23 maart 2008

Brief aan René Stockman, Broeder van Liefde




Broeder,

U heeft gemeend in de pers te moeten reageren op de manier waarop schrijver Hugo Claus uit dit leven is gestapt, en op de manier waarop in de media over zijn dood is bericht. Dat is uw goed recht. Zoals het ook Claus’ recht was om zijn onomkeerbare aftakelingsproces af te breken en op de dood toe te stappen in plaats van haar nog langer en steeds weerlozer af te wachten.

Maar het gaat hier niet over rechten. Het gaat hier zelfs niet over twee tegengestelde visies op leven en sterven en de ethische consequenties daarvan, het gaat hier niet over gelijk en ongelijk. Het gaat hier over niveau. Over het niveau waarop iemand denkt, zijn overtuigingen uitdrukt en de overtuigingen van andersdenkenden weergeeft. Het gaat hier over stijl en, welja, intellectuele klasse. Het gaat hier over alles wat in uw reactie ontbrak.

Uw kritiek gold in de eerste plaats de wijze waarop Claus’ euthanasie in de media en door vooraanstaande burgers in dit land is begroet. U viseerde met name de pas afgetreden premier, wiens hommage aan zijn overleden vriend volgens u een “tendentieuze stelling” bevatte. Daarmee doelde u op Verhofstadts respect voor Claus’ keuze om zich te laten euthanaseren. Later in uw tekst gebruikte u hetzelfde woord nog een keer. U noemde de lof voor Claus’ beslissing in de media “meer dan tendentieus”. U weet niet goed wat het woord ‘tendentieus’ betekent, geloof ik. ‘Tendentieus’ betekent iets met opzet zo voorstellen dat “aan de waarheid te kort gedaan wordt” (Van Dale). ‘Tendentieus’ vooronderstelt dus dat er een waarheid is die vervolgens verwrongen, verdraaid, gekleurd kan worden weergegeven. In de context van dit ethische debat bestaat een dergelijke, voorafgaandelijke waarheid niet - zoals u natuurlijk ook wel weet. Je kunt hooguit stellen dat voorstanders van euthanasie te kort doen aan uw waarheid, net zoals uw afkeer van euthansie te kort doet aan hun waarheid hieromtrent, wat meteen bewijst dat er in deze kwestie geen waarheid is. U had dus niet het woord ‘tendentieus’ moeten gebruiken, maar wel ‘subjectief’, of ‘persoonlijk’, zelfs ‘problematisch’ of ‘controversieel’ - allemaal mogelijke, filosofisch toelaatbare kwalificaties. Of zou het kunnen dat u juist heel goed weet wat 'tendentieus' betekent, en dat het dus uw bedoeling was te suggereren dat u de waarheid bezit en andersdenkenden dwalen?

In diezelfde alinea stelde u bovendien dat sommigen Claus’ euthanasie “de hemel inprijzen als summum van edelmoedigheid”. Waar stond dat? Ik heb dit nergens gelezen. Ik heb wél gelezen dat velen deze beslissing moédig vonden, wat deze beslissing wellicht ook was. Men stapt namelijk niet “zomaar” uit dit leven, ook Hugo Claus niet. Dat woordje “zomaar” werd vanochtend gebruikt door uw geestesgenoot kardinaal Danneels in zijn homilie tijdens de paaswake in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen. Volgens De Standaard zei hij daar het volgende: “Door zomaar uit het leven te stappen, antwoordt men niet op het probleem van lijden en dood. Men loopt er in een boog omheen en omzeilt het. Omzeilen is geen heldendaad, geen voer voor frontpaginanieuws.” Eén ding wil ik u alvast nageven: u bent dapperder dan uw kardinaal. U noemde tenminste man en paard, de kardinaal niet, de kardinaal verkoos de schrijver via insinuerende algemeenheden te kritiseren. Een beetje laf van de kardinaal.

U uitte niet alleen uw ongenoegen over de manier waarop de media Claus’ euthanasie hebben begroet, u viseerde ook de schrijver zelf. Laat ik deze passus integraal citeren, omdat hij zowel de kern als het dieptepunt van uw betoog vormt:

Heeft Hugo Claus nagedacht toen hij deze stap zette welke boodschap hij zou geven aan deze mensen, aan hun naasten, aan hun verzorgers, aan de ruimere samenleving? Hij heeft het vanuit zijn mensbeeld wellicht als een individueel recht beschouwd dit te kunnen doen, maar dan heeft hij toch de sociale impact van zijn daad onderschat. Vanuit zijn levensvisie waren lijden en aftakeling wellicht in oppositie met een waardevol leven, maar ook hier heeft hij toch een belangrijke realiteit van het leven ontkend: dat waardevol leven niet alleen afhangt van capaciteiten die men al dan niet kan ontwikkelen en dat men als medemens juist wordt uitgenodigd anderen te helpen als ze in hun capaciteiten falen, waarin nieuwe facetten van medemenselijkheid kunnen opbloeien. Het was uiteraard zijn visie en daar willen we in een maatschappij waar ruimte is voor verscheidenheid respect voor opbrengen, ook al strookt het niet met ons mensbeeld en onze levensvisie.

Uw retorische, wat denigrerende vraag (“Heeft Hugo Claus nagedacht...?”) suggereert dat de schrijver over die boodschap onvoldoende heeft nagedacht. Maar is er wel een boodschap? En hoe weet u eigenlijk wat die boodschap is? En voor hoeveel mensen is die boodschap zo erg als u lijkt te denken? Heeft u “de sociale impact van zijn daad” al onderzocht? Zou deze impact niet iets meerduidiger, complexer kunnen zijn dan u lijkt te veronderstellen?

Een dag eerder publiceerde diezelfde krant een bijdrage waarin de coördinator van Exepertisecentrum dementie Vlaanderen de pertinente vraag stelde: Is dementie mensonwaardig? Het was een kort, helder, gematigd stuk, waarin gewaarschuwd werd voor de nogal ondoordachte manier waarop sommigen - en met name politici - een dement leven a fortiori “mensonwaardig en niet levenswaardig” lijken te vinden. Het was een a-ideologisch, a-confessioneel en ook helemaal niet tendentieus stuk, waarin zeer terechte vragen werden gesteld. Maar de coördinator was dan ook geen Broeder van Liefde - what’s in a name.

