31 maart 2010

Dit morose land

Drie weken geleden kon u hier (en in Knack) kennis nemen van een paar maatregelen die ik als verlicht despoot per direct zou treffen om dit morose land te redden van de totale kladderadatsch. ("Mijn laatste droom", zie hieronder) Mijn programma heeft de bevolking blijkbaar aangesproken. Uit de vele tienduizenden reacties die ik mocht ontvangen gutste enthousiasme. Hier en daar een reactionaire romanticus die iets kwebbelde over democratisch deficit, maar de meeste mensen snakken duidelijk naar het verlicht despotische regime dat ik hier voorstelde.

Met name mijn plan om een staatskrant op te richten heeft brede lagen van de bevolking weer hoop gegeven. In verbolgen mails en brieven ventten vele medeburgers hun ontevredenheid over de kwaliteit van de kwaliteitspers. De mensen ergeren zich aan al die beledigende simplismen, overbodige herhalingen, betwistbare en soms ronduit bizarre keuzes en klemtonen.


Voorbeeld: tien jaar geleden overleed de Vlaamse journalist Johan Anthierens. Dat werd de afgelopen weken in vele Vlaamse media uitvoerig herdacht. Maar vijfentwintig jaar geleden kwam in de USSR Mikhaïl Gorbatsjov aan de macht, wat het begin betekende van de meest ingrijpende omwenteling in de politieke geschiedenis van Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.
Daarover heeft u niets maar dan ook werkelijk niets van betekenis vernomen in de vaderlandse pers. Terwijl je toch geen verlicht despoot moet zijn om te beseffen dat – enfin. En als we dan toch kalenderjournalistiek bedrijven: in januari was Albert Camus vijftig jaar dood. Ook daarover is in onze pers niet één interessant stuk verschenen.

Ik mocht ook talloze spontane sollicitaties voor mijn staatskrant ontvangen, vooral van de betere journalisten die momenteel nog werkzaam zijn op de redacties van De Morgen, De Standaard en de vrt-nieuwsdienst. Allen zeiden te smachten naar een soort Vlaamse International Herald Tribune: een kleine, fijne topkrant, uitstekende pennen, verrukkelijk saaie vormgeving, achttien pagina’s per dag, geen komma meer.

Bij de vrt werken trouwens een paar hardleerse provincialen. In mijn beleidsverklaring had ik zweepslagen beloofd voor journalisten die in nationale nieuwsbulletins nog zouden berichten over verdronken paarden of brandende frituren. Mijn woorden waren nog niet gedrukt of op de site van deredactie.be was het weer prijs: “In Oud-Turnhout is een paard afgemaakt nadat het was aangereden door een quad.” (7 maart) 15 maart, zelfde site: “In Zutendaal is gisteren een ruiter om het leven gekomen tijdens een paardenevenement.” 20 maart: “In Arendonk zijn vanmiddag een paard, een man en zijn koets in het kanaal terechtgekomen.” Wat is dat met paarden op de vrt? Leven wij hier in een manège of zo? En als dit nationaal nieuws hoort te zijn volgens de Vlaamse openbare omroep, wat zou dan regionaal nieuws zijn?

Ook een despoot heeft twijfels. Zo ben ik er nog steeds niet uit of ik Vlaanderen onafhankelijk zou verklaren of niet. Misschien zouden de Vlamingen meer op hun gemak zijn als ze gewoon onder elkaar waren. Samen naar de koers kijken, pintje pakken, alles goed met de kinderen? Gemoedelijke, beetje schichtige mensen, niets kwaads in de zin – totdat er in Le Soir een beroerd opiniestukje verschijnt tegen de Vlaamse wooncode, geïllustreerd met een foto van een massagraf in Nigeria – slachtoffers van etnische zuiveringen. Bart de Wever was zo verstandig om de bevolking te attenderen op iets waarvan geen Vlaming het bestaan vermoedde, namelijk een slecht opiniestuk in een Franstalige gazet. ‘Le Soir is een haatdragende krant,’ verklaarde de boeddha van de Vlaamse verongelijktheid, en diende prompt een klacht in bij het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding. Waarop Bieke van Le Soir dan weer in alle Vlaamse media kwam janken dat De Wevers beschuldiging “beledigend, onterecht en onrechtvaardig” was. (Despoot slaakt diepe zucht:) Vlamingen en Franstaligen, nog altijd halen ze soms het slechtste, het kleinste, het zieligste in elkaar naar boven.

Was die foto overdreven? Natuurlijk was die foto overdreven. Maar overdrijven is een wezenlijk onderdeel van polemische communicatie en polemiek kun je net zo goed met beelden als met woorden voeren. In de context van dat stukje was er helemaal niks mis met die foto. Sterker, die foto heeft zeer goed gewerkt, als je ziet hoe de Vlaamse goegemeente zich erdoor heeft laten provoceren. Ik moest terugdenken aan Les Flamingants en de woedende verontwaardiging die dat scheldliedje van Jacques Brel hier ontketende, ruim dertig jaar geleden. Sommige Vlamingen hebben nog niets bijgeleerd.

10 maart 2010

Mijn laatste droom

Niemand vraagt mij nog wat ik later wil worden. Dat krijg je als je vijftig bent. Zoveel later heb je dan niet meer. Dat zeggen de mensen natuurlijk nooit in je gezicht, maar dat denken ze wel. En de mensen krijgen in deze wereld vaak gelijk, ook als ze het niet hebben. Maar tien jaar geleden hoorde ik die vraag ook al niet meer: wat wil je later worden? Wat ga je later doen? Terwijl ik toen toch nog behoorlijk wat later had. Kennelijk heeft die vraag een leeftijdsgrens, komt er een moment waarna het niet meer welvoeglijk is om iemand te vragen naar toekomstplannen die hij wellicht niet meer heeft, dromen die hij wellicht niet meer koestert, wegens - nou ja, te oud dus.

Toch heb ik nog één droom. Ik zou nog graag despoot worden. Verlicht natuurlijk, maar toch despoot. Ik vind dat ik daar nu de juiste leeftijd, de vereiste maturiteit voor heb. Despoot mag je niet te jong worden. Kijk naar Nero. Keizer op zijn zeventiende, dood op zijn eenendertigste. Liet een ontzettende puinzooi achter. Veel te jong aan de top gekomen. Kon duidelijk niet om met de macht. Of neem Richard II. Koning van Engeland op zijn tiende. Verbijsterde vriend en vijand toen hij op zijn veertiende door onderhandelingen een einde maakte aan een boerenopstand. Dat gaat zo’n cadet naar het hoofd natuurlijk. Richard werd helemaal zot van eigendunk. Graaide in de staatskas, verbande, beboette en executeerde tegenstanders à volonté. Afgezet en dood op zijn drieëndertigste. Had Shakespeare geen weergaloos stuk over hem geschreven, wij zouden van Richard II niet meer spreken. Verlicht despotisme is niets voor tieners.

