Over het leven op de achterbank vroeger en nu.
Het waren de jaren van oranje en bruin, wij reisden door Zuid-Engeland en ik was ontzettend zeventien. ‘Balen’ zei je toen nog niet, maar je deed het wel, zeker op de achterbank van een wiegende DS waarin je ouders altijd vooraan zaten en alles beslisten, wanneer je stopte, waar je sliep, wat je bezichtigde en wat niet. Zo ver van je vrienden vandaan, zo ver van je kamer met de wierookkegeltjes en de posters van Alice Cooper en The Sweet, met alleen maar die twee oude mensen voor je en naast je twee kleine kinderen die uiteraard niets begrepen van de zweren in je ziel. Zo ver ook van alle verdroomde, in druipkaarsenlyriek bezongen lieven. Email was toen nog glazuur en wie www zei een stotteraar.
Balen werd lijden toen ik onderweg te weten kwam dat een van de volgende dagen ergens in Zuid-Engeland en dus in de buurt van waar wij waren de Rolling Stones zouden optreden. Niet zomaar een groepje, de Rolling Stones papa! Daar moesten en zouden we toch heen rijden zeker. Geen sprake van, zeiden piloot en co-pilote eendrachtig. Waarom had ik geen moderne ouders? Een beetje hedendaagse volwassene begreep toch dat – niets van. Vastberaden kachelden zij verder tussen de schapen van Devon, op naar het zoveelste pittoreske kutdorp. (Zeiden wij kutdorp?) Wij reden in stilte, tussen voor- en achterbank gaapte een grand canyon van wederzijds onbegrip.
Helemaal ondraaglijk werd het toen wij een chopper tegenkwamen die het ultieme geluk vervoerde: een langharige kerel, bij de lendenen vastgegrepen door een wapperende blondine, allebei in spijkerpak en laarzen. Die waren ongetwijfeld onderweg naar het concert van de Rolling Stones en die gingen daarna ongetwijfeld ergens buiten in de zoele nacht de sterren van de hemel vrijen en die konden en mochten dat omdat ze toevallig wat ouder waren dan ik en niet van die bekrompen ouders hadden, hoe unfair kon de wereld zijn? De chopper was beladen met kampeergerei, aan de zadelleuning - waarom onthoudt een mens zoiets? – bungelde een gamel. Een gamél! Ik had Woodstock niet meegemaakt, de film niet gezien, was nooit naar Jazz Bilzen geweest, maar o, o, die gamel ontketende visioenen van de hemel op aarde: een groot kampeerterrein, iedereen blowend en bloot, koken op vuurtjes voor de tent, gitaren, drank en seks à volonté. Daar zweefden deze twee nu op een chopper heen. Als een robot reed mijn vader hen voorbij. Ons wachtten hotelkamers in een lieflijke baai in St Mawes, vlakbij Land’s End, die naam leek me alvast niet slecht gekozen.
Fast forward. Een andere auto in een ander land in een andere tijd. Ik zit nu vooraan. De achterbank zingt liedjes mee die ik niet ken, praat over idolen van wie ik nooit heb gehoord, gebruikt woorden of uitdrukkingen die mij vreemd zijn. Iets is gemaan goed of helemaal gefaald, een sukkel is een mucht (zeg ‘musjt’) of een shmet (‘sjmet’), wie tript of rare dingen zegt is aan het flashen. De stopwoorden van nu: “te nice”. Of: “zot nice”. Of: “vet strak”. En alles wat verrukkelijk is heet “zalig”. Zij gebruiken ook begrippen waarvan ik me geen twintigste-eeuwse equivalenten herinner: een aantrekkelijke moeder van een vriendje of een vriendinnetje is een milf (mother I’d like to fuck). En “muilen” is ook niet meer wat het was, gekke bekken trekken of pruilen, maar betekent volgens hen tongzoenen. Je kunt dus zeggen: daar staan twee milfen te muilen? De achterbank gniffelt bevestigend. Een mens leert wat onderweg.
Zo reden wij, samen en niet samen, door de tegenwoordige tijd. Ik dacht aan “De wolken” van Martinus Nijhoff en vroeg me af of er wel zoveel veranderd is in het leven op de achterbank. Alice Cooper heet nu Lady Gaga, de wierookkegeltjes werden waterpijpen, maar klein is het verschil tussen het blauw van het dunne luchtpostpapier waarop ik mijn verre vrienden brieven schreef en het blauw van hun Facebook, dat alsmaar uitdijende logboek van virtueel papier waarin zij dagelijks hun verlangens en hun verveling uiten, en de dromen dromen die ik ooit in een bungelende gamel voorbij zag vliegen.
(Knack 11 augustus 2010)
11 augustus 2010
01 juni 2010
Democratie? Dream on
Sommige mensen denken dat wij in een democratie leven. Zij ijlen. Democratie betekent: het volk heerst. Dat is in de geschiedenis nog nooit gebeurd. De democratie heeft nog nooit bestaan. Het enige wat je kunt zeggen is dat politieke macht nu meer gedecentraliseerd, beter gecontroleerd en duidelijker gelimiteerd is dan vroeger. Althans in dit deel van de wereld. Hier heersen geen Nero’s en geen Mao’s en geen Mobutu’s meer. Je kunt Yves Leterme veel verwijten maar een Idi Amin was hij niet. Het volk is vele malen beter beschermd tegen de willekeur en de terreur van de machthebber dan vroeger. Maar een democratie? Niet echt.
Sinds de Verlichting hebben de politieke elites in dit deel van de wereld een vernuftig systeem ontwikkeld om het volk permanent van de macht weg te houden zonder dat het volk daarover gaat morren. Dit systeem heet parlementaire democratie. In een parlementaire democratie oefent het volk geen directe macht uit, maar stemt het ermee in dat een beperkte groep van mannen en vrouwen haar vertegenwoordigt. Geen directe democratie dus, maar een representatieve democratie. Dit systeem van volksvertegenwoordiging is onvermijdelijk, zo heet het, omdat onze maatschappijen, staten, culturen nu eenmaal te groot, te complex zijn geworden. Je kunt Frankrijk niet runnen als een republikeinse stadstaat waar een paar honderd burgers dagelijks of wekelijks in de agora samenkomen om zichzelf te besturen. Representatieve democratie is een soort second best systeem, onontbeerlijk daar waar direct en democratisch zelfbestuur niet meer mogelijk is.
In tegenstelling tot wat goedgelovige volkeren graag geloven, kiezen deze volkeren in dit systeem ook niet wie hun zal vertegenwoordigen. Al zou uw buurman een geniaal politiek verstand hebben, u kunt hem niet naar het parlement stemmen, tenzij hij zich in de gunst van een of andere partijtop hijst en zo een verkiesbare plaats op een kieslijst bemachtigt. Wie het volk eventueel mag vertegenwoordigen, dat beslissen de Mariannes en de Carolines van deze wereld. Deze representatieve democratie is immers ook een particratie, een politiek systeem waar op het schaakbord van de macht politieke partijen de belangrijkste spelers zijn. De volksmacht wordt dus minstens tweemaal gebreideld: door vertegenwoordigers en door partijen die deze vertegenwoordigers selecteren, rangschikken, benoemen, afzetten.
Om de mensen ondanks deze dubbele aanfluiting te doen blijven geloven in de sentimentele fictie dat zij het voor het zeggen hebben, organiseren politieke machthebbers af en toe parlementaire verkiezingen. Parlementaire verkiezingen zijn een ritueel waarbij een bevolking periodiek bevestigt dat zij afstand doet van elke machtsoefening. Telkens wanneer een kiezer in het pashokje van de macht een bolletje inkleurt of electronisch aanstipt, zegt hij in wezen dit: wat mij betreft heeft u en niet ik de macht. Hij geeft zijn stem en maakt zichzelf dus sprakeloos. Wie stemt verstomt. Maar zo lang de stemgerechtigde of stemplichtige meerderheid van de bevolking gelooft dat verkiezingen een vorm van democratische machtsuitoefening zijn, of op zijn minst van machtscontrole, hoeven de werkelijke machthebbers niets te vrezen. Alles wijst erop dat dit in Vlaanderen momenteel nog steeds het geval is.