De kern van uw betoog zat in de bewering dat Claus “een belangrijke realiteit van het leven heeft ontkend”, namelijk “dat waardevol leven niet alleen afhangt van capaciteiten die men al dan niet kan ontwikkelen en dat men als medemens juist wordt uitgenodigd anderen te helpen als ze in hun capaciteiten falen, waarin nieuwe facetten van medemenselijkheid kunnen opbloeien.” Het is een zin die om euthanasie schrééuwt, zo krakkemikkig is hij, maar dit terzijde. Dit is de fundamenteelste passus in uw tekst, omdat u hier moet uitleggen wat volgens u en uw christelijke geestesgenoten de zin van het lijden is, een zin die voor mensen als Claus en zijn humanistische geestesgenoten inderdaad onbestaande is.

Voor vrijzinnige humanisten is het onnoemelijke leed van een onomkeerbaar aftakelingsproces - ik denk aan de laatste maanden en beelden uit het leven van paus Johannes Paulus II bijvoorbeeld - zinloos en mensonterend. Over deze fundamentele kwestie is tussen gelovigen en niet-gelovigen geen consensus mogelijk. Dit is een breuklijn, een kloof.

Maar wat doet u in deze passus? U verklaart de zin van het lijden door te verwijzen naar de zin die dit lijden kan hebben voor anderen, namelijk voor de medemens die zich uitgenodigd weet om de lijdende te helpen. Maar dat is niet de essentie natuurlijk, de essentie is: wat is de zin van het lijden voor de lijdende? Precies omdat u op deze vraag het antwoord schuldig blijft, omdat u in de loop van één terminale zin op bijna slinkse wijze de vraag van de zingeving verplaatst van de lijdende mens naar de medemens - vond ik uw betoog niet alleen een aanslag op het menselijk taalgevoel maar ook een intellectuele belediging. Nogmaals: ik spreek u niet aan op uw christelijke overtuiging, ik spreek u aan op de kwaliteit van uw redenering en uw stijl. U denkt zo beroerd en schrijft zo belabberd dat u niet eens de kern van uw eigen geloofsovertuiging op een heldere en aannemelijke wijze kunt verwoorden. Ik dacht daareven: als katholieke gezagsdragers in deze tijd hun wereldbeeld en hun ethiek niet overtuigender meer kunnen formuleren dan Broeder Stockman, dan hoeven we uit die hoek niets meer te vrezen.

Na die volstrekt inadequate alinea over het menselijk lijden, ontspoorde uw artikel in kreten en karikaturen die een nauwkeurige weerlegging niet eens verdienen. U had het over “de arrogantie” van “een bepaalde groep in de samenleving” die “pretendeert de norm voor de gehele samenleving te bezitten” en die wenst “op te dringen aan eenieder”. In zijn reactie op uw stuk, diezelfde dag verschenen, heeft Etienne Vermeersch de aperte onwaarheid van dergelijke beweringen nog maar eens aangeklaagd. Hij schreef onder meer: “Wellicht gaan zij die aan anderen eeuwenlang een eenheidsdenken over leven en dood hebben opgelegd, ervan uit dat iedereen die voor zichzelf - en alleen voor zichzelf - een andere visie ontwikkelt, die meteen ook aan anderen wil opdringen. Dogmatici denken blijkbaar dat iedereen die een afwijkende mening heeft, ook zelf een dogmaticus wil zijn.” Misschien moet u hierover toch eens even goed nadenken.

“Onder de mom van vrijheid van mening worden we gedwongen een opgedrongen mening in vrijheid over te nemen” schreef u nog. Maar u bent het beste tegenbewijs van wat u hier beweert. U neemt namelijk helemaal niets over. Het feit dat u uw afwijkende mening toch maar mooi in een mainstream massamedium kon publiceren en daarmee behoorlijk wat persaandacht voor uw standpunten en uw kritiek genereerde, logenstraft wat u in deze sikkeneurige en pruilerige passage bijna zegt, namelijk dat er vandaag in Vlaanderen een soort cordon médiatique zou bestaan dat u en de uwen verhindert uw mening te uiten. De publicatie van uw lamentabele tekst getuigt juist van extreme journalistieke tolerantie.

Tot slot, uw suggestie dat Claus’ besluit en de mediareacties neerkomen op een “ode aan het leven van de volmaakten, van de succesvollen” is wel bijzonder pijnlijk voor iedereen die ooit ook maar een heel klein beetje kennis heeft genomen van Claus’ werk. Ik ken niet veel schrijvers of dichters in onze literatuur in wier werk het onvolkomene, het gebrekkige en het kwetsbare van het menselijk bestaan met zoveel luciditeit, mededogen en ja, liefde is vormgegeven als in het werk van Claus. Dit veelkantige oeuvre is een woedende ode aan de kleine mens, de bange, stamelende, altijd struikelende en telkens weer overeind krabbelende mens. Dit is een oeuvre trouw aan de aarde, zou Albert Camus hebben gezegd. Het is een oeuvre met hoogten en laagten, jazeker, maar het is mij in ieder geval oneindig veel dierbaarder dan uw wellicht niet eens malicieus bedoelde maar o zo ondermaatse geneuzel.

28 februari 2008

Waarom de verfilming van De vliegeraar niet deugt

Het boek is beter dan de film: dat geldt voor bijna alle verfilmingen van grote romans - van Lolita tot L’amant, van The Sheltering Sky tot Het parfum, van The Scarlet Letter tot The Great Gatsby. (Wat niet wil zeggen dat verfilmingen van romans noodzakelijk slechte films opleveren. Ik vond The French Lieutenant’s Woman destijds en The English Patient bijvoorbeeld op zich wel geslaagde films.)

Dat geldt ook voor The Kite Runner, in het Nederlands vertaald als De vliegeraar, de hartverscheurende bestseller van de Amerikaans-Afghaanse schrijver-arts Khaled Hosseini, een boek uit 2003 dat nu is verfilmd door de Amerikaanse regisseur Marc Forster. Maar waarom is het boek dan beter? En waarom werden bepaalde elementen uit de roman in de film weggelaten?

Uiteraard is het niet mogelijk om de hele anekdotiek van een roman die 350 bladzijden beslaat in beeldtaal om te zetten en te vatten in anderhalf of twee uur film. Verfilmingen couperen vrijwel altijd. Maar in het geval van De vliegeraar hebben die coupures soms tot gevolg dat de film ideologisch iets anders vertelt dan de roman. De weglatingen krijgen daardoor iets van verzwijgingen, waardoor de akelige indruk ontstaat dat de film het boek censureert.