Maar ik ben er klaar voor. Ik heb genoeg gelezen, genoeg gereisd, genoeg mensen gesproken, de wereld lang genoeg geobserveerd om te weten dat het zo niet verder kan. Ik wil mijn verantwoordelijkheid niet langer ontlopen.

Ik beloof dat ik op de eerste dag van mijn verlicht bewind het parlement zal sluiten. Die ouderwetse praatbarak bezit niet de macht en zeker niet het talent om de problemen van deze tijd het hoofd te bieden. Ik installeer meteen een oligarchie. Het dagelijks bestuur van het land komt in handen van een paar uiterst intelligente en bekwame mannen en vrouwen die mij voldoende integer lijken om op zindelijke wijze met macht om te gaan. Ik denk aan Bert De Graeve, Frank Vandenbroucke, Christine Van Broeckhoven en Bea Cantillon. Aan Paul de Grauwe vraag ik om een alternatief economisch model te ontwikkelen. Op mijn tweede despotendag sluit ik immers de beurs. Er moet een einde komen aan de permanente financiële onzekerheid waarin mensen als gevolg van al dat tomeloze gesjacher al vele decennia verkeren.

Op mijn derde dag nodig ik mijn oude prof Etienne Vermeersch uit. Hij moet me komen uitleggen waarom hij zich met die rare Gravensteengroep heeft vereenzelvigd, en waarom hij denkt dat een onafhankelijk Vlaanderen democratischer zou zijn dan België ooit is geweest. Ik vermoed hier volksverlakkerij, maar als Vermeersch mij kan overtuigen dat, ik zeg maar wat, in zo’n Vlaanderen het erfrecht fundamenteel wordt herzien, dat de vermogensbelasting er tien keer hoger zal zijn dan de belasting op arbeid, dat verplegers en verpleegsters er minstens evenveel zullen verdienen als topvoetballers en vrouwen niet minder dan mannen – goed, dan scheur ik ons af. Dan maak ik van Vlaanderen een utopische bonzai-republiek, een soort politiek madurodam dat grotere, onrechtvaardigere mogendheden tot voorbeeld zal strekken. De monarchie wordt sowieso afgeschaft.

Op de vierde dag richt ik een staatskrant op. Een krant zonder advertenties, zonder regionaal flutnieuws, zonder narcistische, schmierende journalisten, een krant die zijn lezers niet opvrijt, geen bonnetjes of gratis tickets uitdeelt, een uitmuntend geschreven krant die mij uitstekend informeert over wat er werkelijk toe doet in de wereld, zonder commerciële en andere tactische bijgedachten. En ik beloof vele zweepslagen voor elke journalist die het nog bestaat om in nationale nieuwsuitzendingen te berichten over een verdronken paard of een brandend fritkot.

Op de vijfde dag laat ik een aantal mensen arresteren, niet omdat ze misdadigers zijn, maar gewoon, omdat ik ze vervelend vind. Draaikonten, konkelaars, gluiperds, genre Noël Slangen of Siegfried Bracke: de nor in. Maar verlicht als ik ben laat ik hen niet ophangen, liever spreek ik de gruwelijkste straf uit die zulke mensen in deze tijden kan treffen: ze mogen nooit meer op teevee. O heerlijke nieuwe wereld!

17 februari 2010

Frank Vandenbroucke naar Voka?

De ene schreef een schunnige open brief, de andere een degelijk maar braaf artikel: over de recente media-interventies van Vokabaas De Bruyckere en SP.A-politicus Frank Vandenbroucke.

Vorige week publiceerde Luc De Bruyckere, voorzitter van het Vlaams netwerk van ondernemingen Voka, op de opiniepagina van De Morgen een “Open brief” gericht aan zijn kleinkinderen Arthur, Julie en Louise, “respectievelijk 6 jaar, 4 jaar en 6 maanden jong.” De Vokabaas vroeg zich af hoe hun wereld er anno 2028 zal uitzien. Door de vergrijzing en de explosieve stijging van de gezondheidszorgen zullen jullie minstens “3.000 euro extra belastingen moeten betalen,” zo had opa zijn grut alvast even voorgerekend. Waarna hij kort uitlegde hoe wij de generatie van zijn kleinkinderen kunnen en moeten behoeden voor dit fiscaal armageddon. Door te ondernemen natuurlijk. Wij moeten “radicaal investeren in de vernieuwing van onze business en onze economie, in de internationalisatie van onze activiteiten en in de ontwikkeling van onze mensen. Want enkel op die manier kan de werkgelegenheid van de toekomst worden gerealiseerd. Dan pas zullen er duurzame jobs komen.” Sic, sic, sic.

Het is niet de eerste en het zal niet de laatste keer zijn dat iemand uit werkgeverskringen deze hopeloze, duizendmaal weerlegde, tot op de draad versleten gemeenplaatsen debiteert. Toch ging ik weer lichtjes aan het schuimbekken bij het lezen van zoveel baarlijke onzin. Nog één keer: het doel van het neoliberale systeem is niét werkgelegenheid creëren, het doel is geld verdienen. Mét werknemers als het moet, zonder werknemers als het kan. Al de rest is vuige retoriek. Dat schuim had ook veel te maken met het format waarvoor de Vokabaas had gekozen. De open briefvorm was een even sentimentele als doorzichtige camouflagetechniek die geen ander doel had dan de belangen en overtuigingen van het patronaat zo onschuldig mogelijk voor te stellen. Uiteraard waren De Bruyckeres kleinkinderen niet de werkelijke bestemmelingen van zijn brief. Maar dankzij het personage van de minzame, bezorgde opa werd de strategie van de economische lobbygroep Voka vermomd als een ideologisch neutrale bekommernis omtrent het toekomstig welzijn van al onze kinderen en kleinkinderen. De inhoud van de brief was intellectueel armoedig, de vorm vuns en vals.