Na de kreet van zanger Stijn Meuris kwamen in de Vlaamse media tientallen bekende burgers uit diverse sectoren aan het woord, die allemaal grosso modo hetzelfde zeiden: wat Meuris zegt is sympathiek, begrijpelijk, ook ik ben boos, enzovoort – maar ik ga toch stemmen. Stemmen is een recht waar generaties voor hebben gevochten. Stemmen is een burgerplicht. Wie niet gaat stemmen moet na de verkiezingen ook niet komen mopperen. (Alsof eventueel gemopper van wie wél gaat stemmen na de verkiezingen wél enig effect zou sorteren.) Dat was de algemene teneur. Hoe boos, bedroefd en verontwaardigd de meeste stemplichtigen in dit land momenteel ook klinken, ze zijn er nog steeds van overtuigd dat deelnemen aan de verkiezingen een politiek zinvolle daad is. Het fenomeen verkiezingen wordt niet ter discussie gesteld. Het idee dat verkiezingen dienen om burgers van de macht wég te houden, is tot de meeste burgers nog niet doorgedrongen.
Niemand onder hen zal de volgende jaren iets te zeggen hebben. Niemand onder hen zal de volgende regering samenstellen of haar doen vallen. Maar allemaal geloven ze in het grote belang van deelname aan rituele verkiezingen. Dat is de vitale illusie die deze schijndemocratie in stand houdt.
(Knack 2 juni 2010)
Sinds de Verlichting hebben de politieke elites in dit deel van de wereld een vernuftig systeem ontwikkeld om het volk permanent van de macht weg te houden zonder dat het volk daarover gaat morren. Dit systeem heet parlementaire democratie. In een parlementaire democratie oefent het volk geen directe macht uit, maar stemt het ermee in dat een beperkte groep van mannen en vrouwen haar vertegenwoordigt. Geen directe democratie dus, maar een representatieve democratie. Dit systeem van volksvertegenwoordiging is onvermijdelijk, zo heet het, omdat onze maatschappijen, staten, culturen nu eenmaal te groot, te complex zijn geworden. Je kunt Frankrijk niet runnen als een republikeinse stadstaat waar een paar honderd burgers dagelijks of wekelijks in de agora samenkomen om zichzelf te besturen. Representatieve democratie is een soort second best systeem, onontbeerlijk daar waar direct en democratisch zelfbestuur niet meer mogelijk is.
In tegenstelling tot wat goedgelovige volkeren graag geloven, kiezen deze volkeren in dit systeem ook niet wie hun zal vertegenwoordigen. Al zou uw buurman een geniaal politiek verstand hebben, u kunt hem niet naar het parlement stemmen, tenzij hij zich in de gunst van een of andere partijtop hijst en zo een verkiesbare plaats op een kieslijst bemachtigt. Wie het volk eventueel mag vertegenwoordigen, dat beslissen de Mariannes en de Carolines van deze wereld. Deze representatieve democratie is immers ook een particratie, een politiek systeem waar op het schaakbord van de macht politieke partijen de belangrijkste spelers zijn. De volksmacht wordt dus minstens tweemaal gebreideld: door vertegenwoordigers en door partijen die deze vertegenwoordigers selecteren, rangschikken, benoemen, afzetten.
Om de mensen ondanks deze dubbele aanfluiting te doen blijven geloven in de sentimentele fictie dat zij het voor het zeggen hebben, organiseren politieke machthebbers af en toe parlementaire verkiezingen. Parlementaire verkiezingen zijn een ritueel waarbij een bevolking periodiek bevestigt dat zij afstand doet van elke machtsoefening. Telkens wanneer een kiezer in het pashokje van de macht een bolletje inkleurt of electronisch aanstipt, zegt hij in wezen dit: wat mij betreft heeft u en niet ik de macht. Hij geeft zijn stem en maakt zichzelf dus sprakeloos. Wie stemt verstomt. Maar zo lang de stemgerechtigde of stemplichtige meerderheid van de bevolking gelooft dat verkiezingen een vorm van democratische machtsuitoefening zijn, of op zijn minst van machtscontrole, hoeven de werkelijke machthebbers niets te vrezen. Alles wijst erop dat dit in Vlaanderen momenteel nog steeds het geval is.
Na de kreet van zanger Stijn Meuris kwamen in de Vlaamse media tientallen bekende burgers uit diverse sectoren aan het woord, die allemaal grosso modo hetzelfde zeiden: wat Meuris zegt is sympathiek, begrijpelijk, ook ik ben boos, enzovoort – maar ik ga toch stemmen. Stemmen is een recht waar generaties voor hebben gevochten. Stemmen is een burgerplicht. Wie niet gaat stemmen moet na de verkiezingen ook niet komen mopperen. (Alsof eventueel gemopper van wie wél gaat stemmen na de verkiezingen wél enig effect zou sorteren.) Dat was de algemene teneur. Hoe boos, bedroefd en verontwaardigd de meeste stemplichtigen in dit land momenteel ook klinken, ze zijn er nog steeds van overtuigd dat deelnemen aan de verkiezingen een politiek zinvolle daad is. Het fenomeen verkiezingen wordt niet ter discussie gesteld. Het idee dat verkiezingen dienen om burgers van de macht wég te houden, is tot de meeste burgers nog niet doorgedrongen.
Niemand onder hen zal de volgende jaren iets te zeggen hebben. Niemand onder hen zal de volgende regering samenstellen of haar doen vallen. Maar allemaal geloven ze in het grote belang van deelname aan rituele verkiezingen. Dat is de vitale illusie die deze schijndemocratie in stand houdt.
(Knack 2 juni 2010)
31 maart 2010
Dit morose land
Drie weken geleden kon u hier (en in Knack) kennis nemen van een paar maatregelen die ik als verlicht despoot per direct zou treffen om dit morose land te redden van de totale kladderadatsch. ("Mijn laatste droom", zie hieronder) Mijn programma heeft de bevolking blijkbaar aangesproken. Uit de vele tienduizenden reacties die ik mocht ontvangen gutste enthousiasme. Hier en daar een reactionaire romanticus die iets kwebbelde over democratisch deficit, maar de meeste mensen snakken duidelijk naar het verlicht despotische regime dat ik hier voorstelde.
Met name mijn plan om een staatskrant op te richten heeft brede lagen van de bevolking weer hoop gegeven. In verbolgen mails en brieven ventten vele medeburgers hun ontevredenheid over de kwaliteit van de kwaliteitspers. De mensen ergeren zich aan al die beledigende simplismen, overbodige herhalingen, betwistbare en soms ronduit bizarre keuzes en klemtonen.

Voorbeeld: tien jaar geleden overleed de Vlaamse journalist Johan Anthierens. Dat werd de afgelopen weken in vele Vlaamse media uitvoerig herdacht. Maar vijfentwintig jaar geleden kwam in de USSR Mikhaïl Gorbatsjov aan de macht, wat het begin betekende van de meest ingrijpende omwenteling in de politieke geschiedenis van Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.
Daarover heeft u niets maar dan ook werkelijk niets van betekenis vernomen in de vaderlandse pers. Terwijl je toch geen verlicht despoot moet zijn om te beseffen dat – enfin. En als we dan toch kalenderjournalistiek bedrijven: in januari was Albert Camus vijftig jaar dood. Ook daarover is in onze pers niet één interessant stuk verschenen.
Ik mocht ook talloze spontane sollicitaties voor mijn staatskrant ontvangen, vooral van de betere journalisten die momenteel nog werkzaam zijn op de redacties van De Morgen, De Standaard en de vrt-nieuwsdienst. Allen zeiden te smachten naar een soort Vlaamse International Herald Tribune: een kleine, fijne topkrant, uitstekende pennen, verrukkelijk saaie vormgeving, achttien pagina’s per dag, geen komma meer.
