplek voor muzikanten, schrijvers, schilders. Bob Dylan heeft er in de jaren zestig een tijdlang gewoond, in een huis dat nu toebehoort aan Donald Fagen (Steely Dan). Ook leden van Dylans groep The Band kwamen in Woodstock wonen. Music from Big Pink, hun eerste elpee, is vernoemd naar het huis waar sommige Bandleden toen verbleven. Albert Grossman, Dylans manager, richtte hier de Bearsville Studio op, een van de belangrijkste opnamestudio’s uit de Amerikaanse popgeschiedenis. Het lijstje muzikanten dat hier platen heeft opgenomen is bepaald indrukwekkend: van de Stones tot REM, van Foreigner en Bonnie Raitt tot Patti Smith, Van Morrison, Jeff Buckley en Phish.

Van de levendige kroegscène die hier in de jaren zestig bestond, blijft niet veel over. Naast de nostalgie-industrie vind je in Woodstock vandaag vooral veel immokantoren, dure winkels, kunstgalerieën. Een teken dat hier inmiddels een ander soort volk is neergestreken.

“Klopt,” zegt Chris Basil, een oudere man met wie ik ’s avonds aan de toog van café-restaurant The Landau Grill aan de praat raak. “Vroeger waren hier veel meer cafés, je had The Expresso, The Elephant Café, het Tinker Street Café. Allemaal weg. Fuckin’ gone.” Chris is timmerman van beroep maar zijn passie is muziek. Hij heeft zijn hele leven basgitaar gespeeld. De laatste tijd gaat het lastiger, hij toont me zijn knokige handen, maar sinds een jaar oefent hij weer elke dag. Een local, op zijn vierde met zijn ouders uit Manhattan hier naartoe verhuisd. En ja, hij was erbij veertig jaar geleden.

“Ik was vijftien of zestien. Ik was die zomer gezakt voor iets op school, en van mijn vader mocht ik eerst niet naar dat festival. Te laat, zei ik, ik heb al een ticket. Acht dollar voor drie dagen. Oké, zei mijn vader, je mag gaan maar ik wil dat je iedere avond naar huis komt, je blijft daar niet slapen. De tocht naar de festivalweide was krankzinnig. Duizenden en duizenden mensen over die smalle wegen. Kilometers file. Geen doorkomen aan. Toen ik op het festival aankwam, heb ik mijn vader gebeld. Ik kan onmogelijk thuis komen slapen, zei ik, het is gewoon veel te druk. Goed, zei mijn vader, blijf dan maar. Drie dagen en drie nachten heb ik op de festivalweide gekampeerd. Op maandagochtend, toen de meeste mensen al vertrokken waren, Jimi Hendrix zien spelen voor die modderwei vol troep: dat vergeet je nooit meer.”
Toch vreemd, zeg ik, dat Bob Dylan, die toen in Woodstock woonde, niet aan het festival deelnam. Chris koestert een originele herinnering aan Dylan. Bijna verlegen: “Dylan woonde toen in Byrdcliffe. Ik heb hem nooit persoonlijk ontmoet. Mijn vader wel. Mijn vader had een kapperszaak in Woodstock. Hij raakte bevriend met Dylan omdat Sara, Dylans vrouw, bij hem in de zaak kwam. My father cut Dylan’s wife’s hair. Hij heeft me later een door Dylan gehandtekende elpee gegeven. Daar ben ik nog altijd trots op. Een elpee met de handtekening van Dylan.”
De reünieconcerten heeft hij niet bijgewoond. “Ik ben nooit meer teruggegaan naar Bethel. Veel te ver. Dat laatste reünieconcert is trouwens helemaal uit de klauwen gelopen. De bassist van de Red Hot Chilli Peppers kwam toen op wearing nothing but his bass. De mensen werden helemaal gek. Daar zijn toen hele rare dingen gebeurd. The place went fucking nuts. Nee, die concerten hadden niets meer met het oorspronkelijke Woodstock te maken.”