Ook de socialistische politicus Frank Vandenbroucke, alom gerespecteerd behalve door de lilliputters in zijn eigen partij die hem hebben kalltgestelt, publiceerde vorige week een tekst waarin hij nadenkt over de toekomst van de welvaart in dit land. Vandenbroucke schreef geen kleffe brief maar een uitvoerig artikel, neerslag van een lezing die hij onlangs hield, getiteld “Strategische keuzes voor het sociale beleid.” De gewezen minister maakt zich zorgen over de opnieuw toenemende ongelijkheid in de maatschappij (“Overal hebben de overheden hun herverdelende ambitie opgeborgen.”), over vergrijzing en pensioenen en gezondheidszorg en hoe dat allemaal te betalen moet blijven in de toekomst. Hij pleit, zoals je van een beetje socialist mag verwachten, “onverkort voor een egalitaire benadering” van het sociale beleid. En dus tegen een “individualisering van rechten” in de sociale zekerheid. Herverdeling moet “hoog op de agenda” blijven.

Vandenbroucke schrijft ook dat België heel zwaar zal moeten saneren wil het in 2015 een budgettair evenwicht bereiken, en dat we gedurende “een zekere periode de ruimte voor loonsverhogingen (zullen) moeten inruilen voor bijdragen in aanvullende pensioenregelingen.” Met name deze twee ideeën kregen meteen veel aandacht in de media. Waarom eigenlijk? Harde saneringen en géén loonsverhogingen: dat is natuurlijk wel een beetje vloeken in de rode kerk, maar zo radicaal zijn deze suggesties nu toch ook niet. Vandenbroucke schrijft doordacht, hij steunt zijn betoog met cijfers, hij analyseert en projecteert - en al is zijn betoog een beetje gortdroog, het heeft een niveau dat je in de Belgische politiek niet vaak tegenkomt. Maar waarom moest dit nu zo veel aandacht krijgen? Wat voor nieuws bevat zijn analyse eigenlijk? Ik heb er werkelijk niets in gelezen wat me opzienbarend, gedurfd, controversieel, verrassend, vernieuwend toescheen.
Als Vandenbrouckes essay moet worden geprezen omdat het een dappere wake-up call zou zijn, zoals hier en daar te lezen was, dan moeten zijn geestelijke soortgenoten wel in een heel diepe coma vertoeven.
Pregnanter lijkt me de vraag of het bevriezen van de lonen (ten voordele van aanvullende pensioenen) en een hard saneringsbeleid in deze door de banken verwoeste tijden wel socialistische prioriteiten zijn. Terwijl economen als Paul Krugman en Joseph Stiglitz – toch niet van de marxistische school – al maanden nadrukkelijk pleiten tégen drastische overheidsbesparingen en voor deficit spending, lijkt Vandenbroucke hier beleidsopties te onderschrijven waar opa De Bruyckere het alvast niet oneens mee zou zijn. Natuurlijk legt een Sp.a’er andere accenten dan Vokapitalisten. De ene wil altijd een beetje meer herverdeling via de overheid, de andere wil altijd een beetje meer ‘vrije markt’. Tussen die twee polen jojoot het systeem in West-Europa al ruim een halve eeuw. Maar misschien zijn voor een fundamentele, toekomstgerichte oplossing wel radicalere remedies nodig.
Lieve kleinkinderen, wij hebben zopas de banken genationaliseerd, alle bonussen afgeschaft en het gesjacher op beurzen bij wet verboden… Dat zou nog eens een opa zijn.

05 februari 2010

Obama in de zorgen




President Obama beleeft beroerde tijden. De werkloosheid blijft hoog, de hervorming van het zorgstelsel is mislukt, het verzet groeit. Ook in zijn State of the Union kon de president het tij niet keren.



“Ik geef niet op,” zei president Barack Obama vorige week woensdag (27 januari) aan het slot van zijn eerste State of the Union. Daarmee bedoelde hij in de eerste plaats dat hij de strijd voor een historische uitbreiding van de ziekteverzekering in de VS wil voortzetten, ook nu de Democraten in de Senaat de zetel van wijlen Ted Kennedy hebben verloren aan een Republikein. Door dat verlies beschikken de Democraten niet langer over de vereiste 60% meerderheid die nodig is om de oppositie geheel buitenspel te zetten. Dat de Democraten uitgerekend de zetel van Ted Kennedy verloren, een van de progressieve helden van hun partij die 47 jaar lang in de Senaat had geijverd voor een hervorming van de ziekteverzekering en toen net een jaartje te vroeg doodging, is meer dan een politieke tegenslag voor Obama, het is een blamage met tragische allures.

Iedereen die de Amerikaanse politiek van ver of nabij volgt vraagt zich af hoe het nu verder moet met die hervorming van de zorg. Ook de president en zijn adviseurs weten het blijkbaar niet. Obama bleef er bijzonder vaag over in zijn speech vorige week. De klemtoon lag, zoals iedereen had verwacht, op de noodzaak om nieuwe banen te creëren. “Jobs moeten onze topprioriteit in 2010 zijn,” luidde het. Dat is niet te verwonderen in een land waar de afgelopen twee jaar als gevolg van de crisis ruim zeven miljoen banen zijn verdampt. De bevolking mort, de polls zijn slecht, het ongeduld is groot. En dus herschikt de president zijn prioriteiten. Hij somde vier thema’s op die in de volgende maanden zijn bijzondere aandacht zullen genieten: financiële hervormingen – waarbij het voorstel om zomaar eventjes dertig miljard dollar van de grote banken in Wall Street over te hevelen naar kleinere ‘community banks’ het meest opvallende was -, innovatie, met name in de energiesector, een verdubbeling van de export in vijf jaar tijd, en een verbetering van het onderwijssyteem op alle niveaus. Niet echt revolutionaire dingen, wel veel nobele intenties natuurlijk, maar die vielen ook al te beluisteren in de speeches van Obama’s Democratische voorganger Jimmy Carter, ruim dertig jaar geleden.

Pas daarna sneed Obama het heikele thema van de gezondheidszorg aan. “Het zal ondertussen wel duidelijk zijn dat ik me niet op de gezondheidszorg heb gericht omdat ik dacht dat dit een politiek verstandige keuze was,” grapte de president. Zelfs de Republikeinen lachten (een beetje). Obama gaf toe dat hij het belang van zijn hervormingsplannen niet altijd even goed heeft uitgelegd aan de Amerikaanse bevolking. Op die manier nam hij een deel van de verantwoordelijkheid op zich voor de politieke impasse waarin het Amerikaanse beleid momenteel verkeert. Maar ook in zijn State of the Union – toch een van de meest bekeken televisieprogramma’s van het jaar in de VS - liet Obama de kans liggen om al die miljoenen mopperende en twijfelende Amerikanen te overtuigen van de noodzaak van zijn plannen. Aan de politici die voor hem zaten vroeg hij om zijn voorstellen opnieuw te bekijken. Het klonk bijna smekend: “Laat de hervormingen niet schieten. Niet nu. Niet nu we er zo dichtbij zijn. Laten we proberen elkaar te vinden en dit werk af te maken in het belang van het Amerikaanse volk. Laten we dit afmaken. Laten we dit afmaken. (Don’t walk away from reform. Not now. Not when we are so close. Let us find a way to come together and finish the job for the American people. Let’s get it done. Let’s get it done.) En als iemand van jullie een beter plan heeft om verzekeringspremies te verlagen, om het deficit te reduceren, om wie geen verzekering heeft te verzekeren en misbruik door verzekeringsmaatschappijen te stoppen – laat het mij dan weten,” aldus Obama, “ik wil het graag zien.”