Hosseini vertelt het verhaal van twee jongetjes, Amir en Hassan, die opgroeien in het Kaboel van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Amir behoort tot de upper class van Afghanistan, de (sjiïtische) Pashtun, Hassan behoort tot de (soennitische) Hazara’s, de basse classe van Afghanistan, een beetje vergelijkbaar met de Paravans in Indië. Hassan en zijn vader Ali zijn het huispersoneel van Amir en zijn vader Baba. Ondanks het absolute klasseverschil groeien de twee jongetjes samen op. Vriendschap is sterker dan culturele en socio-economische barrières, zo lijkt het in het begin van het boek. Maar die illusie gaat aan diggelen wanneer de twee jongens te maken krijgen met “de blonde, blauwogige Assef”, een stuitend upper class joch dat opgroeit in de kringen van Daoud Kahn, de man die in juli 1973 een einde maakte aan het koningschap van Zahir Shah en in Afghanistan de republiek installeerde. Assef mag andere kinderen in de chique Wazir Akbar Khan-wijk graag terroriseren. In het boek heeft Assef “een Duitse moeder en een Afghaanse vader” en een grote bewondering voor Adolf Hitler. “Dat was nog eens een leider,” bralt hij tijdens een vervelende ontmoeting met Amir en Hassan op straat, “een groot leider. Een man met visie.” Vervolgens schrijft Hosseini over Assef: “Zijn blauwe ogen schoten naar Hassan. ‘Afghanistan is het land van de Pashtun. Dat is altijd zo geweest en dat zal altijd zo blijven. Wij zijn de ware Afghanen, de zuivere Afghanen, en niet die platneus daar (hij bedoelt de Hazara Hassan - fa). Zijn volk bezoedelt ons vaderland, onze watan. Zij bezoedelen ons bloed. Afghanistan voor de Pashtun, zeg ik.’ ”

Hosseini vermengt het nationalistische vertoog van de elitaire Pashtun met het racistische Blut und Boden-discours van Hitlers Derde Rijk. Dat is in het boek geen onbelangrijk detail, aangezien Yussef veel later in het verhaal een talib blijkt te zijn geworden, die tijdens het terreurregime van de Taliban overspeligen stenigt in het Ghazi-voetbalstadion en met jonge jongetjes knoeit. De boodschap van de roman is hier erg duidelijk, op het didactische af: de Taliban zijn de nazi’s van Afghanistan.

Die heftige associatie is in de film volkomen uitgewist. Yussef is er een gewone, weliswaar vervelende maar in ieder geval niet langer blauwogige slungel. In het boek krijgt Amir op zijn verjaardagsfeestje van Assef een biografie van Hitler cadeau. (Assef is op dat feestje aanwezig omdat zijn vader en Amirs vader vrienden zijn.) In de film is er van een Hitlerbiografie geen sprake. In het boek bepotelt talib Yussef een weesjongetje (het zoontje van Hassan), in de film is die scène verproperd. Ook de stenigingsscène is in de roman vele malen ondraaglijker dan in de film.

De meeste weglatingen in de film zijn minder problematisch, en hebben slechts tot gevolg dat de film hier en daar minder helder, minder geloofwaardig overkomt dan het verhaal in het boek. Hoewel: de radicaliteit van het klassenconflict in de Afghaanse maatschappij is behoorlijk afgezwakt, net zoals Amirs alles bepalende vadercomplex. Ook het feit dat Amir en Hassan als zuigeling aan dezelfde min hebben gehangen, blijft in de film onvermeld. In de film lijkt het bovendien erg makkelijk om uit een talibankamp te ontsnappen, en is ook de hele poging van Amir om Hassans zoontje uit de klauwen van de Taliban te redden zodanig vereenvoudigd dat het lachwekkend wordt.

Maar meer dan al deze teleurstellende ingrepen is het de opvallende, radicale de-nazificatie van het boek die ernstige vragen opwerpt. Is het mogelijk dat deze laag uit het verhaal is weggehaald uit angst voor woedende reacties in Afghanistan en andere moslimlanden? (Volgens het blad Filmmagie is The Kite Runner “een van de eerste Hollywoodfilms, zoniet de eerste, waarin uitsluitend moslims acteren.”) Per slot van rekening is de release van de film uitgesteld totdat de Afghaanse acteurs die de verkrachtingsscène spelen in veiligheid waren gebracht - bang als de makers van de film waren voor ‘Deense toestanden’ - represailles van Afghaanse fundamentalisten die geen onderscheid maken tussen acteurs en de rollen die acteurs spelen.

Is het denkbaar dat overwegingen van commercieel-tactische aard ertoe hebben geleid dat de film het boek censureert en dus verminkt? En wat te denken van een schrijver die toestaat dat zijn boek op een dergelijke, neutraliserende manier wordt verfilmd?

21 februari 2008

God is niet dood

In een pub in Oxford las de Britse Europa-specialist Larry Siedentop een graffiti die volgens hem ook op de activiteiten van de Europese Unie van toepassing is:

'God is niet dood maar werkt tijdelijk aan een minder ambitieus project.'

(Gelezen in Paleis Europa, De Bezige Bij 2007)

14 februari 2008

"Vlaanderen is nu alleen nog voor Vlaanderen"

Jacques De Decker over de journalistieke onthullingen in De Standaard en de politieke malaise.

Maandagavond 11 februari zat ik aan een Brusselse tafel te praten met Jacques De Decker, journalist bij Le Soir, schrijver, essayist, vertaler, en een van de best geïnformeerde, perfect tweetalige Belgen uit het zuidelijke landsdeel. We hadden het onder meer over de opmerkelijke artikelenreeks in De Standaard over de mislukte regeringsformatie van Leterme en vooral over het politieke gekonkel in de coulissen van de macht. Jacques De Decker kent het Belgische Hof goed en hij weet ook zeer goed wat er leeft in Franstalige intellectuele en journalistieke middens. Het leek me daarom niet oninteressant zijn meningen over een en ander op te tekenen - met medeweten en goedvinden van mijn tafelgenoot.