De volgende ochtend heb ik een afspraak met Tamara Cooper. Tamara is programmadirecteur van de Family of Woodstock, een welzijnsorganisatie die uit het festival is voortgekomen. Een klein, eenvoudig pand in een zijstraat van Tinker Street. Langs de wanden van een zijkamertje staan tot aan het plafond plastic dozen gevuld met kleren. Aan het prikbord hangt informatie voor drugverslaafden. Achter een houten balie zijn vrouwen druk in de weer met kratten, formulieren, telefoons. “Na het festival in 1969 zijn een boel mensen in Woodstock blijven hangen,” vertelt Tamara. “De verhouding tussen de festivalbezoekers en de mensen uit het dorp was erg gespannen. Een vrouw wier naam ik ben vergeten is toen gaan bemiddelen. Ze hielp de gestrande hippies in hun conflicten met de politie en de buurtbewoners en ze richtte de Soft Landing Machine op, een hulpgroep voor mensen die bad trips hadden meegemaakt. Uit haar pionierswerk is de Woodstock Family gegroeid. Wij organiseren in het hele Sullivandistrict hulpprogramma’s voor armlastige mensen. Woodstock is de laatste twintig jaar heel duur geworden. Er is een enorme toevloed van welgestelde Newyorkers die hier alles opkopen. Betaalbare huisvesting is een gigantisch probleem. De scholen worden kleiner omdat er steeds minder kinderen zijn. Jongeren trekken weg omdat ze hier geen baan meer vinden. Je kunt in de huizen of de tuinen van rijke weekenders gaan werken, maar dat is seizoensarbeid. De hippies uit de jaren zestig zijn een migrating population geworden. In de winter trekken ze weg, in de zomer leven ze hier in de bossen aan de rand van het dorp, vaak zonder middelen van bestaan. Hier kunnen ze kleren en voedsel krijgen. Wij rekenen daarvoor op de restaurants uit de buurt die ons hun overschotten geven. En we krijgen subsidies van de Food Bank, een hulpdienst van de federale regering. De Family of Woodstock heeft tweehonderd betaalde werknemers in dienst, maar we werken ook met een heleboel vrijwillers. Traditioneel komen de meeste vrijwillers uit de arbeidersklasse. Als die klasse verdwijnt, neemt het aantal vrijwillers snel af. Dat hebben we hier ook gemerkt. Maar de oproep van president Obama om meer vrijwillerswerk te doen heeft een kentering teweeggebracht. De laatste maanden hebben zich voor onze trainingsprogramma’s meer vrijwillers ingeschreven dan ooit tevoren.”
Als je de documentaire over het Woodstockfestival bekijkt, zeg ik, was de hippiecultuur uit de jaren zestig vrijwel uitsluitend blank. En ook vandaag lijkt Woodstock nog sterk op een blank getto. Tamara glimlacht. “De tegencultuur was een blanke cultuur. Altijd geweest. Je hebt hier een beetje Hispanics en een kleine maar groeiende Tibetaanse gemeenschap, maar de overgrote meerderheid is blank en welgesteld, ja. De klassentegenstellingen zijn scherp in Woodstock. Dit is een gemeente van rijken en arme nostalgici. And we serve those who cannot afford to live here anymore.”


Day Yusko is een van de laatste hippies die nog steeds in Woodstock wonen. In een andere zijstraat van Tinker Street drijft hij een bescheiden winkeltje dat geverfde stoffen en ‘the best drums in the world’ verkoopt. Ik vind Day in het kleine achterhuis. Grijs haar, grijze baard. Life is Full of Important Choices verkondigt zijn zwart t-shirt. Hij ontvangt me hartelijk in een smoezelige zitkamer. Op het lage, houten tafeltje ligt een pakje Marlboro, maar de kamer ruikt naar ander rookwaar. Ook Day is ooit uit de East Village in New York hierheen gekomen. Hij was een jong en succesvol zakenman. “But then God touched me,” zegt Day met zachte stem, “and I gave all up to serve the poor.”
“Woodstock is gegroeid uit de Soundouts die hier in 1967 en 1968 plaatsvonden. Soundouts waren kleine, gezellige muziekfestivals, georganiseerd door een fantastische vrouw, Pan Copeland, een activiste die hier in de buurt een boerderij bezat. Er traden lokale bandjes op, mensen brachten hun kinderen en hun tenten mee en kampeerden in de wei. Elke zaterdag was het feest. Daar heeft Michael Lang zijn idee om een groot festival te organiseren vandaan gehaald,” zegt Day.
“Tussen 1965 en 1969 was dit dorp echt van de hippies. Uit de hele wereld kwamen ze hierheen. Alle winkels in Woodstock waren in handen van vierhonderd hippies. We hadden onze eigen boerderij in Phoenicia, hier wat verderop. Overal bloeiden communes. Het Woodstockfestival was de geboortegrond van de tegencultuur. Daar hebben we beseft hoe volslagen vervreemd ons leven tot dan toe was geweest. A complete revelation. De muziek was bijkomstig. Eigenlijk ging het op Woodstock helemaal niet om de muziek. Het ging om ons. Om elkaar, om de camaraderie. Zelfs de weg ernaartoe was een groot feest. Overal zag je die mensen in een roes, dansend en zingend. Het was zo druk onderweg dat ik de laatste vijftien kilometer te voet heb afgelegd. Tijdens het festival drong ineens tot ons door: we’re not an audience, we’re the ACT! We zagen onszelf als de Woodstock nation.” Wat ons daar toen is overkomen... dat was geen festival, dat was een mirakel in de modder.” Day raakt zo opgezweept door zijn herinneringen dat hij ervan gaat rijmen: “The Woodstock notion is a potion: peace, love and music and devotion.”

