15 december 2009

Een roman is geen restaurant












Het gaat goed met het romandebuut van de jonge Italiaanse schrijver Paulo Giordano (°1982): De eenzaamheid van de priemgetallen kreeg in Italië meteen de meest prestigieuze literatuurprijs van het land, de Premio Strega, en er werden al meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. Ook de Nederlandse vertaling doet het uitstekend: ruim 250 000 exemplaren in elf maanden. Hoe is die bijval te verklaren? Welke maatstaven leggen al die jubelende recensenten aan? Wat zijn hun argumenten? De receptie van deze Italiaanse succesroman in de Nederlandse pers getuigt van een onthutsende eensgezindheid en oppervlakkigheid.



De eenzaamheid van de priemgetallen beschrijft de onmogelijke liefde tussen twee Italiaanse jongeren, het kreupele en anorectische meisje Alice en de autistische, wiskundig uiterst begaafde Mattia. Tussen Alice en Mattia wordt het nooit echt wat, maar toch omcirkelen en doorkruisen hun jonge levens elkaar veertien jaar lang. Alice en Mattia hebben allebei erge dingen meegemaakt, ze hunkeren naar warmte en begrip maar kunnen zich nooit echt hechten, niet aan de wereld, niet aan anderen, niet aan elkaar. Vandaar de titel: “Priemgetallen zijn alleen deelbaar door 1 en door zichzelf. Ze staan op hun plaats in de oneindige rij natuurlijke getallen, zoals allemaal tussen twee ingeklemd, maar verder uit elkaar dan de andere. Het zijn argwanende, eenzame getallen (...).”

Giordano vertelt het verhaal van Alice en Mattia tussen 1983 en 2007, in zeven chronologisch geordende episoden die het boek een eenvoudige structuur verlenen. Ook de stijl waar het boek zo om wordt geprezen, is van een grote, soms naar monotonie neigende eenvoud. Giordano mag graag afgevijlde zinnetjes stapelen: “Ze had zich geen pijn gedaan. Ze moest niet huilen. Ze kon niet nadenken over wat er zojuist was gebeurd. (...) Ze zou niets opruimen. Ze zou wachten tot haar schoonouders kwamen en haar zo aantroffen. Ze zou hun vertellen hoe Fabio zich had gedragen.” Ook het uiterst empatische vertelperspectief draagt er toe bij dat dit boek ‘lekker wegleest’. Bovendien focust de verteller nadrukkelijk op het wedervaren en de zieleroerselen van Alice en Mattia, waardoor de meeste andere personages weinig reliëf krijgen en de lezer zich dus niet al te zeer op nevenintriges of tegenstemmen hoeft te concentreren. Een easy read.

De Nederlandse vertaling is in januari 2009 verschenen bij Cargo, een imprint van De Bezige Bij. De lof spat van het kaft af: “Een van de belangrijkste boeken van het jaar. Een hartverscheurende vertelling,” krijt esta (een glossy met als motto: ‘Elke twee weken serieus leuk.’). “Een hartverscheurend mooi boek” echoot Veronica Magazine. “Prachtig geschreven en aangrijpend vanaf de eerste bladzijde,” juicht Libelle. “Ontzettend mooi en overtuigend geschreven,” aldus de Nederlandse gratiskrant Spits.

Esta, Veronica Magazine, Libelle: niet meteen gezaghebbende bladen als het over literatuurkritiek gaat, maar ook minder fluttige media hadden voor Giordano’s boek veel waardering. “De jubel in Italië” is “volkomen terecht,” schreef Het Parool, “wie op zo’n jeugdige leeftijd al zo’n rijpe, levenswijze en beheerst geschreven roman schrijft, is een uitzonderlijk talent.” “Ontroerende debuutroman met een volmaakt beheerste schrijfstijl,” luidde het in Trouw. NRC Handelsblad loofde Giordano’s “literaire talent, dat berust op zijn ingehouden tederheid en op de poëzie van zijn rake metaforen.” Weliswaar af en toe “sentimenteel” maar toch een “goed boek”, vond de kwaliteitskrant. Het minst onder de indruk was de Volkskrant, die de schrijver “onbeholpen perspectiefwisselingen”, een “af en toe hinderlijk clichématige stijl en een stuk of wat onhandigheden” aanwreef. “Een verre van gaaf boek” heette het. Niettemin kreeg ook deze recensent van het slot “een droge mond en vochtige ogen.” In Vlaanderen noemde De Morgen dit boek “een triomf.” De Standaard nam gewoon de jubelrecensie uit Het Parool over. Knack heeft dit boek niet gerecenseerd, in Humo verscheen een beknopte samenvatting.