Bij de vrt werken trouwens een paar hardleerse provincialen. In mijn beleidsverklaring had ik zweepslagen beloofd voor journalisten die in nationale nieuwsbulletins nog zouden berichten over verdronken paarden of brandende frituren. Mijn woorden waren nog niet gedrukt of op de site van deredactie.be was het weer prijs: “In Oud-Turnhout is een paard afgemaakt nadat het was aangereden door een quad.” (7 maart) 15 maart, zelfde site: “In Zutendaal is gisteren een ruiter om het leven gekomen tijdens een paardenevenement.” 20 maart: “In Arendonk zijn vanmiddag een paard, een man en zijn koets in het kanaal terechtgekomen.” Wat is dat met paarden op de vrt? Leven wij hier in een manège of zo? En als dit nationaal nieuws hoort te zijn volgens de Vlaamse openbare omroep, wat zou dan regionaal nieuws zijn?
Ook een despoot heeft twijfels. Zo ben ik er nog steeds niet uit of ik Vlaanderen onafhankelijk zou verklaren of niet. Misschien zouden de Vlamingen meer op hun gemak zijn als ze gewoon onder elkaar waren. Samen naar de koers kijken, pintje pakken, alles goed met de kinderen? Gemoedelijke, beetje schichtige mensen, niets kwaads in de zin – totdat er in Le Soir een beroerd opiniestukje verschijnt tegen de Vlaamse wooncode, geïllustreerd met een foto van een massagraf in Nigeria – slachtoffers van etnische zuiveringen. Bart de Wever was zo verstandig om de bevolking te attenderen op iets waarvan geen Vlaming het bestaan vermoedde, namelijk een slecht opiniestuk in een Franstalige gazet. ‘Le Soir is een haatdragende krant,’ verklaarde de boeddha van de Vlaamse verongelijktheid, en diende prompt een klacht in bij het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding. Waarop Bieke van Le Soir dan weer in alle Vlaamse media kwam janken dat De Wevers beschuldiging “beledigend, onterecht en onrechtvaardig” was. (Despoot slaakt diepe zucht:) Vlamingen en Franstaligen, nog altijd halen ze soms het slechtste, het kleinste, het zieligste in elkaar naar boven.
Was die foto overdreven? Natuurlijk was die foto overdreven. Maar overdrijven is een wezenlijk onderdeel van polemische communicatie en polemiek kun je net zo goed met beelden als met woorden voeren. In de context van dat stukje was er helemaal niks mis met die foto. Sterker, die foto heeft zeer goed gewerkt, als je ziet hoe de Vlaamse goegemeente zich erdoor heeft laten provoceren. Ik moest terugdenken aan Les Flamingants en de woedende verontwaardiging die dat scheldliedje van Jacques Brel hier ontketende, ruim dertig jaar geleden. Sommige Vlamingen hebben nog niets bijgeleerd.
Met name mijn plan om een staatskrant op te richten heeft brede lagen van de bevolking weer hoop gegeven. In verbolgen mails en brieven ventten vele medeburgers hun ontevredenheid over de kwaliteit van de kwaliteitspers. De mensen ergeren zich aan al die beledigende simplismen, overbodige herhalingen, betwistbare en soms ronduit bizarre keuzes en klemtonen.

Voorbeeld: tien jaar geleden overleed de Vlaamse journalist Johan Anthierens. Dat werd de afgelopen weken in vele Vlaamse media uitvoerig herdacht. Maar vijfentwintig jaar geleden kwam in de USSR Mikhaïl Gorbatsjov aan de macht, wat het begin betekende van de meest ingrijpende omwenteling in de politieke geschiedenis van Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.

Daarover heeft u niets maar dan ook werkelijk niets van betekenis vernomen in de vaderlandse pers. Terwijl je toch geen verlicht despoot moet zijn om te beseffen dat – enfin. En als we dan toch kalenderjournalistiek bedrijven: in januari was Albert Camus vijftig jaar dood. Ook daarover is in onze pers niet één interessant stuk verschenen.
Ik mocht ook talloze spontane sollicitaties voor mijn staatskrant ontvangen, vooral van de betere journalisten die momenteel nog werkzaam zijn op de redacties van De Morgen, De Standaard en de vrt-nieuwsdienst. Allen zeiden te smachten naar een soort Vlaamse International Herald Tribune: een kleine, fijne topkrant, uitstekende pennen, verrukkelijk saaie vormgeving, achttien pagina’s per dag, geen komma meer.
Bij de vrt werken trouwens een paar hardleerse provincialen. In mijn beleidsverklaring had ik zweepslagen beloofd voor journalisten die in nationale nieuwsbulletins nog zouden berichten over verdronken paarden of brandende frituren. Mijn woorden waren nog niet gedrukt of op de site van deredactie.be was het weer prijs: “In Oud-Turnhout is een paard afgemaakt nadat het was aangereden door een quad.” (7 maart) 15 maart, zelfde site: “In Zutendaal is gisteren een ruiter om het leven gekomen tijdens een paardenevenement.” 20 maart: “In Arendonk zijn vanmiddag een paard, een man en zijn koets in het kanaal terechtgekomen.” Wat is dat met paarden op de vrt? Leven wij hier in een manège of zo? En als dit nationaal nieuws hoort te zijn volgens de Vlaamse openbare omroep, wat zou dan regionaal nieuws zijn?
Ook een despoot heeft twijfels. Zo ben ik er nog steeds niet uit of ik Vlaanderen onafhankelijk zou verklaren of niet. Misschien zouden de Vlamingen meer op hun gemak zijn als ze gewoon onder elkaar waren. Samen naar de koers kijken, pintje pakken, alles goed met de kinderen? Gemoedelijke, beetje schichtige mensen, niets kwaads in de zin – totdat er in Le Soir een beroerd opiniestukje verschijnt tegen de Vlaamse wooncode, geïllustreerd met een foto van een massagraf in Nigeria – slachtoffers van etnische zuiveringen. Bart de Wever was zo verstandig om de bevolking te attenderen op iets waarvan geen Vlaming het bestaan vermoedde, namelijk een slecht opiniestuk in een Franstalige gazet. ‘Le Soir is een haatdragende krant,’ verklaarde de boeddha van de Vlaamse verongelijktheid, en diende prompt een klacht in bij het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding. Waarop Bieke van Le Soir dan weer in alle Vlaamse media kwam janken dat De Wevers beschuldiging “beledigend, onterecht en onrechtvaardig” was. (Despoot slaakt diepe zucht:) Vlamingen en Franstaligen, nog altijd halen ze soms het slechtste, het kleinste, het zieligste in elkaar naar boven.
Was die foto overdreven? Natuurlijk was die foto overdreven. Maar overdrijven is een wezenlijk onderdeel van polemische communicatie en polemiek kun je net zo goed met beelden als met woorden voeren. In de context van dat stukje was er helemaal niks mis met die foto. Sterker, die foto heeft zeer goed gewerkt, als je ziet hoe de Vlaamse goegemeente zich erdoor heeft laten provoceren. Ik moest terugdenken aan Les Flamingants en de woedende verontwaardiging die dat scheldliedje van Jacques Brel hier ontketende, ruim dertig jaar geleden. Sommige Vlamingen hebben nog niets bijgeleerd.
10 maart 2010
Mijn laatste droom
Niemand vraagt mij nog wat ik later wil worden. Dat krijg je als je vijftig bent. Zoveel later heb je dan niet meer. Dat zeggen de mensen natuurlijk nooit in je gezicht, maar dat denken ze wel. En de mensen krijgen in deze wereld vaak gelijk, ook als ze het niet hebben. Maar tien jaar geleden hoorde ik die vraag ook al niet meer: wat wil je later worden? Wat ga je later doen? Terwijl ik toen toch nog behoorlijk wat later had. Kennelijk heeft die vraag een leeftijdsgrens, komt er een moment waarna het niet meer welvoeglijk is om iemand te vragen naar toekomstplannen die hij wellicht niet meer heeft, dromen die hij wellicht niet meer koestert, wegens - nou ja, te oud dus.
