13 november 2016

Trump is nog geen president

-->

Volgens de recentste (13 november) gegevens heeft Hillary Clinton ruim zeshonderdduizend stemmen méér behaald dan Donald Trump. In een normale democratie heeft Clinton dan ook de verkiezingen gewonnen. Niet in de VS.


Omdat de Amerikaanse founding fathers de politieke oordeelkundigheid van "het volk" niet vertrouwden, bedachten ze het Electoral College, een systeem dat als een noodrem kon fungeren in case of an emergency. Wat voor noodgeval? Wanneer het volk dreigde iemand tot president te maken die voor dat ambt niet geschikt is. 

(Wie nog eens een rustig en helder artikel over het ontstaan en de functie van dit Electoral College wil lezen, verwijs ik graag naar http://www.snopes.com/2016/11/11/the-electoral-college-and-the-popular-vote/ The Electoral College and the Popular Vote : snopes.com.)

De tragiek van deze verkiezingsuitslag is dat dit systeem vandaag averechts werkt: het dreigt uitgerekend iemand ongeschikt tot president te maken. Iemand voor wie Alexander Hamilton en de andere bedenkers van het Electoral College het Amerikaanse volk nu net wilden behoeden.

Het Electoral College was nooit bedoeld om van losers winners (en vice versa) te maken. Maar dat is wat nu gebeurt. Dit verklaart meteen ook waarom er wel eens post-electorale rellen zouden kunnen uitbreken op een schaal die we nooit eerder hebben gezien en die niemand wenselijk acht.

In tegenstelling tot wat zo ongeveer iedereen in de media uitkraamt, is Trump nog niet verkozen tot president. Dat gebeurt pas echt op 19 december in het Electoral College. Daar ligt nog een laatste, volkomen grondwettelijke mogelijkheid om Trump het presidentschap te ontzeggen. Als de Amerikanen nu geen gebruik maken van deze legale noodremprocedure, dan kan het Electoral College maar beter worden afgeschaft. Dan is de tijd gekomen om de Amerikaanse kiezer in de toekomst simpelweg te vertrouwen. En de meerderheid van die kiezers heeft, ik kan het niet vaak en hard genoeg herhalen, voor Clinton gekozen.



28 september 2014

CARAVANTIS


 

Cyrille Offermans over Caravantis



(Dit is een bekorte weergave van de rede die de Nederlandse essayist Cyrille Offermans uitsprak bij de presentatie van Caravantis in Antwerpen, op 27 september 2014.)



Misschien is het goed als ik bij wijze van inleiding vertel dat Frank en ik geen vreemden voor elkaar zijn, sterker, we kennen elkaar al heel lang. Frank was begin deze eeuw een jaar of vijf, denk ik, hoofdredacteur van De Standaard der Letteren, en in die tijd heeft hij mij regelmatig om medewerking gevraagd, wat ik natuurlijk graag deed. Frank hield daarmee op – en dat zegt iets over zijn principiële houding – toen er een nieuwe hoofdredacteur werd aangesteld, die met allerlei populariserende maatregelen kwam; logischerwijs betekende dat ook het einde van mijn medewerking aan die krant. Er was, zult u begrijpen, hoe dan ook sprake van op zijn minst enige literaire verwantschap tussen Frank en mij, al was, of is, Frank ook bijna een generatie jonger dan ik.
   Ik vertel dit om duidelijk te maken dat ik bij de aankondiging van zijn roman Caravantis wel al een vaag idee had van wat ik kon verwachten: het zou beslist geen alledaagse roman zijn, geen boek dat ons een aangename herkenningsmelodie zou voorspelen. Het zou eerder een verontrustend boek zijn, een boek dat ons een spiegel zou voorhouden waarin we een weinig flatteus beeld van onszelf te zien zouden krijgen. En dat leek ik ditmaal wel heel persoonlijk en concreet te moeten opvatten: bij het doornemen van de inhoudsopgave stuitte ik op iemand met mijn voornaam, een zekere Cyrille. Daar schrok ik even van. Cyrille is, althans in Nederland, en gespeld met –lle, een hoogst ongebruikelijke naam – zou Frank via deze roman nog een appeltje met mij hebben willen schillen? Het zou kunnen, we hadden elkaar de laatste jaren nooit meer gezien, misschien waren we flink uit elkaar gegroeid, wie weet hoe hij in die tijd over mij was gaan denken.