Dat was een wat uitdagende maar tegelijk ook erg bescheiden poging om het zorgdebat nieuw leven in te blazen. Hoe anders klonk Obama in de grote speech over zorghervorming die hij voor ditzelfde Congres hield in september 2009, niet eens een half jaar geleden. “Ik wil altijd luisteren naar wie een ernstig voorstel heeft,” zei Obama toen, “maar ik heb geen tijd voor degenen die vinden dat het beter is om dit plan te torpederen dan om het te verbeteren. Ik zal niet dulden dat belangengroepen weer tactische spelletjes gaan spelen met de bedoeling dat alles precies zou blijven zoals het altijd al was. Wie de inhoud van dit plan verkeerd voorstelt, zal tot de orde worden geroepen,” waarschuwde Obama op een ongebruikelijk heftige, bijna dreigende toon. “Ik ben niet de eerste president die zich over de gezondheidszorg ontfermt,” zei hij nog, “maar ik ben vastbesloten om de laatste te zijn.” Die zin leverde hem vijf maanden geleden nog een donderend applaus op.

Laat er geen twijfel over bestaan: de hervorming van de ziektezorg kan niet, mag niet en zal niet nog eens een jaar worden uitgesteld.
President Obama, 24 februari 2009


Ook in zijn allereerste speech tot het Congres, in februari vorig jaar, luttele weken na zijn inauguratie, klonk de president erg ongeduldig en zelfverzekerd: “Laat er geen twijfel over bestaan: de hervorming van de ziektezorg kan niet, mag niet en zal niet nog eens een jaar worden uitgesteld.” (So let there be no doubt: healt care reform cannot wait, it must not wait, and it will not wait another year.) Toch besefte de president ook toen al dat hem ook zware economische uitdagingen wachtten. In de tweede zin van zijn speech zei hij: “Ik weet dat voor vele Amerikanen die nu zitten te kijken de toestand van onze economie de grootste zorg is.” Over zijn economische agenda was hij ook toen al heel duidelijk: It’s an agenda that begins with jobs.

Niettemin kun je stellen dat Obama, tot wanhoop van velen, ook in zijn eigen partij, in de daaropvolgende maanden veel meer aandacht en energie heeft besteed aan de hervorming van de zorgverzekering dan aan de economische problemen. Die verleiding is te begrijpen. Nooit was het momentum om de zorgverzekering grondig te hervormen groter dan in die eerste maanden van Obama’s presidentschap. Wat velen voor hem vergeefs hadden geprobeerd, leek nu eindelijk te zullen gaan lukken. Toen de Senaat op kerstavond 2009 na vijfentwintig dagen debatteren en verschillende stemronden eindelijk een wetsontwerp goedkeurde dat de gezondheidszorg fundamenteel zou veranderen, was de sfeer bij de Democraten en op vele plaatsen in de media ronduit euforisch. Er was sprake van een historische dag in de Amerikaanse politiek. Wellicht heeft dat verlangen om geschiedenis te schrijven een grote, misschien te grote aantrekkingskracht uitgeoefend op de president en zijn entourage, en is de aandacht voor andere dringende thema’s mede daardoor verslapt.

Overigens is het natuurlijk niet zo dat er in de VS géén ziekteverzekering of géén werkloosheidsuitkeringen bestaan, zoals vele Europeanen die een nogal simplistisch jungle-beeld van de VS hebben, schijnen te denken. De meeste legale, werkende Amerikanen zijn wel degelijk verzekerd. Dat is meteen ook een van de redenen waarom Obama bij de middenklasse zo snel zoveel populariteit heeft verloren: de economische recessie is voor veel meer mensen een probleem en een zorg dan de ziekteverzekering. Obama heeft er weliswaar steeds op gehamerd dat het huidige zorgsysteem in de VS geweldig duur en inefficiënt is en dat zijn hervormingsplannen dus ook economisch noodzakelijk en voordelig zijn, maar dat argument lijkt steeds minder indruk te maken op de vele duizenden Amerikanen die sceptisch staan tegenover Obama’s plannen, juist omdat ze die te duur vinden en beducht zijn voor de fiscale gevolgen ervan.

Ik ben niet de eerste president die zich over de gezondheidszorg ontfermt, maar ik ben vastbesloten om de laatste te zijn.
President Obama, 10 september 2009


De kritiek op Obama’s plan is tweeërlei. De voorgestelde hervormingen kosten te veel en ze geven te veel macht aan de federale overheid, iets waar heel veel Amerikanen traditioneel allergisch voor zijn.

Deze dubbele onvrede leidde in de zomermaanden van vorig jaar tot het ontstaan van allerlei protestgroepen die intussen landelijke bekendheid genieten als de Tea Party. Die naam refereert aan een historisch incident dat in 1773 plaatsvond in Boston (Massachusetts), toen balorige kolonisten daar uit protest tegen een belastingplan van Engeland de theelading van drie schepen in de haven loosden.

De Tea Party van vandaag verdedigt drie basiswaarden, zo staat te lezen op de officiële website van de beweging: “fiscale verantwoordelijkheidszin, een overheid met grondwettelijk begrensde bevoegdheden en de vrije markt.” Erg vernieuwend klinkt dat alvast niet. De beweging is dan ook zo reactionair als wat, ontstaan uit onvrede met excessive government spending en taxation, uit politieke allergieën dus die even oud zijn als de VS. “It’s just tax, tax, tax,” zei een onafhankelijke kiezer die vorige week in Massachusetts voor Scott Brown stemde, “and I think the people are just getting sick of it.”