Waarom denkt u dat De Standaard nu met zo’n reeks komt?
De Decker: “Vorige week hebben vele journalisten op verschillende redacties een paar dagen vakantie genomen. Vele politici hebben trouwens hetzelfde gedaan. Men heeft dus voor deze “achter de schermen”-formule gekozen om pagina’s te vullen met een materie die sedert deze crisis zeer rendabel is geworden. Politiek verkoopt in de kwaliteitskranten. De Standaard, De Morgen en Le Soir zijn de enige gazetten die de laatste maanden meer verkocht hebben, omdat de lezers meer dans ooit geboeid zijn door de politieke thriller die we iedere dag in feuilleton-vorm voorgeschoteld krijgen. De Standaard heeft ervoor gekozen om een schok-formule toe te passen: “We gaan vertellen wat alleen in de oren van de ingewijden gefluisterd wordt.” Ze hebben hun doel bereikt: in mijn krantenwinkel vanmorgen was er geen Standaard meer te vinden. De politici verkopen beter dan de sterren van de show-business. Joëlle Milquet is in het zuiden van België een soort Madonna aan het worden.”

Het problematische van dit soort journalistiek is dat een van de hardst aangevallen personen, namelijk de koning, niet kan reageren. Of vindt u dat de vorst, nu het vertrouwelijke karakter van zijn werk door politici en pers is geschonden, ook maar meteen vrijuit moet spreken?
De Decker: “Dat is juist het onaanvaardbare van deze methoden. De koning mag niet reageren, en hij zal het ook niet doen. Hij weet dat hij een symbolische rol speelt, en symbolen mogen geen polemiek voeren. Maar de politici in dit land weten zeer goed dat ze, zodra ze een uitnodiging bij de koning aanvaarden, die symbolische orde ook horen te respecteren. Nu is het zo dat men in bepaalde milieus een hekel heeft aan dat symbolische. Ik denk bijvoorbeeld aan de rexisten, die het voor de tweede wereldoorlog al zeer leuk vonden om foto’s te gaan maken in vrijmetselarentempels. Demagogen en populisten gaan ook graag deze weg op. Het verhaal van Bart De Wever over zijn gesprek met de koning kun je in dit kader terugplaatsen.”

Hoe reageert de Franstalige pers op deze duidelijk geënsceneerde indiscreties?
De Decker: “Zeer heftig. Dat is niet verwonderlijk. Volgens de Franstaligen zijn hier ongeschreven spelregels geschonden die aan de basis liggen van het Belgische contrat social. Men heeft de indruk dat die regels in Vlaanderen worden beschouwd als de overblijfselen van een voorbijgestreefd België. Zoals de Brabançonne, bijvoorbeeld. De Vlaamse mythologie heeft in het Noorden van het land de Belgische symbolen overschaduwd.”

Wat verwacht u dat er zal gebeuren als er op 23 maart geen nieuwe regering komt?
De Decker: “Wie kan daarop antwoorden? Is België nog een gelovig land? Vroeger had men in Vlaanderen voor een nieuwe regering gebeden. Maar Vlaanderen is niet meer voor Christus hé, Vlaanderen is nu uitsluitend nog voor Vlaanderen.”

Uitgerekend deze week viert Vlaanderen de 25ste verjaardag van Hugo Claus’ “Het verdriet van België”, misschien wel de grootste roman die ooit over dit land is geschreven. U bent een groot bewonderaar en kenner van Claus’ oeuvre. Wat denkt u van zijn werk in deze dagen, nu politiek wanbeheer dit land naar de afgrond lijkt te voeren?
De Decker: “Claus heeft alles voorzien. Nog meer in De Verwondering of in zijn Leven en werken van Leopold II dan in Het verdriet van België. Zijn helderziendheid is indrukwekkend. Hij heeft dit land begrepen en doorzien zoals Joyce Ierland, Thomas Bernhardt Oostenrijk of Leonardo Sciascia Sicilië. Vlaanderen heeft ook haar gigantische auteur die haar niets vergeeft. Maar wordt hij nog voldoende gelezen?”

31 januari 2008

Zou John F. Kennedy voor Obama stemmen?

De Kennedy’s hebben democratische presidentskandidaat Barack Obama ondubbelzinnig geadopteerd als politieke erfgenaam van hun vermoorde broer en vader, president John F. Kennedy. Maar zou John F. Kennedy dat nu leuk hebben gevonden? Zou hijzelf voor Obama stemmen?
De steun van de Kennedy’s is een pijnlijk compliment voor de mediagenieke senator uit Illinois. Achter de mythe JFK schuilt immers veel onfraais. Martin Luther King wist er alles van. Enige kritische bedenkingen aan de vooravond van Super Tuesday.


Het was een opzienbarend bericht, eerder deze week, in de toch al zo verrassende verkiezingscampagne voor het Amerikaanse presidentschap: de Kennedy’s hebben besloten hun politieke steun te verlenen aan Barack Obama en niet aan Hilary Clinton, echtgenote van de grootste Kennedy-imitator uit de recente politieke geschiedenis van de VS. In een opmerkelijk opiniestuk afgelopen zondag in The New York Times bezong JFK’s dochter Caroline de senator uit Illinois op lyrische wijze. Ze besloot haar lofzang met volgende woorden: “I have never had a president who inspired me the way people tell me that my father inspired them. But for the first time, I believe I have found the man who could be that president — not just for me, but for a new generation of Americans.”

Caroline’s homage bevatte ook een zeer intrigerend zinnetje. “I want a president,” schreef ze, “who holds himself, and those around him, to the highest ethical standards.” Dat was opmerkelijk omdat “high ethical standards” nu niet meteen JFK’s voornaamste prioriteit waren. Dat weet zijn inmiddels vijftigjarige dochter natuurlijk ook. Dit zinnetje was dus ofwel een zoveelste bijdrage aan de mythische vervorming van wie Kennedy werkelijk was, ofwel was het een zeer bedekte kritiek op haar vaders presidentschap, en een subtiel verzoek aan Obama om het op dat vlak alvast beter te doen. De eerste verklaring is de waarschijnlijkste, de tweede de interessantste.


Een dag later trad senator Ted Kennedy zijn nichtje bij. In een speech voor studenten in Washington D.C. stelde hij Obama voor als de enige echte politieke erfgenaam van zijn in 1963 vermoorde broer. De retoriek was briljant, zoals het een Kennedy betaamt: There was another time, when another young candidate was running for President and challenging America to cross a New Frontier. He faced public criticism from the preceding Democratic President, who was widely respected in the party. Harry Truman said we needed “someone with greater experience”—and added: “May I urge you to be patient.” And John Kennedy replied: “The world is changing. The old ways will not do…It is time for a new generation of leadership.” So it is with Barack Obama.