Uit dit overzichtje blijkt dat vrijwel alle recensenten De eenzaamheid van de priemgetallen loven om dezelfde twee redenen: het boek is ontroerend en het is mooi geschreven. Dat zijn geen onbelangrijke maar wel erg vage en subjectieve criteria. Wat is dat, mooi schrijven? “Zijn vrouw was uit het leven aan het verdwijnen als een vochtkring uit een trui”: is dit mooi schrijven? “De meubels die de avond daarvoor nog een ziel leken te hebben (...) waren nu niets meer dan haar slaapkamermeubels, geurloos als haar lauwe berusting.” Jawel: geurloos als haar lauwe berusting. Of nog: “Hij wilde ontdekken of dat storende stolsel van verlangen dat in zijn hoofd zat echt als boter zou smelten als hij zijn klasgenoot, op wie hij verliefd was, gewoon zou aanraken.” Smaken verschillen, maar laten we een beetje ernstig blijven.

Bovendien: wat is in dit geval het aandeel van de vertalers (Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd) in die - betwistbare - schoonheid? Daar stond geen enkele recensent bij stil. En waarom zou een roman “gaaf” moeten zijn? Waarom is gaafheid een literaire kwaliteit? Is Macbeth gaaf? Bouvard et Pécuchet? Moby-Dick? En waar ligt de grens tussen hartverscheurend en sentimenteel? En waarom zou een roman “levenswijs” moeten zijn? Is Voyage au bout de la nuit levenswijs? Ulysses? Beckett?

Of je nu Veronica Magzine leest of NRC Handelsblad, de ondoordachte normen die literatuurcritici in de commerciële media hanteren zijn grosso modo overal dezelfde: psychologisch en vaag esthetisch. Als een boek maar “mooi” geschreven is en als je er “een droge mond en vochtige ogen” van krijgt, dan is het goed. Dit is culinaire literatuurkritiek: je somt op wat je hebt gegeten en je zegt wat je lekker vond en wat niet. Klaar. Maar een roman is geen restaurant.

Me dunkt dat literatuurkritiek toch interessantere en complexere kwesties aan de orde kan stellen, zelfs binnen de krappe ruimte die de commerciële cultuurjournalistiek haar vergunt. De eenzaamheid van de priemgetallen speelt zich af in Italië tussen 1983 en 2007. Maar wat zegt het boek ons over dat land in die tijd? Niets. Geschiedenis, politiek, globalisering, cultuurkritiek: geen spoor. De roman baadt in een wereldvreemdheid die misschien wel typerend is voor eenzelvige, verliefde tieners, maar levert dit ook interessante, relevante literatuur op? Kennelijk kreeg geen enkele recensent tijdens het lezen van dit boek last van de benauwdheid die mij gaandeweg beving. Zelfs de kritiek van de Volkskrantrecensent bleef beperkt tot formele, technische tekortkomingen van het boek, en stelde niet de veel urgentere vraag: Waar is de wereld in dit boek? Kon dit boek niet net zo goed in de jaren vijftig of zestig spelen? Wat is het belang van de historische markeringen - de zeven episodes spelen zich af in 1983, 1984, 1991, 1995, 1998, 2003 en 2007 - als er in het verhaal van die historische inbedding niets te merken valt? Waarom is de huishoudster van Alices vader - een welgestelde advocaat - een Ecuadoriaanse als dit gegeven er in de rest van de roman helemaal niet toe doet? Nergens slaagt deze roman erin een zinvol, verhelderend verband te leggen tussen de sombere binnenwereld van twee tobbende adolescenten en de grote buitenwereld.