Cyrille Claes blijkt met voorsprong de saaiste, middelmatigste, vervelendste man van het westelijk halfrond te zijn. Hij is gespeend van elke verbeeldingskracht, hij zingt met al zijn handelingen en uitspraken uitsluitend de lof van het bestaande en van de rimpelloze aanpassing. De man heeft een afkeer van het toeval, verrassingen zijn uitgesloten, bij alles wat hij doet kun je de klok gelijk zetten. Cyrille Claes vindt niets zo erg als onverwacht bezoek. En zijn vrouw, Suzanne, is zijn perfecte partner. Op dat punt gekomen begon ik te vermoeden dat ik spoken zag, zo’n harteloos en reactionair beeld kon Frank toch moeilijk van me hebben. En bovendien: waarom zou hij me anders hebben gevraagd hier, bij de presentatie van zijn roman, iets te zeggen?

Caravantis is een betrekkelijk complex maar zeker geen hermetisch boek, het is integendeel, zeer toegankelijk. De roman vraagt aandachtige lezers, liefst lezers die niet onmiddellijk denken dat zij model hebben gestaan voor bepaalde personages. Het kan zijn dat u zich aanvankelijk enigszins gedesoriënteerd voelt, maar dat hoeft niet tot paniek te leiden. Er lopen in het boek diverse, discontinue verhaallijnen die soms op afstand, op flinke afstand worden voortgezet en elkaar kruisen. Het is onmogelijk en ongewenst die hier allemaal te volgen, maar via Suzanne, de echtgenote van Cyrille Claes, duiken we in het hart van de roman. Suzanne heeft een baan bij het Iasco, een soort studie- en onderzoeksinstelling in de republiek Caravantis, ergens in Europa. Via die instelling haalt zij het toeval in huis in de persoon van een Amerikaanse journalist die door zijn baas wordt uitgezonden om voor de Wyoming Times poolshoogte te gaan nemen in de republiek Caravantis, waar iets onverklaarbaars en sensationeels moet zijn gebeurd.

Wyoming, het thuisland van de journalist, is voor de lezer van Frank Albers geen onbekende. In Beatland (2007), zijn reisboek in het spoor van Jack Kerouacs On the Road, lezen we onder meer dat die staat zes maal zo groot is als Nederland maar met niet meer dan een half miljoen inwoners uiterst dun bevolkt. Uit dat boek weten we ook dat het de saaiste staat van de VS is, de ideale biotoop voor Cyrille Claes zou je zo zeggen, met dit verschil dat de bewoners van Wyoming hun verveling bestrijden met een extreme alcoholconsumptie. In het betreffende hoofdstuk last de auteur een passage in over Europa, die de kiemcel van Caravantis lijkt.
Europeanen, heet het hier, zijn mensen zonder dromen, of liever: ‘ze zijn bedrogen en getraumatiseerd door hun eigen twintigste-eeuwse maatschappijdromen,’ bijgevolg zijn ze niet meer te vinden voor een nieuw utopisch project. Toch is zo’n nieuw utopisch project precies waar de roman Caravantis over gaat. Dat project komt niet uit de lucht vallen, het is geen wild en volstrekt onwaarschijnlijk bedenksel van de auteur, het ligt eerder in het verlengde van reële, maar al te bekende, om niet te zeggen verontrustende ontwikkelingen. Niettemin verwijdert het boek zich ver van de gebruikelijke realistische roman.
   Er gebeuren vanaf de allereerste zin dingen die normaliter niet kunnen – een baby die al meteen na de geboorte blijkt te kunnen spreken, een jongen (in de republiek Caravantis) van twaalf meter lang – maar die dingen, zo blijkt later, zijn een uitvergroting, meestal satirisch getoonzet, van wetenschappelijke ontwikkelingen en van bedenkelijke maatschappelijke en politieke tendensen die ons, zoals gezegd, wel degelijk bekend voorkomen.