De betekenis van de vergelijking met Truman was overduidelijk: Kennedy droeg in een en dezelfde alinea de Clintons politiek ten grave en duidde Obama aan als hun onontkoombare opvolger. En voor wie het nog niet had begrepen, voegde Kennedy eraan toe: “Obama is a fighter who cares passionately about the causes he believes in, without demonizing those who hold a different view.” Dat was een directe voor Bill Clinton, die volgens de patriarch der Kennedy’s de campagne de afgelopen weken heeft vervuild met racistische innuendo’s en andere smerigheden.

Door zijn vrouw een beetje te enthousiast te steunen - iets waar hij in het verleden niet altijd van kon worden beticht - heeft Bill Clinton zijn meest gegeerde vriend binnen het Democratische establishment naar het kamp van de tegenstander gejaagd. De broer van zijn idool JFK, naar wiens beeld hij zijn eigen presidentschap modelleerde, is nu een cruciale handlanger van rivaal Obama. De familie die hij zo bewonderde, de politicus wiens steun hem zo dierbaar was, zal straks misschien medeverantwoordelijk zijn voor de politieke dood van zijn vrouw. Veel dichter bij Shakespeare kun je in de hedendaagse politiek niet komen.


((Voor Bush' laatste State of the Union, afgelopen dinsdag in het Amerikaanse Congres, begroet Hillary Clinton Ted Kennedy, die een dag eerder zijn steun voor Obama heeft uitgesproken. Obama wendt het hoofd af. Foto's The New York Times)

Omarmd te worden door Amerika’s beroemdste - en meest tragische - politieke dynastie is een bonus waar Democratische kandidaten bij elke presidentsverkiezing naar hengelen. Doorgaans houden de Kennedy’s zich tijdens de voorverkiezingen afzijdig van het gewoel, en laten ze geen duidelijke politieke voorkeuren blijken. De symbolische betekenis van Ted Kennedy’s speech afgelopen maandag is dan ook buitengewoon groot. Plots leek Obama te baden in een bijna plechtig licht, alsof de gloed van Camelot op zijn schouders was neergedaald. Ook de politieke pers in de VS en elders klonk opgewonden, ja bijna opgelucht: eindelijk hebben de Kennedy’s zelf een waardige zoon gevonden voor een van Amerika’s meest populaire presidenten ooit, iemand die op geloofwaardige wijze in JFK’s voetsporen kan treden, ja, zelfs iemand die zijn werk kan verderzetten. In zekere zin is Obama de Kennedyzoon die JFK’s eigen zoon John John nooit is geworden. John John had volgens velen het presidentschap maar voor het grijpen. Golven van rouw en nostalgie zouden hem in de jaren tachtig of negentig van de vorige eeuw zo het Witte Huis hebben opgeleverd. Maar John John interesseerde zich niet voor politiek, hij is altijd een beetje een weke glamourboy gebleven, al is hij natuurlijk wel op zeer Kennedyeske wijze aan zijn einde gekomen - toen hij in slechte weersomstandigheden in een klein vliegtuigje nabij het eiland Martha’s Vineyard als een Icarus in zee stortte (19 juli 1999). Mooi, jong, verstandig en roekeloos - de jongen was erfelijk belast.

De euforische sfeer die de Kennedy’s in het kamp van Obama hebben gebracht, zou een mens doen vergeten dat de kennelijk ook vandaag nog steeds onverwoestbare mythe JFK een alles behalve fraaie werkelijkheid verbergt.

De tegenstelling tussen feiten en imago was wellicht het grootst op het fysieke vlak: de knappe, atletische, sportieve jongeman met de hagelwitte tanden, de elegante playboy die dankzij de moordaanslag op 22 november 1963 forever young zou blijven, was in werkelijkheid al lang voor hij het Witte Huis betrad een fysiek wrak. Kennedy leed al sinds september 1947 aan de ziekte van Addison (een insufficiëntie van de bijnierschors). In de jaren daarna kreeg hij ook steeds meer last van hoofdpijnen, ademhalingsprobemen, maagklachten, prostaatellende en vrijwel constante rugpijn. Kennedy onderging verschillende operaties, kreeg dagelijks injecties in zijn rug en slikte jarenlang iedere dag een halve apotheek: cortisone tegen Addison, en tegen alle andere kwalen Lomotil, Metamucil, Phenobarbital, Transentine en als toetje om te slapen Tuinal. Tijdens zijn jaren in het Witte Huis nam hij soms tot vijf keer per dag een hete douche, om de rugpijn een beetje draaglijker te maken. De gammele fysieke conditie van de president was een van de belangrijkste geheimen van zijn Administratie. Laten we hopen dat het Obama op dit vlak alvast beter vergaat.

***

(Uitweiding over Kennedy’s campagne)

De verkiezingscampagne duurde een halve eeuw geleden iets minder lang dan tegenwoordig. Kennedy maakte pas op 2 januari 1960 bekend dat hij dat jaar in november als Democratische kandidaat aan de presidentsverkiezingen wilde deelnemen. Daarvoor moest hij uiteraard eerst de nominatie van zijn partij zien te winnen. Dat is niet vanzelf gegaan. Kennedy moest afrekenen met zwaargewichten als Adlai Stevenson (die in 1952 en 1956 de presidentsverkiezingen had verloren van Eisenhower), Lyndon Johnson en Stuart Simington. Het establishment van de Democratische partij achtte de tweeënveertigjarige Kennedy te jong en onervaren voor het presidentschap.