Toch heb ik nog één droom. Ik zou nog graag despoot worden. Verlicht natuurlijk, maar toch despoot. Ik vind dat ik daar nu de juiste leeftijd, de vereiste maturiteit voor heb. Despoot mag je niet te jong worden. Kijk naar Nero. Keizer op zijn zeventiende, dood op zijn eenendertigste. Liet een ontzettende puinzooi achter. Veel te jong aan de top gekomen. Kon duidelijk niet om met de macht. Of neem Richard II. Koning van Engeland op zijn tiende. Verbijsterde vriend en vijand toen hij op zijn veertiende door onderhandelingen een einde maakte aan een boerenopstand. Dat gaat zo’n cadet naar het hoofd natuurlijk. Richard werd helemaal zot van eigendunk. Graaide in de staatskas, verbande, beboette en executeerde tegenstanders à volonté. Afgezet en dood op zijn drieëndertigste. Had Shakespeare geen weergaloos stuk over hem geschreven, wij zouden van Richard II niet meer spreken. Verlicht despotisme is niets voor tieners.
Maar ik ben er klaar voor. Ik heb genoeg gelezen, genoeg gereisd, genoeg mensen gesproken, de wereld lang genoeg geobserveerd om te weten dat het zo niet verder kan. Ik wil mijn verantwoordelijkheid niet langer ontlopen.
Ik beloof dat ik op de eerste dag van mijn verlicht bewind het parlement zal sluiten. Die ouderwetse praatbarak bezit niet de macht en zeker niet het talent om de problemen van deze tijd het hoofd te bieden. Ik installeer meteen een oligarchie. Het dagelijks bestuur van het land komt in handen van een paar uiterst intelligente en bekwame mannen en vrouwen die mij voldoende integer lijken om op zindelijke wijze met macht om te gaan. Ik denk aan Bert De Graeve, Frank Vandenbroucke, Christine Van Broeckhoven en Bea Cantillon. Aan Paul de Grauwe vraag ik om een alternatief economisch model te ontwikkelen. Op mijn tweede despotendag sluit ik immers de beurs. Er moet een einde komen aan de permanente financiële onzekerheid waarin mensen als gevolg van al dat tomeloze gesjacher al vele decennia verkeren.
Op mijn derde dag nodig ik mijn oude prof Etienne Vermeersch uit. Hij moet me komen uitleggen waarom hij zich met die rare Gravensteengroep heeft vereenzelvigd, en waarom hij denkt dat een onafhankelijk Vlaanderen democratischer zou zijn dan België ooit is geweest. Ik vermoed hier volksverlakkerij, maar als Vermeersch mij kan overtuigen dat, ik zeg maar wat, in zo’n Vlaanderen het erfrecht fundamenteel wordt herzien, dat de vermogensbelasting er tien keer hoger zal zijn dan de belasting op arbeid, dat verplegers en verpleegsters er minstens evenveel zullen verdienen als topvoetballers en vrouwen niet minder dan mannen – goed, dan scheur ik ons af. Dan maak ik van Vlaanderen een utopische bonzai-republiek, een soort politiek madurodam dat grotere, onrechtvaardigere mogendheden tot voorbeeld zal strekken. De monarchie wordt sowieso afgeschaft.
Op de vierde dag richt ik een staatskrant op. Een krant zonder advertenties, zonder regionaal flutnieuws, zonder narcistische, schmierende journalisten, een krant die zijn lezers niet opvrijt, geen bonnetjes of gratis tickets uitdeelt, een uitmuntend geschreven krant die mij uitstekend informeert over wat er werkelijk toe doet in de wereld, zonder commerciële en andere tactische bijgedachten. En ik beloof vele zweepslagen voor elke journalist die het nog bestaat om in nationale nieuwsuitzendingen te berichten over een verdronken paard of een brandend fritkot.
Op de vijfde dag laat ik een aantal mensen arresteren, niet omdat ze misdadigers zijn, maar gewoon, omdat ik ze vervelend vind. Draaikonten, konkelaars, gluiperds, genre Noël Slangen of Siegfried Bracke: de nor in. Maar verlicht als ik ben laat ik hen niet ophangen, liever spreek ik de gruwelijkste straf uit die zulke mensen in deze tijden kan treffen: ze mogen nooit meer op teevee. O heerlijke nieuwe wereld!
Toch heb ik nog één droom. Ik zou nog graag despoot worden. Verlicht natuurlijk, maar toch despoot. Ik vind dat ik daar nu de juiste leeftijd, de vereiste maturiteit voor heb. Despoot mag je niet te jong worden. Kijk naar Nero. Keizer op zijn zeventiende, dood op zijn eenendertigste. Liet een ontzettende puinzooi achter. Veel te jong aan de top gekomen. Kon duidelijk niet om met de macht. Of neem Richard II. Koning van Engeland op zijn tiende. Verbijsterde vriend en vijand toen hij op zijn veertiende door onderhandelingen een einde maakte aan een boerenopstand. Dat gaat zo’n cadet naar het hoofd natuurlijk. Richard werd helemaal zot van eigendunk. Graaide in de staatskas, verbande, beboette en executeerde tegenstanders à volonté. Afgezet en dood op zijn drieëndertigste. Had Shakespeare geen weergaloos stuk over hem geschreven, wij zouden van Richard II niet meer spreken. Verlicht despotisme is niets voor tieners.
Maar ik ben er klaar voor. Ik heb genoeg gelezen, genoeg gereisd, genoeg mensen gesproken, de wereld lang genoeg geobserveerd om te weten dat het zo niet verder kan. Ik wil mijn verantwoordelijkheid niet langer ontlopen.
Ik beloof dat ik op de eerste dag van mijn verlicht bewind het parlement zal sluiten. Die ouderwetse praatbarak bezit niet de macht en zeker niet het talent om de problemen van deze tijd het hoofd te bieden. Ik installeer meteen een oligarchie. Het dagelijks bestuur van het land komt in handen van een paar uiterst intelligente en bekwame mannen en vrouwen die mij voldoende integer lijken om op zindelijke wijze met macht om te gaan. Ik denk aan Bert De Graeve, Frank Vandenbroucke, Christine Van Broeckhoven en Bea Cantillon. Aan Paul de Grauwe vraag ik om een alternatief economisch model te ontwikkelen. Op mijn tweede despotendag sluit ik immers de beurs. Er moet een einde komen aan de permanente financiële onzekerheid waarin mensen als gevolg van al dat tomeloze gesjacher al vele decennia verkeren.
Op mijn derde dag nodig ik mijn oude prof Etienne Vermeersch uit. Hij moet me komen uitleggen waarom hij zich met die rare Gravensteengroep heeft vereenzelvigd, en waarom hij denkt dat een onafhankelijk Vlaanderen democratischer zou zijn dan België ooit is geweest. Ik vermoed hier volksverlakkerij, maar als Vermeersch mij kan overtuigen dat, ik zeg maar wat, in zo’n Vlaanderen het erfrecht fundamenteel wordt herzien, dat de vermogensbelasting er tien keer hoger zal zijn dan de belasting op arbeid, dat verplegers en verpleegsters er minstens evenveel zullen verdienen als topvoetballers en vrouwen niet minder dan mannen – goed, dan scheur ik ons af. Dan maak ik van Vlaanderen een utopische bonzai-republiek, een soort politiek madurodam dat grotere, onrechtvaardigere mogendheden tot voorbeeld zal strekken. De monarchie wordt sowieso afgeschaft.
Op de vierde dag richt ik een staatskrant op. Een krant zonder advertenties, zonder regionaal flutnieuws, zonder narcistische, schmierende journalisten, een krant die zijn lezers niet opvrijt, geen bonnetjes of gratis tickets uitdeelt, een uitmuntend geschreven krant die mij uitstekend informeert over wat er werkelijk toe doet in de wereld, zonder commerciële en andere tactische bijgedachten. En ik beloof vele zweepslagen voor elke journalist die het nog bestaat om in nationale nieuwsuitzendingen te berichten over een verdronken paard of een brandend fritkot.
Op de vijfde dag laat ik een aantal mensen arresteren, niet omdat ze misdadigers zijn, maar gewoon, omdat ik ze vervelend vind. Draaikonten, konkelaars, gluiperds, genre Noël Slangen of Siegfried Bracke: de nor in. Maar verlicht als ik ben laat ik hen niet ophangen, liever spreek ik de gruwelijkste straf uit die zulke mensen in deze tijden kan treffen: ze mogen nooit meer op teevee. O heerlijke nieuwe wereld!
17 februari 2010
Frank Vandenbroucke naar Voka?