   Bij gebrek aan soortgelijke boeken in de Nederlandse literatuur is het moeilijk deze roman te typeren; het meest heeft ie weg van een dystopie, zoals u weet het tegenovergestelde van een utopie, een boek in de lijn dus van Orwell’s 1984. Maar de republiek Caravantis is, zoals alle Europese dictaturen van de twintigste eeuw, begonnen als utopie. Het boek bevat een lange toespraak van de directeur van Iasco, het zojuist genoemde onderzoeksinstituut, waarin de utopische principes van Caravantis worden gemotiveerd in het perspectief van eerdere, bekendere utopieën. 

Europa

Europa, stelt die directeur, is ‘een intellectueel leeggebloed continent’, ‘een uitgeputte beschaving die op het punt staat te bezwijken aan dezelfde kwalen die in het verleden al menige beschaving hebben uitgemergeld: lethargie, zelfoverschatting, een dodelijk gebrek aan moed, energie en ideeën. Europa is stokoud,’ verzucht hij, ‘een bloedarmoedig ventje dat zich nog slechts warmt aan de tanende gloed van een roemrijk verleden.’ Maar Europa heeft ook leergeld betaald: het kent na Auschwitz en de Goelag de prijs voor overspannen dromen. Derhalve kon Caravantis, als het zich wilde onderscheiden ‘van andere staten op dit versufte continent’, ‘geen revolutionaire idealen,’ ‘geen ambitieuze politieke droombeelden’ meer koesteren. En dan komt de langverwachte aap uit de mouw: Caravantis heeft ervoor gekozen ‘om de wereld te aanvaarden zoals de wereld is.’ En dat alles onder het motto: ‘Gelukkig is de mens zonder verbeelding.’ Hij zegt het er niet bij, maar voor de lezer is het duidelijk: Cyrille Claes is de modelburger van Caravantis.

Caravantis is, in weerwil van de nagestreefde utopie van de eenvormigheid in zijn fictieve modelstaat, een prachtig toonbeeld van het tegendeel, van veelvormigheid, ook stilistisch; de verhalen tuimelen over en door elkaar zonder dat het een onbegrijpelijke warboel wordt. Caravantis is geen experiment in de schemergebieden van een uitgeholde syntaxis, geen excursie in de puinhopen van de afgeschreven roman. Eerder is het een impliciet pleidooi voor een geëngageerd en vormbewust intellectualisme.

Misschien klinkt het in mijn uiteenzetting af en toe wat zwaar op de hand, maar de lezer zal snel ontdekken dat het bovenal een bijzonder geestig en vindingrijk boek is, al is het niet uitgesloten dat hij in de soms deerniswekkende, soms ook vooral verachtelijke mensensoorten die het boek bevolken af en toe een uitvergroot beeld van zichzelf meent tegen te komen,  zoals ik me uiteindelijk toch niet helemaal aan de indruk kan onttrekken dat er in die Cyrille Claes misschien toch meer van mijzelf zit dan me lief is.

Ik wens u straks veel leesgenot.     

    
 (cover Caravantis: Koen Van den Broek, Gio Ponti, 2013, Courtesy Figge von Rosen Galerie)

04 april 2013

Wat als... Shakespeare nu eens geen nieuws was?