Bovendien zorgde zijn katholieke achtergrond in vele lagen van de Amerikaanse bevolking voor een bijna hysterisch wantrouwen, ingegeven door de angst die vele protestantse Amerikanen al generaties lang koesterden, namelijk dat katholieken nooit betrouwbare republikeinen - niet in ideologische zin maar que staatkundige opvatting - kunnen zijn omdat ze nu eenmaal altijd twee meesters dienen: de republiek en de paus. Uit een enquête in mei 1959 bleek dat 24 % van de Amerikaanse kiezers nooit voor een katholiek zou stemmen, zelfs niet wanneer ze hem geschikt voor het presidentschap zou vinden. Ook Eleanor Roosevelt vroeg zich openlijk af of Kennedy als president wel zo oordeelkundig zou zijn om Kerk en Staat gescheiden te houden. Katholiek zijn was voor Kennedy wat “zwart” is voor Obama: een groot probleem in de ogen van het minder verlichte deel van de Amerikaanse bevolking, om het maar eens beleefd uit te drukken. Kennedy maakte er tijdens zijn campagne zelf grapjes over. Toen de methodistische bisschop Oxnam zei dat hij beducht was voor een katholiek in het Witte Huis omdat die “in constant touch with the pope” zou staan, antwoordde Kennedy dat hij, indien verkozen, Oxnam prompt tot persoonlijke afgezant bij het vaticaan zou benoemen, en de bisschop opdracht zou geven “to open negotiations for that Trans-Atlantic Tunnel immediately.”

Er waren maar zestien primaries. Voor de nominatie had je 761 afgevaardigden nodig. (Ter vergelijking: dit jaar moet je als Democratische presidentskandidaat de steun van 2025 afgevaardigden verwerven.) Kennedy haalde tijdens de eerste primary in New Hampshire - een staat die grenst aan zijn home state Massachusetts - meteen 85% van de stemmen. Hij won vervolgens ook Indiana en Nebraska zonder tegenstand. Toch was Kennedy nog steeds geen landelijke celebrity. Toen hij op campagne in het koude, winterse Wisconsin een taverne binnenstapte en zichzelf voorstelde met de woorden: “I’m John Kennedy and I’m running for President”, keek een van de stamgasten hem verbaasd aan en antwoordde: “President of what?” Maar op 5 april 1960 won Kennedy ook Wisconsin, ten nadele van zijn hardnekkigste rivaal, Hubert Humphrey. In de weken daarna - er was nog geen Super Tuesday in 1960 - veroverde Kennedy ook in West Virginia, Maryland en Oregon de meeste afgevaardigden. Op de Democratische Conventie in Los Angeles in juli 1960 werd hij als de officiële presidentskandidaat van de Democratische partij naar voren geschoven.

***

Ook op het inhoudelijke vlak zijn de tegenstellingen tussen de mythe JFK en de historische werkelijkheid van Kennedy’s presidentschap soms onthutsend. Zo was Kennedy hoegenaamd niet de progressieve, ja linkse ‘liberal’ waarvoor vele progressieven in het Democratische kamp - maar ook in Europa - hem houden. Kennedy was een keiharde communistenhater - zijn inaugurale rede is een toonbeeld van agressieve, provocerende Koude Oorlogretoriek - en een zeer pragmatisch politicus. Het eerste wat hij deed na zijn verkiezing was een belastingverlaging doorvoeren en het defensiebudget gevoelig verhogen - niet meteen beleidsdaden die wij met ‘links’ plegen te associëren. Kennedy distantieerde zichzelf trouwens nadrukkelijk van de ‘liberals’ in zijn partij. “I am not a liberal at all,” zei hij toen hij nog maar tot senator was verkozen, “I’m a realist.” Helemaal iets anders dus dan de bevlogen visionair die zo vaak uit zijn speeches opklonk, maar waarvan in zijn politieke daden bitter weinig te bespeuren valt. Tijdens zijn jaren als Amerikaans senator heeft hij trouwens geen enkel wetgevend werk van enige betekenis verricht.

Iemand met het gedachtengoed van Kennedy zou in de Amerikaanse politieke constellatie van vandaag nooit op de Democratische partij stemmen. Vandaag zou John F. Kennedy een gematigd republikein zijn. Hij zou eerder voort McCain dan voor Obama stemmen.

Het pijnlijkst aan de roekeloze vergelijking van Obama met JFk heeft te maken met een fundamenteel element in deze campagne: de race issue. Even recapituleren: op 7 januari suggereerde Hillary Clinton dat het Lyndon Johnnson is geweest - de democratische opvolger van Kennedy - die een aantal plannen en dromen van Martin Luther King heeft gerealiseerd. Met die opmerking - die historisch volkomen juist is - leek Hillary iets geringschattends te hebben geïnsinueerd over de verdiensten van de al even mythische Martin Luther King. Dat was in ieder geval de perceptie van vele progressieven, zowel blank als zwart, bij wie de Clintons het toen hebben verbruid. Het was ook het begin van de steeds bitsiger wordende duels tussen het Clintonkamp en het Obamakamp over de rol van race en gender in deze campagne. De heftige reacties op Hillary’s buitengewoon rustige, gematigde opmerking toont aan hoe vreselijk gevoelig de ethnische kwestie in de VS nog steeds is. Meer dan waarschijnlijk hebben nogal wat Afrikaanse Amerikanen naar aanleiding van Clintons zogezegde gaffe besloten zich helemaal achter Obama te scharen, bijna als een soort eerherstel voor de onaanraakbare Martin Luther King.

Maar nu ontstaat een enigszins duizelingwekkend imbroglio. Immers, JFK zelf was niet meteen een groot fan van Martin Luther King. Zo was King niet uitgenodigd op Kennedy’s Inauguratie, en evenmin op een meeting met burgerrechtenactivisten die twee maanden later plaatsvond in het kantoor van minister van justitie Bobby Kennedy. De president had geen hart voor de burgerrechtenbeweging waarvan King het bezielende boegbeeld was. Dat had King zelf ook al gauw in de smiezen. “The moral passion is missing,” zei hij toen JFK nog maar een paar maanden in het Witte Huis zat. JFK was een rijkeluiszoontje uit Boston dat zich bij de werkelijkheid van de rassensegregatie in het Zuiden volstrekt niets kon voorstellen. Pas toen de spanningen in 1963 in Birmingham Alabama kritiek werden, begon Kennedy de civil rights-kwestie ernstig te nemen.

Eén ding hadden King en Kennedy wel gemeen: ze gingen allebei vreemd. Edgar Hoover, de min of meer krankzinnige directeur van de FBI, wilde King laten bespioneren en zijn gesprekken afluisteren, in de hoop hem op die manier vroeg of laat fataal te kunnen compromitteren. Bobby Kennedy - Hoovers baas - was daar aanvankelijk niet zo enthousiast over. Maar Hoover, een seksueel verknipte eenzaat die de liederlijke Kennedy’s haatte, had een indrukwekkend dossier over John F. Kennedy’s seksuele escapades gedurende vele jaren. Het zou voor Hoover een koud kunstje zijn geweest om JFK's carrière te torpederen. En dus stemden de broers uit Boston ermee in dat Martin Luther King werd afgeluisterd door de FBI, in ruil voor absolute discretie van de FBI-baas over de promiscuïteit en de seksfuiven van de president.