De ene schreef een schunnige open brief, de andere een degelijk maar braaf artikel: over de recente media-interventies van Vokabaas De Bruyckere en SP.A-politicus Frank Vandenbroucke.
Vorige week publiceerde Luc De Bruyckere, voorzitter van het Vlaams netwerk van ondernemingen Voka, op de opiniepagina van De Morgen een “Open brief” gericht aan zijn kleinkinderen Arthur, Julie en Louise, “respectievelijk 6 jaar, 4 jaar en 6 maanden jong.” De Vokabaas vroeg zich af hoe hun wereld er anno 2028 zal uitzien. Door de vergrijzing en de explosieve stijging van de gezondheidszorgen zullen jullie minstens “3.000 euro extra belastingen moeten betalen,” zo had opa zijn grut alvast even voorgerekend. Waarna hij kort uitlegde hoe wij de generatie van zijn kleinkinderen kunnen en moeten behoeden voor dit fiscaal armageddon. Door te ondernemen natuurlijk. Wij moeten “radicaal investeren in de vernieuwing van onze business en onze economie, in de internationalisatie van onze activiteiten en in de ontwikkeling van onze mensen. Want enkel op die manier kan de werkgelegenheid van de toekomst worden gerealiseerd. Dan pas zullen er duurzame jobs komen.” Sic, sic, sic.
Het is niet de eerste en het zal niet de laatste keer zijn dat iemand uit werkgeverskringen deze hopeloze, duizendmaal weerlegde, tot op de draad versleten gemeenplaatsen debiteert. Toch ging ik weer lichtjes aan het schuimbekken bij het lezen van zoveel baarlijke onzin. Nog één keer: het doel van het neoliberale systeem is niét werkgelegenheid creëren, het doel is geld verdienen. Mét werknemers als het moet, zonder werknemers als het kan. Al de rest is vuige retoriek. Dat schuim had ook veel te maken met het format waarvoor de Vokabaas had gekozen. De open briefvorm was een even sentimentele als doorzichtige camouflagetechniek die geen ander doel had dan de belangen en overtuigingen van het patronaat zo onschuldig mogelijk voor te stellen. Uiteraard waren De Bruyckeres kleinkinderen niet de werkelijke bestemmelingen van zijn brief. Maar dankzij het personage van de minzame, bezorgde opa werd de strategie van de economische lobbygroep Voka vermomd als een ideologisch neutrale bekommernis omtrent het toekomstig welzijn van al onze kinderen en kleinkinderen. De inhoud van de brief was intellectueel armoedig, de vorm vuns en vals.
Ook de socialistische politicus Frank Vandenbroucke, alom gerespecteerd behalve door de lilliputters in zijn eigen partij die hem hebben kalltgestelt, publiceerde vorige week een tekst waarin hij nadenkt over de toekomst van de welvaart in dit land. Vandenbroucke schreef geen kleffe brief maar een uitvoerig artikel, neerslag van een lezing die hij onlangs hield, getiteld “Strategische keuzes voor het sociale beleid.” De gewezen minister maakt zich zorgen over de opnieuw toenemende ongelijkheid in de maatschappij (“Overal hebben de overheden hun herverdelende ambitie opgeborgen.”), over vergrijzing en pensioenen en gezondheidszorg en hoe dat allemaal te betalen moet blijven in de toekomst. Hij pleit, zoals je van een beetje socialist mag verwachten, “onverkort voor een egalitaire benadering” van het sociale beleid. En dus tegen een “individualisering van rechten” in de sociale zekerheid. Herverdeling moet “hoog op de agenda” blijven.
Vandenbroucke schrijft ook dat België heel zwaar zal moeten saneren wil het in 2015 een budgettair evenwicht bereiken, en dat we gedurende “een zekere periode de ruimte voor loonsverhogingen (zullen) moeten inruilen voor bijdragen in aanvullende pensioenregelingen.” Met name deze twee ideeën kregen meteen veel aandacht in de media. Waarom eigenlijk? Harde saneringen en géén loonsverhogingen: dat is natuurlijk wel een beetje vloeken in de rode kerk, maar zo radicaal zijn deze suggesties nu toch ook niet. Vandenbroucke schrijft doordacht, hij steunt zijn betoog met cijfers, hij analyseert en projecteert - en al is zijn betoog een beetje gortdroog, het heeft een niveau dat je in de Belgische politiek niet vaak tegenkomt. Maar waarom moest dit nu zo veel aandacht krijgen? Wat voor nieuws bevat zijn analyse eigenlijk? Ik heb er werkelijk niets in gelezen wat me opzienbarend, gedurfd, controversieel, verrassend, vernieuwend toescheen.
Als Vandenbrouckes essay moet worden geprezen omdat het een dappere wake-up call zou zijn, zoals hier en daar te lezen was, dan moeten zijn geestelijke soortgenoten wel in een heel diepe coma vertoeven.
Pregnanter lijkt me de vraag of het bevriezen van de lonen (ten voordele van aanvullende pensioenen) en een hard saneringsbeleid in deze door de banken verwoeste tijden wel socialistische prioriteiten zijn. Terwijl economen als Paul Krugman en Joseph Stiglitz – toch niet van de marxistische school – al maanden nadrukkelijk pleiten tégen drastische overheidsbesparingen en voor deficit spending, lijkt Vandenbroucke hier beleidsopties te onderschrijven waar opa De Bruyckere het alvast niet oneens mee zou zijn. Natuurlijk legt een Sp.a’er andere accenten dan Vokapitalisten. De ene wil altijd een beetje meer herverdeling via de overheid, de andere wil altijd een beetje meer ‘vrije markt’. Tussen die twee polen jojoot het systeem in West-Europa al ruim een halve eeuw. Maar misschien zijn voor een fundamentele, toekomstgerichte oplossing wel radicalere remedies nodig.
Lieve kleinkinderen, wij hebben zopas de banken genationaliseerd, alle bonussen afgeschaft en het gesjacher op beurzen bij wet verboden… Dat zou nog eens een opa zijn.
Vorige week publiceerde Luc De Bruyckere, voorzitter van het Vlaams netwerk van ondernemingen Voka, op de opiniepagina van De Morgen een “Open brief” gericht aan zijn kleinkinderen Arthur, Julie en Louise, “respectievelijk 6 jaar, 4 jaar en 6 maanden jong.” De Vokabaas vroeg zich af hoe hun wereld er anno 2028 zal uitzien. Door de vergrijzing en de explosieve stijging van de gezondheidszorgen zullen jullie minstens “3.000 euro extra belastingen moeten betalen,” zo had opa zijn grut alvast even voorgerekend. Waarna hij kort uitlegde hoe wij de generatie van zijn kleinkinderen kunnen en moeten behoeden voor dit fiscaal armageddon. Door te ondernemen natuurlijk. Wij moeten “radicaal investeren in de vernieuwing van onze business en onze economie, in de internationalisatie van onze activiteiten en in de ontwikkeling van onze mensen. Want enkel op die manier kan de werkgelegenheid van de toekomst worden gerealiseerd. Dan pas zullen er duurzame jobs komen.” Sic, sic, sic.
Het is niet de eerste en het zal niet de laatste keer zijn dat iemand uit werkgeverskringen deze hopeloze, duizendmaal weerlegde, tot op de draad versleten gemeenplaatsen debiteert. Toch ging ik weer lichtjes aan het schuimbekken bij het lezen van zoveel baarlijke onzin. Nog één keer: het doel van het neoliberale systeem is niét werkgelegenheid creëren, het doel is geld verdienen. Mét werknemers als het moet, zonder werknemers als het kan. Al de rest is vuige retoriek. Dat schuim had ook veel te maken met het format waarvoor de Vokabaas had gekozen. De open briefvorm was een even sentimentele als doorzichtige camouflagetechniek die geen ander doel had dan de belangen en overtuigingen van het patronaat zo onschuldig mogelijk voor te stellen. Uiteraard waren De Bruyckeres kleinkinderen niet de werkelijke bestemmelingen van zijn brief. Maar dankzij het personage van de minzame, bezorgde opa werd de strategie van de economische lobbygroep Voka vermomd als een ideologisch neutrale bekommernis omtrent het toekomstig welzijn van al onze kinderen en kleinkinderen. De inhoud van de brief was intellectueel armoedig, de vorm vuns en vals.