William Shakespeare kreeg de afgelopen week veel aandacht in de pers. Reden: een nieuwe studie van vorsers in Wales zou hebben aangetoond dat Shakespeare behalve een geniaal schrijver ook “een gehaaid zakenman” was. De nieuwswaarde van deze nog niet eens verschenen studie lijkt uiterst gering. Alle tot nu toe vermelde feiten zijn al jaren bekend. Waarom haalde het verhaal dan toch de media? Bedenkingen bij een sterk staaltje van estafettejournalistiek: perslui die niets checken en elkaar klakkeloos afschrijven.

***

Het begon in het paasweekend. Jayne Archer, een jonge onderzoekster aan de Aberystwyth-universiteit (Wales), onthulde in de Britse krant The Sunday Times de grote lijnen van een Shakespearelezing die ze volgende maand op een literair festival in Wales zal houden. In die lezing betoogt ze volgens de krant dat Shakespeare behalve een geniaal schrijver ook een gehaaid zakenman was. Hij zou ten tijde van hongersnood voedsel hebben gehamsterd dat hij tegen woekerprijzen verkocht. Hij zou meermaals in aanraking met het gerecht zijn gekomen wegens belastingontduiking. Hij zou zijn fortuin dus deels op illegale wijze hebben verkregen. En deze ‘ontdekkingen’ zouden ook een nieuw licht werpen op sommige van Shakespeares stukken.

De Britse zondagskrant vond de bevindingen van Archer en haar team zo opzienbarend dat ze er een redactioneel commentaarstuk aan wijdde (“Much Ado About Dodging”). Daaruit bleek dat ook sommige Britse journalisten pijnlijk weinig afweten van hun eigen grootste schrijver. Het is immers al lang bekend dat Shakespeare er onfrisse handelspraktijken op nahield, kleine schuldenaars dagvaardde en de fiscus tilde. Zowat iedere recente editie van Shakespeares Verzameld Werk maakt er melding van. “We weten een heleboel over the less exciting aspects of his life,” zuchtten de tekstbezorgers van The Oxford Shakespeare al in 1986, “zoals zijn handelszaken en zijn belastingsschulden.” Waarna de geleerden niet minder dan tien juridische, financiële en fiscale conflicten opsomden waar Shakespeare bij betrokken was, nu eens als beschuldigde en dan weer als schuldeiser. Ook in de vele populariserende biografieën die de laatste jaren zijn verschenen worden de duistere kantjes van Shakespeares bestaan niet ontweken. Patrick Honan, Stephen Greenblatt, Peter Ackroyd, Bill Bryson,… allemaal hebben ze erop gewezen, soms zelfs gehamerd, dat Shakespeare ook een zakenman was, een belastingontduiker, een kredietverschaffer, een wanbetaler en een woekeraar (net als zijn vader trouwens, een notoir sjacheraar in Stratford-upon-Avon). En de Canadese onderzoeker Leslie Hotson schreef al in 1931 (!) dat Shakespeare betrokken was bij gangsterpraktijken in de Londense onderwereld, een verhaal dat twee jaar geleden in het blad van The Smithsonian Institute nog eens is naverteld. (http://blogs.smithsonianmag.com/history/2011/11/william-shakespeare-gangster/).

Kortom, niets van wat de onderzoekers uit Wales volgens de Sunday Times zouden hebben ontdekt is werkelijk nieuw te noemen. En of hun visie de bestaande interpretaties van stukken als King Lear en Coriolanus nu zo wezenlijk zal beïnvloeden, is nog maar de vraag.

Maar kijk: nog diezelfde paaszondag namen diverse Britse media het bericht over. Vervolgens verspreidde het persbureau Associated Press het niet-nieuws wereldwijd onder de titel “Study shows Shakerspeare as ruthless businessman” en ja hoor, luttele uren later stond er op de vrt-nieuwssite te lezen: “William Shakespeare was een meedogenloze zakenman.” Waarna het verhaal ook buitengewoon prominent in De Standaard en op de site van Knack terechtkwam, net als op inmiddels ontelbare nieuwssites elders in de wereld. Kennelijk vond geen enkele journalist het nodig om een en ander te checken, een specialist te contacteren of zelf iets na te pluizen.