Moet dat dan? Moet een roman altijd cultuurkritiek zijn, zich met geschiedenis en politiek bemoeien? Is dit geen erg beperkende visie, die de betekenis van literatuur reduceert tot wat documentairemakers of, godbetert, journalisten doen? Natuurlijk moét een roman of een schrijver niets, maar dat neemt niet weg dat sommige boeken, oeuvres, schrijvers relevanter zijn dan andere. Relevante literatuur verhoudt zich altijd op de een of andere manier tot de geschiedenis, tot een context. Relevante literatuur is éérst eigentijds en daarna misschien tijdloos. Dit betekent helemaal niet dat een relevante roman geen schoonheid of ontroering kan bevatten. Maar in literatuur die ertoe doet zijn ook schoonheid en ontroering geworteld in iets méér dan simpele psychologische herkenbaarheid. Ook schoonheid en ontroering moet je bevechten, bedingen, aan de wereld ontfutselen. Dat is het verschil tussen schrijvers als David Grossman en Orhan Pamuk enerzijds, en bellettristen als Giordano anderzijds. Het oeuvre van de eerste twee hangt met klodden vast aan een tijd, een cultuur, een context, terwijl je in een roman als De eenzaamheid van de priemgetallen niet eens de vingerafdrukken van een buitenwereld aantreft. Daardoor neigt deze Italiaanse succesroman minder naar kunst dan naar edelkitsch: hij creëert, in het beste geval, schoonheid in het historisch luchtledige. Lippizanerkunst. In vergelijking hiermee is bijvoorbeeld De vliegeraar een veel interessanter boek. Daarin werd een bijwijlen ook hartverscheurend en zelfs sentimenteel verhaal wél afgezet tegen het canvas van de recente geschiedenis, wat op een andere manier ook geldt voor Het huis van de moskee. Of neem een best wel intimistische novelle als Ian McEwans On Chesil Beach. Daarin voel je op iedere pagina hoe de benauwende tijdgeest van de jaren vijftig in Engeland doordringt tot in elke porie van de seksueel gestremde hoofdpersonages. Commercieel succesvol én relevant: het kan.

Natuurlijk bestaan er ook romans die zich lijken te hebben losgezongen van alle herkenbare, cultuurhistorische referenties en die er toch toe doen. Ik denk aan J.M. Coetzee en José Saramago bijvoorbeeld, twee recente Nobelprijswinnaars die in hun werk vaak slechts op een zeer indirecte manier verwijzen naar een historische werkelijkheid. Maar in romans als Waiting for the Barbarians en De stad der blinden bezit het verhaal een duidelijk allegorisch karakter, wat de lezer uitnodigt en uitdaagt om zelf een brug te slaan tussen de romaneske wereld en de grote wereld daarbuiten. In De eenzaamheid van de priemgetallen is er van een dergelijke allegorische dimensie geen sprake. Deze roman kiest radicaal voor de binnenkant: gemijmer, getob, gehunker - gevat in een eenvoudige en vereenvoudigende taal.

Eenvoud, herkenbaarheid, directe ontroering: daarop drijft deze roman, en dat zijn wellicht ook de ingrediënten die het massale succes van dit boek verklaren. Natuurlijk staat het iedereen vrij om op deze manier aan literatuur te doen en om van dit soort literatuur te genieten. Maar de vanzelfsprekendheid waarmee de literatuurkritiek - van pulpblaadjes tot kwaliteitskranten - zich van dezelfde oppervlakkige en eenzijdige normen bedient, is bepaald zorgwekkend. Relevante literatuur is iets anders dan vacuümverpakte bellettrie.

(Een ingekorte versie van dit stuk staat deze week in Knack.)

1 opmerking:

Alexandra De Vos zei

Tja Frank, die Giordano...ik heb dat boek bewust en op de valreep gelezen om een antwoord te hebben op de standaard Standaard-eindejaarsvraag "Welk boek heeft u dit jaar het meest bewogen?" Ik was namelijk nog door geen enkel boek bewogen en als Giordano al geen kandidaat was om de leemte te vullen, dan zou hij het wel zijn als "schrijver die dit jaar de aandacht kreeg die hij niet verdiende". De eerste negentig bladzijden neigde ik met overtuiging naar het laatste - de diepgang en anorectische zinnetjes van een doorsnee jeugdboek, veel primaire emotie - maar op bladzijde 96 raakte ik toch bewogen en ik bleef het ook. Hersenverweking, moet ik mij voortaan bij de lezersschare van de Libelle voegen? Je kan het ook zo zien: Grossman schrijft de negende van Beethoven, Giordano is een stukje Satie. Of Giordano is de potloodschets die met precisie één handeling uit een tableau licht, terwijl Grossman een lam Gods schildert. Zolang dat schetsje als schetsje onderkend wordt heeft het bestaansrecht en is het zelfs kunst, uitgebeend als het is. Juist door dat anorectische karakter vind ik de "priemgetallen" ook geen belletrie. T'is teveel vacuüm om mooi te zijn. Maar goed, willen of niet, door dat vacuüm werd ik bewogen. Een troost: Grossman is voor mij de schrijver van het decennium. En als ik ooit mijn roman schrijf zal ik hem een dieptepsychologische "scope" geven van hier tot aan de eerste wereldoorlog, en dan ga jij proeflezen : )