Ook de socialistische politicus Frank Vandenbroucke, alom gerespecteerd behalve door de lilliputters in zijn eigen partij die hem hebben kalltgestelt, publiceerde vorige week een tekst waarin hij nadenkt over de toekomst van de welvaart in dit land. Vandenbroucke schreef geen kleffe brief maar een uitvoerig artikel, neerslag van een lezing die hij onlangs hield, getiteld “Strategische keuzes voor het sociale beleid.” De gewezen minister maakt zich zorgen over de opnieuw toenemende ongelijkheid in de maatschappij (“Overal hebben de overheden hun herverdelende ambitie opgeborgen.”), over vergrijzing en pensioenen en gezondheidszorg en hoe dat allemaal te betalen moet blijven in de toekomst. Hij pleit, zoals je van een beetje socialist mag verwachten, “onverkort voor een egalitaire benadering” van het sociale beleid. En dus tegen een “individualisering van rechten” in de sociale zekerheid. Herverdeling moet “hoog op de agenda” blijven.
Vandenbroucke schrijft ook dat België heel zwaar zal moeten saneren wil het in 2015 een budgettair evenwicht bereiken, en dat we gedurende “een zekere periode de ruimte voor loonsverhogingen (zullen) moeten inruilen voor bijdragen in aanvullende pensioenregelingen.” Met name deze twee ideeën kregen meteen veel aandacht in de media. Waarom eigenlijk? Harde saneringen en géén loonsverhogingen: dat is natuurlijk wel een beetje vloeken in de rode kerk, maar zo radicaal zijn deze suggesties nu toch ook niet. Vandenbroucke schrijft doordacht, hij steunt zijn betoog met cijfers, hij analyseert en projecteert - en al is zijn betoog een beetje gortdroog, het heeft een niveau dat je in de Belgische politiek niet vaak tegenkomt. Maar waarom moest dit nu zo veel aandacht krijgen? Wat voor nieuws bevat zijn analyse eigenlijk? Ik heb er werkelijk niets in gelezen wat me opzienbarend, gedurfd, controversieel, verrassend, vernieuwend toescheen.
Als Vandenbrouckes essay moet worden geprezen omdat het een dappere wake-up call zou zijn, zoals hier en daar te lezen was, dan moeten zijn geestelijke soortgenoten wel in een heel diepe coma vertoeven.
Pregnanter lijkt me de vraag of het bevriezen van de lonen (ten voordele van aanvullende pensioenen) en een hard saneringsbeleid in deze door de banken verwoeste tijden wel socialistische prioriteiten zijn. Terwijl economen als Paul Krugman en Joseph Stiglitz – toch niet van de marxistische school – al maanden nadrukkelijk pleiten tégen drastische overheidsbesparingen en voor deficit spending, lijkt Vandenbroucke hier beleidsopties te onderschrijven waar opa De Bruyckere het alvast niet oneens mee zou zijn. Natuurlijk legt een Sp.a’er andere accenten dan Vokapitalisten. De ene wil altijd een beetje meer herverdeling via de overheid, de andere wil altijd een beetje meer ‘vrije markt’. Tussen die twee polen jojoot het systeem in West-Europa al ruim een halve eeuw. Maar misschien zijn voor een fundamentele, toekomstgerichte oplossing wel radicalere remedies nodig.
Lieve kleinkinderen, wij hebben zopas de banken genationaliseerd, alle bonussen afgeschaft en het gesjacher op beurzen bij wet verboden… Dat zou nog eens een opa zijn.
05 februari 2010
Obama in de zorgen

President Obama beleeft beroerde tijden. De werkloosheid blijft hoog, de hervorming van het zorgstelsel is mislukt, het verzet groeit. Ook in zijn State of the Union kon de president het tij niet keren.
“Ik geef niet op,” zei president Barack Obama vorige week woensdag (27 januari) aan het slot van zijn eerste State of the Union. Daarmee bedoelde hij in de eerste plaats dat hij de strijd voor een historische uitbreiding van de ziekteverzekering in de VS wil voortzetten, ook nu de Democraten in de Senaat de zetel van wijlen Ted Kennedy hebben verloren aan een Republikein. Door dat verlies beschikken de Democraten niet langer over de vereiste 60% meerderheid die nodig is om de oppositie geheel buitenspel te zetten. Dat de Democraten uitgerekend de zetel van Ted Kennedy verloren, een van de progressieve helden van hun partij die 47 jaar lang in de Senaat had geijverd voor een hervorming van de ziekteverzekering en toen net een jaartje te vroeg doodging, is meer dan een politieke tegenslag voor Obama, het is een blamage met tragische allures.
Iedereen die de Amerikaanse politiek van ver of nabij volgt vraagt zich af hoe het nu verder moet met die hervorming van de zorg. Ook de president en zijn adviseurs weten het blijkbaar niet. Obama bleef er bijzonder vaag over in zijn speech vorige week. De klemtoon lag, zoals iedereen had verwacht, op de noodzaak om nieuwe banen te creëren. “Jobs moeten onze topprioriteit in 2010 zijn,” luidde het. Dat is niet te verwonderen in een land waar de afgelopen twee jaar als gevolg van de crisis ruim zeven miljoen banen zijn verdampt. De bevolking mort, de polls zijn slecht, het ongeduld is groot. En dus herschikt de president zijn prioriteiten. Hij somde vier thema’s op die in de volgende maanden zijn bijzondere aandacht zullen genieten: financiële hervormingen – waarbij het voorstel om zomaar eventjes dertig miljard dollar van de grote banken in Wall Street over te hevelen naar kleinere ‘community banks’ het meest opvallende was -, innovatie, met name in de energiesector, een verdubbeling van de export in vijf jaar tijd, en een verbetering van het onderwijssyteem op alle niveaus. Niet echt revolutionaire dingen, wel veel nobele intenties natuurlijk, maar die vielen ook al te beluisteren in de speeches van Obama’s Democratische voorganger Jimmy Carter, ruim dertig jaar geleden.
Pas daarna sneed Obama het heikele thema van de gezondheidszorg aan. “Het zal ondertussen wel duidelijk zijn dat ik me niet op de gezondheidszorg heb gericht omdat ik dacht dat dit een politiek verstandige keuze was,” grapte de president. Zelfs de Republikeinen lachten (een beetje). Obama gaf toe dat hij het belang van zijn hervormingsplannen niet altijd even goed heeft uitgelegd aan de Amerikaanse bevolking. Op die manier nam hij een deel van de verantwoordelijkheid op zich voor de politieke impasse waarin het Amerikaanse beleid momenteel verkeert. Maar ook in zijn State of the Union – toch een van de meest bekeken televisieprogramma’s van het jaar in de VS - liet Obama de kans liggen om al die miljoenen mopperende en twijfelende Amerikanen te overtuigen van de noodzaak van zijn plannen. Aan de politici die voor hem zaten vroeg hij om zijn voorstellen opnieuw te bekijken. Het klonk bijna smekend: “Laat de hervormingen niet schieten. Niet nu. Niet nu we er zo dichtbij zijn. Laten we proberen elkaar te vinden en dit werk af te maken in het belang van het Amerikaanse volk. Laten we dit afmaken. Laten we dit afmaken. (Don’t walk away from reform. Not now. Not when we are so close. Let us find a way to come together and finish the job for the American people. Let’s get it done. Let’s get it done.) En als iemand van jullie een beter plan heeft om verzekeringspremies te verlagen, om het deficit te reduceren, om wie geen verzekering heeft te verzekeren en misbruik door verzekeringsmaatschappijen te stoppen – laat het mij dan weten,” aldus Obama, “ik wil het graag zien.”