Beduusd en geërgerd door zoveel enthousiaste estafettejournalistiek –een medium lanceert een bericht en andere media nemen het klakkeloos over- heb ik het bericht dan getoetst bij de bron. Ik stuurde een mailtje naar Jayne Archer met de vraag of ik haar paper mocht lezen. “De massale persaandacht die uw gesprek met de Sunday Times heeft ontketend doet me vermoeden dat u harde, opzienbarende nieuwe feiten heeft ontdekt ter ondersteuning van de overigens niet geheel nieuwe stelling dat Shakespeare een gehaaid zakenman was.”

Nog diezelfde dag (woensdag 3 april) schreef de onderzoekster mij terug dat ze geen enkel nieuw feit heeft ontdekt. “The study simply explores the theoretical implications of reading the plays in light of the extant evidence of Shakespeare's business practices (those relating to food production and supply in particular).” (De paper stuurde ze me niet.)

“In het licht van bestaand bewijsmateriaal!” De onderzoekster bevestigde dus zélf dat haar studie, in weerwil van wat zovele media de afgelopen week hebben geschreven of gesuggereerd, geen nieuwe historische inzichten bevat. Een simpel mailtje naar Wales volstond om dat te achterhalen.

(Deze tekst werd na overleg met De Standaard op donderdag 4 april exclusief voor De Standaard geschreven en vervolgens door De Standaard geweigerd.)

30 april 2012

Hoezo ongewenste intimiteiten?

Zolang deze beeldtaal in de media niet wordt VERBODEN, heeft alle verontwaardiging over mannen met losse handjes iets naïefs. Alle moedige outings, alle terechte en begrijpelijke woede over de Pollekes en de Jos Gysens van deze wereld: Kurieren am Symptom

03 oktober 2011

Over Amerika

http://internetradio.vrt.be/radiospeler/v2_prod/qt.html?qsbrand=11&qsODfile=/media/audio/13082011frankalbers

01 december 2010

Het Nieuw Wereldtijdschrift is tien jaar dood





1 december 2010: tien jaar geleden verscheen het laatste nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift. Zou zo’n tijdschrift vandaag in Vlaanderen nog denkbaar, leefbaar en nuttig zijn?




Het Nieuw Wereldtijdschrift was geen gewoon literair blaadje. Herman de Coninck wilde een tijdschrift maken waarin “literatuur inzake zinvolheid moet concurreren met edeljournalistiek”, zoals hij het zelf ooit formuleerde. Hij wilde de literatuur uit haar ivoren toren halen, de ramen openzetten, weg met de gezapigheid en de navelstaarderigheid die literaire clubjes en blaadjes al te vaak kenmerken. Hij wilde de literatuur uitdagen “om zinniger en eigengereider over de wereld te schrijven – in plaats van over ‘Ik en mijn navel’.”

Geïnspireerd door buitenlandse voorbeelden als Avenue, Vanity Fair en ja, Playboy (de interviews natuurlijk), maakte De Coninck van het NWT een literair blad met een journalistieke drive en een journalistiek blad met literaire allures. Naast gedichten en verhalen en recensies las je er essays en reportages over de meest uiteenlopende onderwerpen in de meest diverse stijlen. Zo kon je in eenzelfde nummer stukken lezen over Jacques Brel, de Talking Heads, Anton van Wilderode, het brein van Ronald Reagan – naast gedichten van Charles Ducal en een kortverhaal van Willem van Toorn. Van zijn goede vriend Jan Wauters publiceerde De Coninck geregeld stukken over sport. Op de cover stonden vaak foto’s van schrijvers maar ook van The Rolling Stones, de Eiffeltoren, een getekende blote kont, een spotprent en zelfs eens een afgrijslijke afbeelding van een slappe lul. De maker van het NWT was een veelzijdig en nieuwsgierig man, en dat zag je aan zijn blad.