Amerikanen zijn altijd als de dood geweest voor regeringen met ambitieuze plannen, omdat zulke plannen meestal veel geld kosten en dus tot hogere belastingheffingen leiden. En belastingen betalen is een burgerplicht waar Amerikanen altijd de grootste moeite mee hebben gehad. No taxation without representation luidde de slogan die de Onafhankelijkheidsoorlog inleidde. De kolonialen haalden er zelfs Shakespeare bij om lucht te geven aan hun afkeer van het Engelse belastingbeleid. Nog voor de Onafhankelijkheid circuleerde in Boston een parodie op Hamlets beroemdste monoloog: Be taxt or not be taxt – that is the question / Whether ‘tis nobler in our minds to suffer / The sleighs and cunning of deceitful statesmen / Or to petition ‘gainst illegal taxes / And by opposing, end them. Een viscerale afkeer van een belastingen heffende overheid: het zit Amerikanen in de genen. Het is precies die afkeer waar de Tea Party zich mee voedt.

Voorlopig gaat het hier nog om een erg amateuristisch georganiseerde club, zonder nationale leiders of structuren, maar dat kan snel veranderen als de populariteit van deze beweging zo blijft toenemen. Volgens een peiling van NBC en de Wall Street Journal in december, is 41 % van de Amerikanen voor de Tea Party, 35% voor de Democraten en slechts 28 % voor de Republikeinse partij (wat een totaal oplevert van 104% - zo wetenschappelijk zijn die peilingen ook weer niet).
De relatie tussen de Republikeinse partij en de Tea Party-beweging is dubbelzinnig. Sommige Republikeinen vinden dat de partij deze beweging moet omhelzen, anderen vrezen dat de Grand Old Party daardoor al te zeer in de greep van een erg rechts populisme zou raken, wat mainstream republikeinen dan weer naar het Democratische kamp zou kunnen jagen. Dezelfde ambiguïteit bij de Tea Party’ers: sommigen vinden dat deze spontane protestbeweging vooral buiten de bestaande politieke structuren moet blijven, anderen achten het opportunistischer om via het partijapparaat van de Republikeinen politieke macht te verwerven. Scott Brown, de republikein die twee weken geleden de senaatzetel van Ted Kennedy in Massachusetts veroverde, beweerde kort voor de verkiezingen dat hij helemaal niet wist wat de Tea Party was, terwijl hij enkele dagen eerder een fundraising dinner had bijgewoond ten voordele van zijn campagne, georganiseerd door de Greater Boston Tea Party. Republikeinen zijn natuurlijk wel geïnteresseerd in de steun en de stemmen van zogeheten Teapublicans, maar ze hebben zich nog niet met de beweging vereenzelvigd.

Tot nu toe heeft geen enkele toppoliticus met nationale bekendheid zich bij de theeclub gevoegd. Maar ook dat kan snel veranderen. Het hoogtepunt tijdens de National Tea Party Convention die deze week plaatsvindt in Nashville (Tennessee) is ongetwijfeld de speech van Sarah Palin. Een mens mag natuurlijk nooit te snel wanhopen, maar een snel groeiende grass roots beweging van buitengewoon ontstemde en politiek uiterst gepassioneerde Amerikaanse patriotten, aangevuurd door La Pasionara van Alaska… dat zou bij de verkiezingen in november wel eens de grootste electorale dreiging voor het traditionele tweepartijensysteem kunnen zijn sinds Ross Perrot.

Het lijdt geen twijfel dat Obama erg beroerde weken achter de rug heeft. Het verlies van Ted Kennedy’s senaatszetel is een catastrofe die kennelijk niemand in het Democratische kamp had zien aankomen. In zijn State of the Union klonk Obama dan wel vastbesloten om door te gaan met zijn beleid, maar hij zei niet hoe hij dat gaat doen, nu de kaarten zo veel slechter liggen dan twee weken geleden. De Republikeinen voelen zich gesterkt door de onverhoopte overwinning van Scott Brown. De Tea Party heeft de wind in de zeilen. Conservatieve Democraten die de president tot nu toe node hebben gesteund, krabben zich achter de oren. En ook bij zijn eigen democratische kiezers en in de media neemt de scepsis toe. De magie is weg.

Laat de hervormingen niet schieten. Niet nu. Niet nu we er zo dichtbij zijn. Laten we proberen elkaar te vinden en dit werk af te maken in het belang van het Amerikaanse volk.
President Obama, 27 januari 2010


De verkiezingen zijn pas in november. Dat is in de politiek een eeuwigheid. Niets is zo grillig als een populariteitscurve. Ronald Reagan was tijdens de eerste tweeëneenhalf jaar van zijn presidentschap veel minder populair dan Obama nu is, terwijl iedereen zich de oerconservatieve republikein nu lijkt te herinneren als een uitermate populaire president. Die populariteit verwierf hij pas toen de Amerikaanse economie opveerde. Het zal Obama niet anders vergaan. Als de economische toestand de volgende maanden aanzienlijk verbetert en het aangekondigde banenbeleid succesvol is, dan hoeven de midtermverkiezingen voor de Democraten helemaal niet op een ramp uit te draaien. Maar als de president ook na zijn tweede ambtsjaar geen tastbare economische verbeteringen kan voorleggen, dan dreigt voor de Democraten in november inderdaad een electoraal bloedbad. Volgens politieke analysten zouden er in november in het Huis van Afgevaardigden 58 Democratische zetels ‘onzeker’ zijn. Om de meerderheid in het Huis te heroveren, moeten de Republikeinen 40 van die 58 zetels inpikken (en al hun eigen herverkiesbare zetels behouden). Dat lijkt veel, maar er is een akelig precedent. In 1994, bij midtermverkiezingen tijdens de eerste ambtstermijn van Bill Clinton, verloren de Democraten maar liefst 54 zetels in het Huis van Afgevaardigden, waardoor de Republikeinen voor het eerst in veertig jaar opnieuw de meerderheid vormden. Die desastreuze nederlaag was mede veroorzaakt door Clintons mislukte poging eerder dat jaar om de gezondheidszorg grondig te hervormen. Obama is een gewaarschuwd man.

19 januari 2010

Nutteloze nieuwjaarsbrief

Liefste meter en peter,

Ik weet het wel, gij zijt al keilang dood,
Wat kan mijn aards gewauwel u nog schelen,
Gij vindt het vast en zeker idioot,
Dat ik u nog een nieuwjaarsbrief wil mailen.

(O wist gij maar wat mailen was!
Een mailtje is een brief van glas)

Maar wees niet bang: ik vraag u geen cadeau,
Geen laptop, geen console en geen Wii,
De mens – en ik citeer Jean-Jacques Rousseau –
Kan echt wel leven zonder MP3.

Ik vraag alleen dat gij mij zoudt zien staan,
Hier in Tervuren met mijn rimramrijm,
Het duurt niet lang, hoor mij nu even aan,
Ik zal u niet vervelen met geslijm.