Een mens hoeft geen puriteins moraalridder te zijn om te begrijpen dat, in het harde licht van de féiten en niet in de gouden glans van de mythe, de vergelijking met JFK niet bepaald flatteus is voor de jonge senator uit Illinois die nu een gooi doet naar het Amerikaanse presidentschap.

We hebben nu dus een zeer verwarrende, bijna hilarische situatie: de Clintons, die de Kennedy’s bewonderen, hebben zogenaamd Martin Luther King beledigd. Daarop ontstond een verharding in de campagne, met als gevolg dat Obama de steun kreeg van gegriefde Martin Luther Kingaanhangers, én van de Kennedy’s, die nu boos zijn op de Clintons en Obama hebben omhelsd als de politieke erfgenaam van John F. Kennedy, de president die Martin Luther King liet bespioneren en hem een aantal keren flink heeft vernederd.

Natuurlijk zou het mooi zijn als Obama de eerste zwarte president wordt - zoals Kennedy de eerste katholieke president was. Maar daar mag de vergelijking ophouden. Want het beeld van JFK dat nu voor de zoveelste maal in de internationale media weer wordt opgehangen, klopt van geen meter. De Kennedy’s hebben Obama met een giftige lauwerkrans omhangen.

15 januari 2008

Quo vadis Belgica?

Ja, ik heb ze gelezen en gezien en gehoord de afgelopen maanden: de voorstanders van België en de voorstanders van een onafhankelijk Vlaanderen, de Walenuitdrijvers en de minnaars van het surrealistische koninkrijk, de linksen en de rechtsen, de separatisten, de federalisten, de confederalisten, de unionisten, de belgicisten, de argumenten pro, de argumenten tegen, de oproepen, de afwijzingen, de blauwdrukken, de manifesten, de tirades, de apologieën en de grafredes.

Honderden teksten en gesprekken, duizenden woorden voor en duizenden tegen, en wat is het resultaat van al dit lezen en praten en tobben en discussiëren?

Dat ik het niet weet. Dat ik het minder dan ooit weet. De ene dag dein ik mee met de redenering van de separatist die rustig en duidelijk uitlegt waarom België geen zin meer heeft, en een dag later zit ik even instemmend het vertoog te lezen van de antiseparatist die met niet minder zinnige argumenten de droom van een bonzairepubliek Vlaanderen weer afschiet.

Ik voel me een weerhaan, een kameleon, een dobber, een kurk op de baren van voor en tegen. Ellende. Heerlijk moet het zijn om in deze fundamentele kwestie een ondubbelzinnige positie te kunnen innemen, om echt helemaal radicaal honderd procent overtuigd te zijn van je eigen gelijk en dus ook van het ongelijk van “de anderen”. Om niet de hele tijd heen en weer te laveren zoals ik nu al maanden doe, voorwaar een vermoeiend gevoel, vooral als je in Duisburg woont, deelgemeente van Tervuren, vlakbij de taalgrens, de linguïstische frontlijn loopt dwars door mijn zolderraam, de horizon spreekt Frans.

Proeve van gezigzag.

Op een middag tussen kerst en nieuwjaar sta ik in het postkantoor van Tervuren in de rij. Voor mij twee slungels van een jaar of vijftien. Ik hoor ze onder elkaar Frans mommelen. Benieuwd wat Martine zal zeggen, denk ik bij mezelf. Martine is onze loketbeambte. De jongens komen een aangetekende zending ophalen. Martine kijkt naar de identiteitskaart van een van de jongens en zegt: ‘Je bent te jong, je moet vijftien zijn om aangetekende zendingen te kunnen ophalen.’ Antwoordt de jongen: ‘Vous parlez français?’ ‘Ja,’ zegt Martine, ‘ik spreek Frans, maar hier niet, Tervuren is een Vlaamse gemeente.’ Zegt ene jongen tegen andere: ‘Qu’est-ce qu’elle dit?’ De andere: ‘Elle dit qu’il faut avoir quinze ans.’ De al dan niet werkelijk monoglotte tiener doet nog even alsof hij het ook niet kan helpen dat hij geen Nederlands kent, maar Martine geeft geen krimp. Onverrichter zake druipen de twee af. Mijn hart springt op. Martine! Wat geweldig, zo doortastend! You’re a hero! Ik had haar kunnen zoenen. Oprispingen van flamingante retoriek. Wat denken die francofone ettertjes wel. Een beetje Kroaat bij een Vlaamse voetbalclub babbelt na een half seizoen een mondje Nederlands (nou ja, Vloms), maar de Franstalige tienertjes die opgroeien in Tervuren, oh nee, desolé. Fucking bourgeoisie. Oprotten allemaal. Ik koop twee keer meer zegels dan ik nodig had en verlaat het postkantoor als een overtuigde, ja lichtjes fanatieke separatist.

Een dag of tien later. Net voor het begin van de Octopusgesprekken lanceert Elio Di Rupo het idee van de talentelling in Brussel en de Rand. Laten we de mensen daar eens vragen of ze Frans of Nederlands spreken, en of ze liever tot Brussel zouden behoren dan wel tot Vlaanderen, aldus het voorstel van ‘het strikje’. Meteen staan alle Vlamingen op hun achterste poten. Een onaanvaardbaar voorstel vinden ze het. In De Zevende Dag op zondag 13 januari werd het voorstel van Di Rupo een provocatie genoemd, we hebben de taalwetten “in 1962” nu eenmaal vastgelegd en daar valt niet aan te tornen. Het was niet een of andere benepen Belanger die dit zei maar Magda Aelvoet, een van de intelligentste politici van wijlen Agalev. Vaststelling: zodra het over de taalgrens gaat, verdampen in Vlaanderen alle ideologische verschillen tussen links en rechts, dan klampt de hele politieke kaste zich vast aan het territoriumbeginsel, en vervallen zelfs verlichte politici als Aelvoet in een hyperconservatief discours, dat aan de huidige toestand niets wenst te veranderen omdat we die grens bijna vijftig jaar geleden nu eenmaal zo hebben vastgelegd. Het bestaan van een regel verantwoorden door te stellen dat die regel er nu eenmaal is, getuigt niet bepaald van lenig laat staan progressief denkvermogen.