Er moest “veel wereld” in het NWT, vond De Coninck. Die betrokkenheid van de literatuur bij wat er in de wereld omgaat, was voor hem essentieel. Meer dan een of andere poëtica was dat de bestaansreden van zijn blad. Van die lijn is hij ook nooit afgeweken. Op 20 mei 1997 schreef hij aan zijn redactieleden: “Wat doen we met de inspiratie van ons blad? De wereld gaat naar de verdommenis. Vroeger had het kapitalisme nog een vijand, sinds de val van de muur wordt het niks meer in de weg gelegd. De maatschappij waar wij in ’68 tegen protesteerden, was een stuk beter dan de huidige. Vandaag protesteert niemand nog. Moeten wij daar niet eens een nummer aan wijden? (…) We moeten onze uiterste best blijven doen om de literatuur erbij te blijven betrekken, bij deze onbegrijpelijke wereld: laat dat maar de doelstelling van het NWT wezen.” Twee dagen later viel hij dood neer op een stoep in Lissabon.


In die dertien jaar heeft De Coninck met zijn NWT in Vlaanderen een kleine revolutie teweeggebracht. “De uitstraling van het blad heeft mede het publieke imago van de literatuur grondig veranderd: ondogmatisch, eclectisch, niet vies van mode en actualiteit, wars van inteelt en tobberigheid, intelligent zonder intellectualistisch te zijn. Het heeft de literatuur uit haar getto gehaald,” schreef Hugo Brems in het aan De Coninck gewijde dubbelnummer van het NWT dat na diens dood verscheen.Brems zag in De Conincks tijdschrift een utopisch project: “een programma waarin de literatuur intens op de werkelijkheid betrokken is (…) en waarin niet zo gauw plaats is voor de allerindividueelste expressie van de allerindividueeelste emotie of voor hermetische experimenten aan de grens van de taal.”



Na de dood van Herman de Coninck besloten de literaire uitgeverij Atlas en de krant De Morgen om het blad samen weer uit te geven. Het NWT zou voortaan maandelijks verschijnen, zoals de bezieler het altijd had gewild, en kreeg een nieuwe, tweekoppige hoofdredactie: Bernard Dewulf en ik mochten Herman de Coninck spelen. In mei 1998 kwam het NWT opnieuw op de markt, het eerste nummer zat gratis bij een weekendeditie van De Morgen, wat het blad een spectaculaire doorstart gaf. Het commerciële streefdoel was een verkochte oplage van tienduizend exemplaren. Die hebben we nooit gehaald. Het blad bleef hangen op vijfduizend, wat nog altijd een veelvoud was van alle andere literaire bladen bij elkaar, maar onvoldoende om niet verlieslatend te zijn. Atlas stapte er al snel uit, waarna De Morgen het blad bleef uitgeven tot eind 2000. Toen verdween het tijdschrift voorgoed van de markt.


Nu, tien jaar later, kom ik nog altijd mensen tegen die de afwezigheid van het NWT betreuren, die vinden dat een soortgelijk blad opnieuw zou moeten verschijnen. Is dat verlangen meer dan nostalgie? Heeft de dood van het NWT echt een leemte in de Vlaamse journalistiek nagelaten?