Wat geeft gij om ons roepen en ons smeken,
Daar op uw eeuwig onderduikadres,
Zo ver van ons verdriet en onze stress,
Van kanker en van rommelhypotheken.

Er was een tijd, maar dat is lang geleden,
Dat god ons lijden voor zijn rek’ning nam,
Waar is hij nu, de laffe ombudsman?
De hemel is een spambox vol gebeden.

Al heb ik dan aan uw hiernamaals schijt,
Al hou ik niet van tucht en penitentie,
Er zijn toch dagen dat ik u benijd,
Daar in uw transcendente residentie.

Want hier op aarde gaat het hel’maal mis,
De wereld is in handen van malloten,
Die doen alsof het nergens beter is,
Terwijl toch ied’reen weet: ‘t is naar de kloten.

Neem Vlaanderen, het land van uwe dromen,
Waar God u toesprak in het ABN,
Dat is in angst en welstand omgekomen,
Daar jankt een xenofoob in ieder gen.

Verwekt uit achterdocht en eigenwaan,
Probeert het al wat vreemd is weg te pesten,
Het spreekt geen taal, het brabbelt zelfvoldaan,
Het slikt en spaart en huichelt als de besten.

Ook elders zorgt de mens voor veel ellende,
Hij steelt en liegt, hij sjachert en hij moordt,
Zelfs in dat nette land van Balkenende,
Wordt soms de rust op straat ineens verstoord.

Geloof mij maar, het gaat hier echt niet goed,
Neem vorig jaar – ook dit verzin ik niet –
Toen gingen banken zélf zowaar bankroet,
Het scheelde niks of alles was failliet.

Ik weet niet of gij daar waar gij nu staat,
De gaten in de ozonlaag kunt zien,
Het is te laat, om zeep is ons klimaat,
Wij hebben denk ik nog een jaar of tien.

Ik ben niet oud niet jong maar moe,
Want al dat peinzen, al dat internetten,
En al dat bloggen, zeiken in gazetten,
Wat doet het er in godsnaam toe?

Wat kan een mens die niet wil buigen nu nog doen?
Ach, toch niet wéér een column of een commentaar,
Ik denk dat ik maar eens een staatsgreep pleeg dit jaar.
Dag peter meter lief, een zoen van uw kapoen.

15 december 2009

Een roman is geen restaurant












Het gaat goed met het romandebuut van de jonge Italiaanse schrijver Paulo Giordano (°1982): De eenzaamheid van de priemgetallen kreeg in Italië meteen de meest prestigieuze literatuurprijs van het land, de Premio Strega, en er werden al meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. Ook de Nederlandse vertaling doet het uitstekend: ruim 250 000 exemplaren in elf maanden. Hoe is die bijval te verklaren? Welke maatstaven leggen al die jubelende recensenten aan? Wat zijn hun argumenten? De receptie van deze Italiaanse succesroman in de Nederlandse pers getuigt van een onthutsende eensgezindheid en oppervlakkigheid.



De eenzaamheid van de priemgetallen beschrijft de onmogelijke liefde tussen twee Italiaanse jongeren, het kreupele en anorectische meisje Alice en de autistische, wiskundig uiterst begaafde Mattia. Tussen Alice en Mattia wordt het nooit echt wat, maar toch omcirkelen en doorkruisen hun jonge levens elkaar veertien jaar lang. Alice en Mattia hebben allebei erge dingen meegemaakt, ze hunkeren naar warmte en begrip maar kunnen zich nooit echt hechten, niet aan de wereld, niet aan anderen, niet aan elkaar. Vandaar de titel: “Priemgetallen zijn alleen deelbaar door 1 en door zichzelf. Ze staan op hun plaats in de oneindige rij natuurlijke getallen, zoals allemaal tussen twee ingeklemd, maar verder uit elkaar dan de andere. Het zijn argwanende, eenzame getallen (...).”

Giordano vertelt het verhaal van Alice en Mattia tussen 1983 en 2007, in zeven chronologisch geordende episoden die het boek een eenvoudige structuur verlenen. Ook de stijl waar het boek zo om wordt geprezen, is van een grote, soms naar monotonie neigende eenvoud. Giordano mag graag afgevijlde zinnetjes stapelen: “Ze had zich geen pijn gedaan. Ze moest niet huilen. Ze kon niet nadenken over wat er zojuist was gebeurd. (...) Ze zou niets opruimen. Ze zou wachten tot haar schoonouders kwamen en haar zo aantroffen. Ze zou hun vertellen hoe Fabio zich had gedragen.” Ook het uiterst empatische vertelperspectief draagt er toe bij dat dit boek ‘lekker wegleest’. Bovendien focust de verteller nadrukkelijk op het wedervaren en de zieleroerselen van Alice en Mattia, waardoor de meeste andere personages weinig reliëf krijgen en de lezer zich dus niet al te zeer op nevenintriges of tegenstemmen hoeft te concentreren. Een easy read.

De Nederlandse vertaling is in januari 2009 verschenen bij Cargo, een imprint van De Bezige Bij. De lof spat van het kaft af: “Een van de belangrijkste boeken van het jaar. Een hartverscheurende vertelling,” krijt esta (een glossy met als motto: ‘Elke twee weken serieus leuk.’). “Een hartverscheurend mooi boek” echoot Veronica Magazine. “Prachtig geschreven en aangrijpend vanaf de eerste bladzijde,” juicht Libelle. “Ontzettend mooi en overtuigend geschreven,” aldus de Nederlandse gratiskrant Spits.

Esta, Veronica Magazine, Libelle: niet meteen gezaghebbende bladen als het over literatuurkritiek gaat, maar ook minder fluttige media hadden voor Giordano’s boek veel waardering. “De jubel in Italië” is “volkomen terecht,” schreef Het Parool, “wie op zo’n jeugdige leeftijd al zo’n rijpe, levenswijze en beheerst geschreven roman schrijft, is een uitzonderlijk talent.” “Ontroerende debuutroman met een volmaakt beheerste schrijfstijl,” luidde het in Trouw. NRC Handelsblad loofde Giordano’s “literaire talent, dat berust op zijn ingehouden tederheid en op de poëzie van zijn rake metaforen.” Weliswaar af en toe “sentimenteel” maar toch een “goed boek”, vond de kwaliteitskrant. Het minst onder de indruk was de Volkskrant, die de schrijver “onbeholpen perspectiefwisselingen”, een “af en toe hinderlijk clichématige stijl en een stuk of wat onhandigheden” aanwreef. “Een verre van gaaf boek” heette het. Niettemin kreeg ook deze recensent van het slot “een droge mond en vochtige ogen.” In Vlaanderen noemde De Morgen dit boek “een triomf.” De Standaard nam gewoon de jubelrecensie uit Het Parool over. Knack heeft dit boek niet gerecenseerd, in Humo verscheen een beknopte samenvatting.