Dat was een wat uitdagende maar tegelijk ook erg bescheiden poging om het zorgdebat nieuw leven in te blazen. Hoe anders klonk Obama in de grote speech over zorghervorming die hij voor ditzelfde Congres hield in september 2009, niet eens een half jaar geleden. “Ik wil altijd luisteren naar wie een ernstig voorstel heeft,” zei Obama toen, “maar ik heb geen tijd voor degenen die vinden dat het beter is om dit plan te torpederen dan om het te verbeteren. Ik zal niet dulden dat belangengroepen weer tactische spelletjes gaan spelen met de bedoeling dat alles precies zou blijven zoals het altijd al was. Wie de inhoud van dit plan verkeerd voorstelt, zal tot de orde worden geroepen,” waarschuwde Obama op een ongebruikelijk heftige, bijna dreigende toon. “Ik ben niet de eerste president die zich over de gezondheidszorg ontfermt,” zei hij nog, “maar ik ben vastbesloten om de laatste te zijn.” Die zin leverde hem vijf maanden geleden nog een donderend applaus op.
Laat er geen twijfel over bestaan: de hervorming van de ziektezorg kan niet, mag niet en zal niet nog eens een jaar worden uitgesteld.
President Obama, 24 februari 2009
Ook in zijn allereerste speech tot het Congres, in februari vorig jaar, luttele weken na zijn inauguratie, klonk de president erg ongeduldig en zelfverzekerd: “Laat er geen twijfel over bestaan: de hervorming van de ziektezorg kan niet, mag niet en zal niet nog eens een jaar worden uitgesteld.” (So let there be no doubt: healt care reform cannot wait, it must not wait, and it will not wait another year.) Toch besefte de president ook toen al dat hem ook zware economische uitdagingen wachtten. In de tweede zin van zijn speech zei hij: “Ik weet dat voor vele Amerikanen die nu zitten te kijken de toestand van onze economie de grootste zorg is.” Over zijn economische agenda was hij ook toen al heel duidelijk: It’s an agenda that begins with jobs.
Niettemin kun je stellen dat Obama, tot wanhoop van velen, ook in zijn eigen partij, in de daaropvolgende maanden veel meer aandacht en energie heeft besteed aan de hervorming van de zorgverzekering dan aan de economische problemen. Die verleiding is te begrijpen. Nooit was het momentum om de zorgverzekering grondig te hervormen groter dan in die eerste maanden van Obama’s presidentschap. Wat velen voor hem vergeefs hadden geprobeerd, leek nu eindelijk te zullen gaan lukken. Toen de Senaat op kerstavond 2009 na vijfentwintig dagen debatteren en verschillende stemronden eindelijk een wetsontwerp goedkeurde dat de gezondheidszorg fundamenteel zou veranderen, was de sfeer bij de Democraten en op vele plaatsen in de media ronduit euforisch. Er was sprake van een historische dag in de Amerikaanse politiek. Wellicht heeft dat verlangen om geschiedenis te schrijven een grote, misschien te grote aantrekkingskracht uitgeoefend op de president en zijn entourage, en is de aandacht voor andere dringende thema’s mede daardoor verslapt.
Overigens is het natuurlijk niet zo dat er in de VS géén ziekteverzekering of géén werkloosheidsuitkeringen bestaan, zoals vele Europeanen die een nogal simplistisch jungle-beeld van de VS hebben, schijnen te denken. De meeste legale, werkende Amerikanen zijn wel degelijk verzekerd. Dat is meteen ook een van de redenen waarom Obama bij de middenklasse zo snel zoveel populariteit heeft verloren: de economische recessie is voor veel meer mensen een probleem en een zorg dan de ziekteverzekering. Obama heeft er weliswaar steeds op gehamerd dat het huidige zorgsysteem in de VS geweldig duur en inefficiënt is en dat zijn hervormingsplannen dus ook economisch noodzakelijk en voordelig zijn, maar dat argument lijkt steeds minder indruk te maken op de vele duizenden Amerikanen die sceptisch staan tegenover Obama’s plannen, juist omdat ze die te duur vinden en beducht zijn voor de fiscale gevolgen ervan.
Ik ben niet de eerste president die zich over de gezondheidszorg ontfermt, maar ik ben vastbesloten om de laatste te zijn.
President Obama, 10 september 2009
De kritiek op Obama’s plan is tweeërlei. De voorgestelde hervormingen kosten te veel en ze geven te veel macht aan de federale overheid, iets waar heel veel Amerikanen traditioneel allergisch voor zijn.
Deze dubbele onvrede leidde in de zomermaanden van vorig jaar tot het ontstaan van allerlei protestgroepen die intussen landelijke bekendheid genieten als de Tea Party. Die naam refereert aan een historisch incident dat in 1773 plaatsvond in Boston (Massachusetts), toen balorige kolonisten daar uit protest tegen een belastingplan van Engeland de theelading van drie schepen in de haven loosden.
De Tea Party van vandaag verdedigt drie basiswaarden, zo staat te lezen op de officiële website van de beweging: “fiscale verantwoordelijkheidszin, een overheid met grondwettelijk begrensde bevoegdheden en de vrije markt.” Erg vernieuwend klinkt dat alvast niet. De beweging is dan ook zo reactionair als wat, ontstaan uit onvrede met excessive government spending en taxation, uit politieke allergieën dus die even oud zijn als de VS. “It’s just tax, tax, tax,” zei een onafhankelijke kiezer die vorige week in Massachusetts voor Scott Brown stemde, “and I think the people are just getting sick of it.”
Amerikanen zijn altijd als de dood geweest voor regeringen met ambitieuze plannen, omdat zulke plannen meestal veel geld kosten en dus tot hogere belastingheffingen leiden. En belastingen betalen is een burgerplicht waar Amerikanen altijd de grootste moeite mee hebben gehad. No taxation without representation luidde de slogan die de Onafhankelijkheidsoorlog inleidde. De kolonialen haalden er zelfs Shakespeare bij om lucht te geven aan hun afkeer van het Engelse belastingbeleid. Nog voor de Onafhankelijkheid circuleerde in Boston een parodie op Hamlets beroemdste monoloog: Be taxt or not be taxt – that is the question / Whether ‘tis nobler in our minds to suffer / The sleighs and cunning of deceitful statesmen / Or to petition ‘gainst illegal taxes / And by opposing, end them. Een viscerale afkeer van een belastingen heffende overheid: het zit Amerikanen in de genen. Het is precies die afkeer waar de Tea Party zich mee voedt.
Voorlopig gaat het hier nog om een erg amateuristisch georganiseerde club, zonder nationale leiders of structuren, maar dat kan snel veranderen als de populariteit van deze beweging zo blijft toenemen. Volgens een peiling van NBC en de Wall Street Journal in december, is 41 % van de Amerikanen voor de Tea Party, 35% voor de Democraten en slechts 28 % voor de Republikeinse partij (wat een totaal oplevert van 104% - zo wetenschappelijk zijn die peilingen ook weer niet).
De relatie tussen de Republikeinse partij en de Tea Party-beweging is dubbelzinnig. Sommige Republikeinen vinden dat de partij deze beweging moet omhelzen, anderen vrezen dat de Grand Old Party daardoor al te zeer in de greep van een erg rechts populisme zou raken, wat mainstream republikeinen dan weer naar het Democratische kamp zou kunnen jagen. Dezelfde ambiguïteit bij de Tea Party’ers: sommigen vinden dat deze spontane protestbeweging vooral buiten de bestaande politieke structuren moet blijven, anderen achten het opportunistischer om via het partijapparaat van de Republikeinen politieke macht te verwerven. Scott Brown, de republikein die twee weken geleden de senaatzetel van Ted Kennedy in Massachusetts veroverde, beweerde kort voor de verkiezingen dat hij helemaal niet wist wat de Tea Party was, terwijl hij enkele dagen eerder een fundraising dinner had bijgewoond ten voordele van zijn campagne, georganiseerd door de Greater Boston Tea Party. Republikeinen zijn natuurlijk wel geïnteresseerd in de steun en de stemmen van zogeheten Teapublicans, maar ze hebben zich nog niet met de beweging vereenzelvigd.
Tot nu toe heeft geen enkele toppoliticus met nationale bekendheid zich bij de theeclub gevoegd. Maar ook dat kan snel veranderen. Het hoogtepunt tijdens de National Tea Party Convention die deze week plaatsvindt in Nashville (Tennessee) is ongetwijfeld de speech van Sarah Palin. Een mens mag natuurlijk nooit te snel wanhopen, maar een snel groeiende grass roots beweging van buitengewoon ontstemde en politiek uiterst gepassioneerde Amerikaanse patriotten, aangevuurd door La Pasionara van Alaska… dat zou bij de verkiezingen in november wel eens de grootste electorale dreiging voor het traditionele tweepartijensysteem kunnen zijn sinds Ross Perrot.