Jazeker, ik verafschuw het hautaine, zelfgenoegzame gedrag van vele Franstaligen in de Brusselse Rand - leve Martine! - maar tegelijkertijd heeft dat mordicus vasthouden van de Vlamingen aan de taalwetten van een halve eeuw geleden iets krampachtigs, iets reactionairs, ja, iets ondemocratisch. Met alle liefde voor mijn taal- en cultuurgenoten, maar als in Kraainem 90% van de bevolking nu Frans spreekt -en dat was toen de taalwetten werden geschreven absoluut niet het geval - wel, dan is Kraainem nu een Franstalige gemeente, punt uit. Je kunt dat betreuren, maar je kunt het niet loochenen. Natuurlijk hebben mensen te gehoorzamen aan de wetten van het land waar ze wonen, maar wetten horen ook veranderlijk te zijn. Met landen of regimes die principieel weigeren hun wetten aan een veranderende werkelijkheid aan te passen - en dat is wat de Vlamingen in de discussie over de taalgrens steevast doen - loopt het zelden goed af.

Ter vergelijking: in de Verenigde Staten wordt iedere tien jaar een volkstelling gehouden. De gevolgen van deze zogenaamde federal census zijn niet gering, want mede hierdoor wordt beslist hoeveel vertegenwoordigers de staten krijgen in het House of Representatives. (Elke Amerikaanse staat heeft twee senatoren, maar het aantal volksvertegenwoordigers dat een staat mag afvaardigen hangt af van de populatie van de staat.) In de VS bestaat dus een rechtstreeks verband tussen demografische verschuivingen en de politieke machtsverhoudingen tussen de staten. Dat lijkt me in ieder geval democratischer dan de Vlaamse weigering om de demografische werkelijkheid in de Brusselse Rand te erkennen. Ik zeg het à contrecoeur, maar als de Franstalige gemeenschap in Wezembeek-Oppem een meerderheid vormt, belastingen betaalt en zich verder aan de regels en de wetten houdt, dan kun je zo’n meerderheid toch niet eeuwig blijven verbieden in publieke aangelegenheden haar eigen taal te spreken?

Overigens begrijp ik niet hoe die verfransing van de Rand nu eigenlijk functioneert. Iedereen weet dat de Rand rond Brussel peperduur is en iedereen weet ook dat de Vlamingen economisch welvarender, koopkrachtiger zijn dan de Franstaligen - toch verfranst de Rand. Hoe kan dat? Hoe kan het relatief armere deel van de bevolking gemeenten in de duurste regio van het land inpalmen? Waar zijn al die Vlamingen die hier vroeger de meerderheid vormden dan naartoe? Ik zie drie mogelijkheden: verhuisd, gestorven of verfranst. Er is me dunkt maar één manier om de Brusselse Rand op democratische wijze Vlaams te houden (of weer te maken): niet door je krampachtig vast te klampen aan moreel niet langer houdbare wetten, maar door er te gaan wonen. En Nederlands te blijven spreken.

Zo dobber ik nu al maanden rond. Niet in staat een van beide onverzoenlijke standpunten ondubbelzinnig te onderschrijven, heen en weer drijvend tussen afkeer van het franskiljonse joeng in het postkantoor - leve Vlaanderen! - en een niet minder grote afkeer van het halsstarrige bodemdenken dat alle Vlaamse politici met elkaar verenigt in één grote, ondemocratische kramp. Leve België ! Onontkoombaar en zeer Belgisch besluit: ik ben voor en tegen de afschaffing en het voortbestaan van België.

17 december 2007

Dom cadeautje bij De Standaard

Toen de RTBF vorig jaar in december zijn inmiddels roemruchte nepjournaal ‘Bye Bye Belgium’ uitzond, kwam De Standaard woorden tekort om haar afkeer van deze journalistieke ‘grap’ te uiten. De krant vond het een “domme uitzending”, bulkend van ergerlijke clichés en karikaturen, een “misplaatste stunt”. In Vlaanderen was er slechts één partij die deze barre vorm van journalistiek de dag nadien toejuichte, namelijk het Vlaams Belang. Dat vond de krant niet verbazend. “De uitzending was inderdaad een perfect verlengstuk van de eenzijdige en kortzichtige visie van deze partij op de staatsontwikkeling,” zo heette het. ‘Bye Bye Belgium’ was waardeloze journalistiek en “dodelijk voor de geloofwaardigheid van de media”.

Of de uitzending van dat overigens schitterend gemaakte nepjournaal nu wel zo’n goed idee was voor een openbare omroep, daarover liepen en lopen de meningen uiteen. Maar het was natuurlijk wel de spraakmakendste televisie-uitzending van het afgelopen jaar, een programma bovendien waarvan de strekking in het licht van de politieke evolutie van de afgelopen zes maanden niet bepaald minder relevant is geworden. Dat is de dienst marketing van De Standaard uiteraard ook niet ontgaan.

Want kijk: een jaar later, afgelopen zaterdag, zat in diezelfde krant een bon waarmee je bij de filialen van de Standaardboekhandel een dvd van ‘Bye bye Belgium’ kon afhalen. Gratis.

Opmerkelijk toch, dat een krant extra kopers zoekt door gratis een reportage aan te bieden die ze een jaar geleden zelf erg “dom” vond en waarvan ze de “eenzijdige en armtierige benadering” ten zeerste betreurde. Aan de inhoud van die eenzijdige en armtierige reportage is namelijk niets veranderd. Wél veranderd is zeg maar de cultuursociologische betekenis van deze reportage. Die veranderde betekenis is misschien ook commercieel uit te buiten, moeten de Coreliomarketeers hebben gedacht.

En zo kon het dat een reportage die De Standaard vorig jaar neersabelde als Vlaams Belangjournalistiek, twaalf maanden later de lezers van diezelfde krant doodleuk als cadeautje werd aangeboden. Zonder enige duiding, verklaring, contextualisering. Of hoe marketingstrategieën soms veel dodelijker kunnen zijn voor de “geloofwaardigheid van de media” dan alle hysterische, simplistische Franstalige journalisten bij elkaar.