Uit dit overzichtje blijkt dat vrijwel alle recensenten De eenzaamheid van de priemgetallen loven om dezelfde twee redenen: het boek is ontroerend en het is mooi geschreven. Dat zijn geen onbelangrijke maar wel erg vage en subjectieve criteria. Wat is dat, mooi schrijven? “Zijn vrouw was uit het leven aan het verdwijnen als een vochtkring uit een trui”: is dit mooi schrijven? “De meubels die de avond daarvoor nog een ziel leken te hebben (...) waren nu niets meer dan haar slaapkamermeubels, geurloos als haar lauwe berusting.” Jawel: geurloos als haar lauwe berusting. Of nog: “Hij wilde ontdekken of dat storende stolsel van verlangen dat in zijn hoofd zat echt als boter zou smelten als hij zijn klasgenoot, op wie hij verliefd was, gewoon zou aanraken.” Smaken verschillen, maar laten we een beetje ernstig blijven.

Bovendien: wat is in dit geval het aandeel van de vertalers (Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd) in die - betwistbare - schoonheid? Daar stond geen enkele recensent bij stil. En waarom zou een roman “gaaf” moeten zijn? Waarom is gaafheid een literaire kwaliteit? Is Macbeth gaaf? Bouvard et Pécuchet? Moby-Dick? En waar ligt de grens tussen hartverscheurend en sentimenteel? En waarom zou een roman “levenswijs” moeten zijn? Is Voyage au bout de la nuit levenswijs? Ulysses? Beckett?

Of je nu Veronica Magzine leest of NRC Handelsblad, de ondoordachte normen die literatuurcritici in de commerciële media hanteren zijn grosso modo overal dezelfde: psychologisch en vaag esthetisch. Als een boek maar “mooi” geschreven is en als je er “een droge mond en vochtige ogen” van krijgt, dan is het goed. Dit is culinaire literatuurkritiek: je somt op wat je hebt gegeten en je zegt wat je lekker vond en wat niet. Klaar. Maar een roman is geen restaurant.

Me dunkt dat literatuurkritiek toch interessantere en complexere kwesties aan de orde kan stellen, zelfs binnen de krappe ruimte die de commerciële cultuurjournalistiek haar vergunt. De eenzaamheid van de priemgetallen speelt zich af in Italië tussen 1983 en 2007. Maar wat zegt het boek ons over dat land in die tijd? Niets. Geschiedenis, politiek, globalisering, cultuurkritiek: geen spoor. De roman baadt in een wereldvreemdheid die misschien wel typerend is voor eenzelvige, verliefde tieners, maar levert dit ook interessante, relevante literatuur op? Kennelijk kreeg geen enkele recensent tijdens het lezen van dit boek last van de benauwdheid die mij gaandeweg beving. Zelfs de kritiek van de Volkskrantrecensent bleef beperkt tot formele, technische tekortkomingen van het boek, en stelde niet de veel urgentere vraag: Waar is de wereld in dit boek? Kon dit boek niet net zo goed in de jaren vijftig of zestig spelen? Wat is het belang van de historische markeringen - de zeven episodes spelen zich af in 1983, 1984, 1991, 1995, 1998, 2003 en 2007 - als er in het verhaal van die historische inbedding niets te merken valt? Waarom is de huishoudster van Alices vader - een welgestelde advocaat - een Ecuadoriaanse als dit gegeven er in de rest van de roman helemaal niet toe doet? Nergens slaagt deze roman erin een zinvol, verhelderend verband te leggen tussen de sombere binnenwereld van twee tobbende adolescenten en de grote buitenwereld.



Moet dat dan? Moet een roman altijd cultuurkritiek zijn, zich met geschiedenis en politiek bemoeien? Is dit geen erg beperkende visie, die de betekenis van literatuur reduceert tot wat documentairemakers of, godbetert, journalisten doen? Natuurlijk moét een roman of een schrijver niets, maar dat neemt niet weg dat sommige boeken, oeuvres, schrijvers relevanter zijn dan andere. Relevante literatuur verhoudt zich altijd op de een of andere manier tot de geschiedenis, tot een context. Relevante literatuur is éérst eigentijds en daarna misschien tijdloos. Dit betekent helemaal niet dat een relevante roman geen schoonheid of ontroering kan bevatten. Maar in literatuur die ertoe doet zijn ook schoonheid en ontroering geworteld in iets méér dan simpele psychologische herkenbaarheid. Ook schoonheid en ontroering moet je bevechten, bedingen, aan de wereld ontfutselen. Dat is het verschil tussen schrijvers als David Grossman en Orhan Pamuk enerzijds, en bellettristen als Giordano anderzijds. Het oeuvre van de eerste twee hangt met klodden vast aan een tijd, een cultuur, een context, terwijl je in een roman als De eenzaamheid van de priemgetallen niet eens de vingerafdrukken van een buitenwereld aantreft. Daardoor neigt deze Italiaanse succesroman minder naar kunst dan naar edelkitsch: hij creëert, in het beste geval, schoonheid in het historisch luchtledige. Lippizanerkunst. In vergelijking hiermee is bijvoorbeeld De vliegeraar een veel interessanter boek. Daarin werd een bijwijlen ook hartverscheurend en zelfs sentimenteel verhaal wél afgezet tegen het canvas van de recente geschiedenis, wat op een andere manier ook geldt voor Het huis van de moskee. Of neem een best wel intimistische novelle als Ian McEwans On Chesil Beach. Daarin voel je op iedere pagina hoe de benauwende tijdgeest van de jaren vijftig in Engeland doordringt tot in elke porie van de seksueel gestremde hoofdpersonages. Commercieel succesvol én relevant: het kan.

Natuurlijk bestaan er ook romans die zich lijken te hebben losgezongen van alle herkenbare, cultuurhistorische referenties en die er toch toe doen. Ik denk aan J.M. Coetzee en José Saramago bijvoorbeeld, twee recente Nobelprijswinnaars die in hun werk vaak slechts op een zeer indirecte manier verwijzen naar een historische werkelijkheid. Maar in romans als Waiting for the Barbarians en De stad der blinden bezit het verhaal een duidelijk allegorisch karakter, wat de lezer uitnodigt en uitdaagt om zelf een brug te slaan tussen de romaneske wereld en de grote wereld daarbuiten. In De eenzaamheid van de priemgetallen is er van een dergelijke allegorische dimensie geen sprake. Deze roman kiest radicaal voor de binnenkant: gemijmer, getob, gehunker - gevat in een eenvoudige en vereenvoudigende taal.