Ja en nee. De grootste evolutie in het media-landschap tijdens de afgelopen tien jaar is natuurlijk de explosie van het internet. Daar vind je veel steengoede journalistiek en literaire essayistiek, over alle onderwerpen en in alle talen. De generatie internetlezers die inmiddels is ontstaan heeft wellicht niet meer zo’n behoefte aan een beetje een chic, intelligent cultureel maandblad op papier. Maar voor wie die behoefte nog wel heeft, lijkt er in de Vlaamse cultuurjournalistiek inderdaad toch wel iets te ontbreken. Bladerend door oude NWT’s kom ik stukken tegen waarvan ik me afvraag: waar in de Vlaamse pers vandaag zou je dit nog kunnen lezen? Dat geldt in de eerste plaats voor het langere literaire essay, het genre dat het NWT jarenlang heeft gekoesterd en verwend. Een losse greep: Bruno Bettelheim over “getto-denken.” (11 blz.) Rudy Laermans over de kitsch van popmuziek. (6 blz.) Jane Smiley over “huwelijk, seks en kapitalisme.” (12 blz.) Piet Meeuse over de brieven van Marcel Duchamp. (9 blz.) En Vargas Llosa over zijn deelname aan de Peruaanse presidentsverkiezingen: twintig bladzijden! Nee, voor zulke stukken is in de Vlaamse cultuurpers al lang geen plaats meer. Er is geen enkel blad op de Vlaamse markt dat systematisch toegankelijke, kwaliteitsvolle en gevarieerde literaire essayistiek brengt zoals het NWT dat al die jaren heeft gedaan.

De ironie wil dat de laatste uitgever van het NWT – De Morgen – in zekere zin ook de grootste concurrent van het blad was. In de jaren negentig woedde er tussen de zelfverklaarde kwaliteitskranten De Standaard en De Morgen namelijk een heftige concurrentie op het vlak van cultuurjournalistiek. Beide kranten brachten niet alleen meer dan behoorlijke boekensupplementen, ze investeerden ook in interessante weekendkranten. Onder literaire bladen had het NWT geen rivalen, maar het blad moest wél opboksen tegen de weekendedities van De Morgen en De Standaard. Dat zou nu veel minder het geval zijn. De tijd dat Vlaamse kranten cultuurjournalistiek op hoog niveau een erezaak vonden, is lang voorbij. De logica van oplagecijfers en marktaandelen heeft nu veel meer invloed op de kwaliteitspers dan vijftien jaar geleden. Een titel die niet rendabel is heeft in de hoofden van mainstream media-uitgevers geen enkele bestaansreden meer. Dat is droevig maar niet verwonderlijk, de concurrentie in die markt is nu eenmaal bikkelhard.

De vraag is niet of er vandaag nog een markt is voor een blad als het NWT. Winstgevend is het NWT nooit geweest, ook niet onder De Coninck. Het papier werd met de jaren dunner, de oplage stagneerde om en bij de 3500 exemplaren en de hoofdredacteur was halftijds betaald. De vraag is of er vandaag nog een uitgever te vinden zou zijn die het zich kan permitteren om een titel uit te brengen die haast per definitie verlieslatend is, maar waarvan de relevantie niet door de boekhouder wordt bepaald. Een tijdschrift als The New Yorker heeft zelden winst opgeleverd maar altijd wel een uitgever gevonden die het culturele belang van het blad hoger schatte dan het commerciële nut. En er zijn uitzonderingen: in Nederland is de literaire glossy Hollands Diep van De Bezige Bij-directeur Robert Ammerlaan met zestigduizend verkochte exemplaren ook commercieel een succes. Maar in het huidige persklimaat in Vlaanderen zal het NWT tot nader order blijven wat het volgens Hugo Brems altijd al was: een utopie.

13 oktober 2010

Waarde Liu Xiaobo,




Wij hebben elkaar nooit ontmoet. Tot een paar dagen geleden kende ik zelfs uw naam niet. Dat zal uwerzijds niet anders zijn. Maar nu er plotseling in onze vrije pers lange artikels over u verschijnen, begrijp ik dat wij een en ander met elkaar gemeen hebben. U bent “an impassioned literary critic and political essayist”, lees ik. U bent ontevreden over de manier waarop uw land wordt geleid. U bent onbekend bij het grote publiek. U heeft, zag ik op de televisie, een mooie vrouw. En de straf die u door overtuigingen en geschriften heeft opgelopen is bijna net zo erg als de loer die het toeval mij heeft gedraaid: u woont in een Chinese gevangenis, ik in België. Toch vertonen onze levens ook opvallende verschillen.