Vandaag is Day zowat de guru van Woodstock Earth, een coöperatieve vereniging die de erfenis van de Woodstock nation in ere houdt. Hij is ook een van de drijvende krachten achter de Rainbow Family of Living Light (www.welcomehere.org), volgens Day “the biggest non-organization in the world”. Een wat wazige vereniging ter bevordering van de wereldvrede, die jaarlijks een grote bijeenkomst organiseert in een of ander woud in Amerika. Daar trachten de brothers en sisters in zogenaamde drum circles de wereldvrede te bevorderen. Trommelen voor een betere wereld.

“De Rainbow Family is rechtstreeks uit het Woodstockfestival voortgekomen,” zegt Day. “Toen we eenmaal begrepen hadden dat wij onze eigen cultuur vormden, hadden we de muziek niet meer nodig. Tijdens de bijeenkomsten van de Rainbow Family leven we zeven dagen in een bos, zonder rock ’n roll, zonder electriciteit, zonder gsm’s. Het is een zuiver spirituele beweging. In Woodstock zelf kan dat allemaal niet meer. De yupset heeft het dorp ingepalmd. I am pretty much the last standing indian in town.”



Financieel gesproken was Woodstock een gigantische flop. Dat kwam onder meer omdat het hek rond de festivalweide niet op tijd klaar was. Duizenden bezoekers zijn het terrein gratis binnengestroomd. Het hekprobleem is intussen verholpen, merk ik wanneer ik na anderhalf uur autorijden bij de heilige grond in Bethel arriveer. Het hele domein is keurig omheind. Het grasveld is perfect onderhouden. Op het hoogst gelegen deel van de festivalweide is een soort cultureel centrum neergepoot, het Bethel Woods Center for the Arts. De velden eromheen zijn parkeerterreinen geworden, ook allemaal netjes afgepaald. Maar het grootse deel van de festivalweide is niets meer dan een saai, proper grasveld. Het lijkt wel een golfterrein. Het mirakel is in de modder verzwolgen. Bij een poortje in de afrastering staat een bord dat leest als het grafschrift van de tegencultuur die hier ooit heeft gebloeid:

Bethel Woods is a smoke-free environment
No public intoxication
No loud music



(foto's: An Candaele)

31 mei 2009

Sweet Sixteen

Zij wordt zestien en dat mag best een beetje aandacht.
Zij stelde voor: een barbecue voor de veertig beste vrienden.
Geen sprake van, zei ik, niemand heeft veertig vrienden.
Er volgden harde onderhandelingen. Uiteindelijk bleven er van de veertig genodigden veertig over.

Door het raam van mijn zolderkamer zie ik hoe, lichtjaren van mij vandaan, het feestje aanzwelt.
De nauwelijkse topjes, kabouterrokjes, slungelige jongens zonder handen.
Ze brengen zelf hun drank, hun rookwaren, hun vlees mee, zo gaat dat papa.
Het gekir, het gedol, alsof het gras lachgas uitwasemt. Ik weet mij dichter bij mijn urne dan bij mijn tuin.

Zestien word je niet met je ouders, zestien word je met je vrienden.
Dat was altijd al zo.
Maar ik zie het nu van de andere kant.

Gisteren zag ik een meisje van anderhalf.
Dat is zij ook geweest, ooit, nooit, er zijn foto’s, er zijn verhalen, anekdotes, but the body doesn’t remember. Het is zoals pijn. Je weet dat ze er is geweest, dat je ze hebt gehad, maar je kunt ze niet meer oproepen. Ik kan het niet meer navoelen, dat kleine kind, de nabijheid, de vanzelfsprekende liefde.

Dat is het grootste verschil tussen vroeger en het barre nu. Vroeger kon het met liefde alleen. Nu heeft de liefde hulp nodig. Van het verstand. Van het geduld. Van de wetenschap: dit gaat voorbij.
Kinderen razen door je leven, een windhoos die je beste jaren meeneemt, vijftien jaar, twintig jaar, en daarna krabbel je overeind - je komt weer buiten, je kijkt om je heen, en je leven is veranderd in een ghost town.

Zoals wij haar kindertijd zijn vergeten, zo zal zij onze volwassen jaren vergeten zijn. Dit gebarsten nu waarin wij elkaar steeds moeizamer vinden. Nooit zal zij weten wie wij ooit voor haar zijn geweest, wilden zijn. Kinderen en ouders leven niet in dezelfde tijdzone. Je kijkt nooit door één oog, nooit vind je elkaar in hetzelfde geluk, hetzelfde verdriet. Het gruwelijke besef: zij zijn ons vreemd.

Ooit komt ze terug, komt ze los van de spiegel, de dromen tot feiten verdund. En zoals ik te laat heb omgekeken zal zij te laat omkijken, en dan zien.
Maar nooit zal zij weten wie wij vandaag zijn geweest.