Eenvoud, herkenbaarheid, directe ontroering: daarop drijft deze roman, en dat zijn wellicht ook de ingrediënten die het massale succes van dit boek verklaren. Natuurlijk staat het iedereen vrij om op deze manier aan literatuur te doen en om van dit soort literatuur te genieten. Maar de vanzelfsprekendheid waarmee de literatuurkritiek - van pulpblaadjes tot kwaliteitskranten - zich van dezelfde oppervlakkige en eenzijdige normen bedient, is bepaald zorgwekkend. Relevante literatuur is iets anders dan vacuümverpakte bellettrie.

(Een ingekorte versie van dit stuk staat deze week in Knack.)

04 november 2009

Over politiek

“Sommige mensen geloven dat we het klassenconflict allang achter ons hebben gelaten,” zei politologe Chantal Mouffe onlangs in Knack, “maar er bestaat nog altijd een grote kloof tussen mensen die weinig hebben en mensen die veel hebben. (...) Ik zie geen enkele reden waarom die kloof politiek niet langer relevant zou zijn. En dat is de kloof tussen links en rechts.”

Een heldere, intellectueel aantrekkelijke gedachte, maar bij nader inzien vond ik ze toch onbevredigend. De stelling ontkent immers precies datgene wat ze zou moeten verklaren, namelijk dat die maar al te reële ‘kloof tussen mensen die weinig hebben en mensen die veel hebben’ inderdaad niet meer politiek relevant blijkt te zijn. Je kunt als politieke filosofe wel vinden dat het anders hoort, in de politieke praktijk stel je vast dat die kloof zich allang niet meer vertaalt in partijpolitieke allianties. Het is niet zo dat alle arme mensen SP.A stemmen en alle rijke stinkerds Open VLD. Er zullen vast meer miljonairs op blauwe recepties rondlopen dan op groene, maar het partijpolitieke landschap is geen eenduidige weerspiegeling van de sociaal-economische verhoudingen en tegenstellingen in de maatschappij. Mede door dit gebrek aan eenduidigheid in de relatie tussen economische werkelijkheid en politieke vertegenwoordiging is het onderscheid tussen ‘links’ en ‘rechts’ zo problematisch. Partijen kunnen in sommige opzichten standpunten innemen die als ‘links’ worden beschouwd, terwijl ze op andere vlakken veeleer ‘rechtse’ belangen of ideeën verdedigen. Partijen zijn hybriden, clusters van belangen en overtuigingen, niet de dragers van een scherp omlijnd, eenduidig en coherent wereldbeeld.

Iets daarvan blijkt zelfs uit de idiote naamsveranderingen die sommige partijen de afgelopen jaren ondergingen: de “A” in SP.A is in principe inhoudsloos, het “Open” in Open VLD is niet minder zinledig, al was het maar omdat er geen “gesloten” VLD bestaat. Toevoegingen als “A” en “Open” zijn passe partout-kwalificaties zonder enige substantiële betekenis. Zij zijn symptomatisch voor het proces van ideologische vergruizing dat alle niet-extremistische partijen kenmerkt, en dat ervoor zorgt dat fundamentele maatschappelijke belangentegenstellingen zich niet langer uiten in partijpolitieke tegenstellingen. Er is een duidelijke ontwikkeling waarneembaar van ideologisch geprofileerde naar generieke partijen. De kloof tussen arm en rijk is maatschappelijk gesproken natuurlijk nog steeds pijnlijk relevant, maar ze is niet langer vertaalbaar in partijpolitieke verhoudingen. De neoliberale list bestaat er precies in maatschappelijke conflicten te ontzenuwen, te smoren en politiek irrelevant te maken.

Een vergelijkbare evolutie zie je ook in de pers: kranten zijn alleen nog elkaars commerciële concurrenten en geen levensbeschouwelijke rivalen meer, wat mede verklaart waarom journalisten veel probleemlozer dan vroeger heen en weer bewegen tussen zogenaamd rivaliserende media. De enige logica die een journalist nog geacht wordt te onderschrijven is de bedrijfslogica. Zijn wereldbeeld is van secundair belang - tenzij hij in zijn berichtgeving een of ander extreem anarchistisch, libertair of autoritair gedachtegoed zou propageren natuurlijk. Zelfs op opiniepagina’s, toch het hart en misschien ook wel de ultieme bestaansgrond van een kwaliteitskrant, is het meestal gezellig keuvelen. Zelden lees je er een fundamentele tegenstem die het niveau van de badinerende polemiek overstijgt.

Chantal Mouffe pleitte in dat interview niet alleen voor meer conflict in de democratie, ze brak ook een lans voor meer passie in de politiek. Wij denken dat we “alle problemen op een strikt rationele manier” kunnen oplossen, zei ze, dat we altijd wel een consensus vinden als we “met z’n allen aan tafel gaan zitten als gelijke en rationele burgers (...). Maar “zo werkt politiek niet. Politiek heeft ook te maken met emoties.” Als voorbeeld van een emotioneel geladen conflict verwees Mouffe naar abortus: “Een katholiek kan ervan overtuigd zijn dat abortus een misdaad is. Een ongelovige kan ervan overtuigd zijn dat elke vrouw het recht heeft om voor abortus te kiezen. Dat conflict kan onmogelijk op een rationele wijze worden beslecht, een consensus is hier uitgesloten.” Een bizarre gedachte. Abortus is in dit land verplicht noch verboden. Katholieken kunnen het dus rustig een misdaad blijven vinden, ongelovigen niet. De wet verhindert dat de ene groep zijn opvattingen aan de andere opdringt, wat het geval was zolang abortus helemaal illegaal was. Is dit nu niet net een schoolvoorbeeld van hoe je emotioneel geladen conflicten juist wél rationeel kunt en moet oplossen? Consensus is pas mogelijk wanneer je emotie zoveel mogelijk uit de politieke discussie bant. Politiek met passie vermengd: is daar al ooit iets goeds uit voortgekomen? De kerkhoven liggen vol met de gevolgen ervan. Als de ideologieën geen antwoorden en geen oplossingen meer bieden voor de uitermate complexe problemen van een snel globaliserende wereld, dan zullen emotie en passie daar al helemaal niet in slagen. Ik huiver een beetje voor Mouffes romantische benadering van politiek.

Politiek bedreven door briljante, nuchtere geesten en gebaseerd op wetenschappelijk gefundeerd denken, rationele analyse, eruditie en expertise: dat zou een verademing zijn.