Zo heeft u vorige week de Nobelprijs voor de vrede gewonnen en ik niet. Natuurlijk wil ik u feliciteren met deze bekroning, al begrijp ik dat sommige van uw mededissidenten deze prijs een sentimentele vergissing vinden. U zou te zacht, te gematigd zijn. Een eitje. Het moet zijn dat uw overheid geen eitjes lust, want ik lees dat u de afgelopen jaren meer tijd in gevangenissen hebt doorgebracht dan thuis. En nu bent u dus veroordeeld tot elf jaar brommen, naar verluidt wegens het overtreden van de Chinese wet.

Wij in het vrije Westen doorzien die doublespeak van de Chinese overheid natuurlijk meteen: u bent veroordeeld omdat u kritiek uitoefende op het beleid van uw land. Omdat u politieke idealen koestert die wij in het vrije Westen graag de onze noemen, en omdat u bereid was voor deze idealen de gevangenis in te gaan, hebben wij – enfin, een paar Noren toch – u nu bekroond met de moreel meest gezaghebbende prijs die het Westen kent.

En natuurlijk benijd ik u. Niet zozeer om het geld en de roem die deze bekroning u schenken zal, als wel om de aard van uw verdiensten. Ik lees in de krant dat u in 1996 werd veroordeeld tot drie jaar werkkamp for a series of essays that criticized the government and called for an end to official corruption. For a series of essays! Daar kan elke schrijver, elke columnist of blogger of opiniemaker in ons vrije Westen alleen maar van dromen.

Wij mogen namelijk schrijven wat we willen, daar kunt u dan weer alleen maar van dromen, maar wat wij ook schrijven, hoe puntig, helder, hard, beargumenteerd en juist onze kritiek op onze machthebbers ook mag zijn, onze geschriften halen geen mallemoer uit. Opiniestukken, pampletten, petities, manifesten, charta’s: zij vallen als rotjes in zee. Wij koesteren het recht op vrije meningsuiting, maar dat recht is soms ook een open gevangenis. Wij vliegen niet naar een werkkamp, wij mogen rustig doorfulmineren achter tralies van onverschilligheid.

Nog een verschil. U was eerst dissident en essayist, vervolgens was uw overheid dom genoeg om uw geschriften belangrijk te vinden en u te arresteren, en nu maakt die prijs u wereldberoemd. Bij ons gaat het meestal andersom. Hier moet je eerst roem vergaren, bijvoorbeeld door deel te nemen aan spelletjes op de televisie of door het zingen van liedjes, en vervolgens kan alles wat je zegt of schrijft op vaak buitensporige media-aandacht rekenen.

Als u in dit land had gewoond was u nooit om uw essays in de gevangenis beland, maar had u ook nooit de Nobelprijs voor de vrede gekregen. U zou de tamelijk obscure professor literatuur zijn gebleven die u ooit in China was. U zou af en toe een interessant opiniestuk in de krant schrijven, of een column in Knack, maar veel commotie zouden uw interventies nooit hebben veroorzaakt. Het zou u hier vergaan zoals Jezus Christus in het bekende, oude mopje: als Jezus nu opnieuw op aarde kwam, zouden wij hem dan opnieuw kruisigen? Nee, we zouden hem interviewen.

Geen misverstand: uw situatie is onzegbaar erger dan de onze hier in het vrije Westen. Maar mede dankzij deze prijs krijgt die ene stem van u meer aanzien, betekenis en misschien ook invloed dan wat welke kritische tegenstem in het Westen ook vermag. Misschien biedt deze gedachte een heel klein beetje troost in de trage, wrede jaren die u wachten.