Het lijdt geen twijfel dat Obama erg beroerde weken achter de rug heeft. Het verlies van Ted Kennedy’s senaatszetel is een catastrofe die kennelijk niemand in het Democratische kamp had zien aankomen. In zijn State of the Union klonk Obama dan wel vastbesloten om door te gaan met zijn beleid, maar hij zei niet hoe hij dat gaat doen, nu de kaarten zo veel slechter liggen dan twee weken geleden. De Republikeinen voelen zich gesterkt door de onverhoopte overwinning van Scott Brown. De Tea Party heeft de wind in de zeilen. Conservatieve Democraten die de president tot nu toe node hebben gesteund, krabben zich achter de oren. En ook bij zijn eigen democratische kiezers en in de media neemt de scepsis toe. De magie is weg.
Laat de hervormingen niet schieten. Niet nu. Niet nu we er zo dichtbij zijn. Laten we proberen elkaar te vinden en dit werk af te maken in het belang van het Amerikaanse volk.
President Obama, 27 januari 2010
De verkiezingen zijn pas in november. Dat is in de politiek een eeuwigheid. Niets is zo grillig als een populariteitscurve. Ronald Reagan was tijdens de eerste tweeëneenhalf jaar van zijn presidentschap veel minder populair dan Obama nu is, terwijl iedereen zich de oerconservatieve republikein nu lijkt te herinneren als een uitermate populaire president. Die populariteit verwierf hij pas toen de Amerikaanse economie opveerde. Het zal Obama niet anders vergaan. Als de economische toestand de volgende maanden aanzienlijk verbetert en het aangekondigde banenbeleid succesvol is, dan hoeven de midtermverkiezingen voor de Democraten helemaal niet op een ramp uit te draaien. Maar als de president ook na zijn tweede ambtsjaar geen tastbare economische verbeteringen kan voorleggen, dan dreigt voor de Democraten in november inderdaad een electoraal bloedbad. Volgens politieke analysten zouden er in november in het Huis van Afgevaardigden 58 Democratische zetels ‘onzeker’ zijn. Om de meerderheid in het Huis te heroveren, moeten de Republikeinen 40 van die 58 zetels inpikken (en al hun eigen herverkiesbare zetels behouden). Dat lijkt veel, maar er is een akelig precedent. In 1994, bij midtermverkiezingen tijdens de eerste ambtstermijn van Bill Clinton, verloren de Democraten maar liefst 54 zetels in het Huis van Afgevaardigden, waardoor de Republikeinen voor het eerst in veertig jaar opnieuw de meerderheid vormden. Die desastreuze nederlaag was mede veroorzaakt door Clintons mislukte poging eerder dat jaar om de gezondheidszorg grondig te hervormen. Obama is een gewaarschuwd man.
19 januari 2010
Nutteloze nieuwjaarsbrief
Liefste meter en peter,
Ik weet het wel, gij zijt al keilang dood,
Wat kan mijn aards gewauwel u nog schelen,
Gij vindt het vast en zeker idioot,
Dat ik u nog een nieuwjaarsbrief wil mailen.
(O wist gij maar wat mailen was!
Een mailtje is een brief van glas)
Maar wees niet bang: ik vraag u geen cadeau,
Geen laptop, geen console en geen Wii,
De mens – en ik citeer Jean-Jacques Rousseau –
Kan echt wel leven zonder MP3.
Ik vraag alleen dat gij mij zoudt zien staan,
Hier in Tervuren met mijn rimramrijm,
Het duurt niet lang, hoor mij nu even aan,
Ik zal u niet vervelen met geslijm.
Wat geeft gij om ons roepen en ons smeken,
Daar op uw eeuwig onderduikadres,
Zo ver van ons verdriet en onze stress,
Van kanker en van rommelhypotheken.
Er was een tijd, maar dat is lang geleden,
Dat god ons lijden voor zijn rek’ning nam,
Waar is hij nu, de laffe ombudsman?
De hemel is een spambox vol gebeden.
Al heb ik dan aan uw hiernamaals schijt,
Al hou ik niet van tucht en penitentie,
Er zijn toch dagen dat ik u benijd,
Daar in uw transcendente residentie.
Want hier op aarde gaat het hel’maal mis,
De wereld is in handen van malloten,
Die doen alsof het nergens beter is,
Terwijl toch ied’reen weet: ‘t is naar de kloten.
Neem Vlaanderen, het land van uwe dromen,
Waar God u toesprak in het ABN,
Dat is in angst en welstand omgekomen,
Daar jankt een xenofoob in ieder gen.
Verwekt uit achterdocht en eigenwaan,
Probeert het al wat vreemd is weg te pesten,
Het spreekt geen taal, het brabbelt zelfvoldaan,
Het slikt en spaart en huichelt als de besten.
Ook elders zorgt de mens voor veel ellende,
Hij steelt en liegt, hij sjachert en hij moordt,
Zelfs in dat nette land van Balkenende,
Wordt soms de rust op straat ineens verstoord.
Geloof mij maar, het gaat hier echt niet goed,
Neem vorig jaar – ook dit verzin ik niet –
Toen gingen banken zélf zowaar bankroet,
Het scheelde niks of alles was failliet.
Ik weet niet of gij daar waar gij nu staat,
De gaten in de ozonlaag kunt zien,
Het is te laat, om zeep is ons klimaat,
Wij hebben denk ik nog een jaar of tien.
Ik ben niet oud niet jong maar moe,
Want al dat peinzen, al dat internetten,
En al dat bloggen, zeiken in gazetten,
Wat doet het er in godsnaam toe?
Wat kan een mens die niet wil buigen nu nog doen?
Ach, toch niet wéér een column of een commentaar,
Ik denk dat ik maar eens een staatsgreep pleeg dit jaar.
Dag peter meter lief, een zoen van uw kapoen.
Ik weet het wel, gij zijt al keilang dood,
Wat kan mijn aards gewauwel u nog schelen,
Gij vindt het vast en zeker idioot,
Dat ik u nog een nieuwjaarsbrief wil mailen.
(O wist gij maar wat mailen was!
Een mailtje is een brief van glas)
Maar wees niet bang: ik vraag u geen cadeau,
Geen laptop, geen console en geen Wii,
De mens – en ik citeer Jean-Jacques Rousseau –
Kan echt wel leven zonder MP3.
Ik vraag alleen dat gij mij zoudt zien staan,
Hier in Tervuren met mijn rimramrijm,
Het duurt niet lang, hoor mij nu even aan,
Ik zal u niet vervelen met geslijm.
Wat geeft gij om ons roepen en ons smeken,
Daar op uw eeuwig onderduikadres,
Zo ver van ons verdriet en onze stress,
Van kanker en van rommelhypotheken.
Er was een tijd, maar dat is lang geleden,
Dat god ons lijden voor zijn rek’ning nam,
Waar is hij nu, de laffe ombudsman?
De hemel is een spambox vol gebeden.
Al heb ik dan aan uw hiernamaals schijt,
Al hou ik niet van tucht en penitentie,
Er zijn toch dagen dat ik u benijd,
Daar in uw transcendente residentie.
Want hier op aarde gaat het hel’maal mis,
De wereld is in handen van malloten,
Die doen alsof het nergens beter is,
Terwijl toch ied’reen weet: ‘t is naar de kloten.
Neem Vlaanderen, het land van uwe dromen,
Waar God u toesprak in het ABN,
Dat is in angst en welstand omgekomen,
Daar jankt een xenofoob in ieder gen.
Verwekt uit achterdocht en eigenwaan,
Probeert het al wat vreemd is weg te pesten,
Het spreekt geen taal, het brabbelt zelfvoldaan,
Het slikt en spaart en huichelt als de besten.
Ook elders zorgt de mens voor veel ellende,
Hij steelt en liegt, hij sjachert en hij moordt,
Zelfs in dat nette land van Balkenende,
Wordt soms de rust op straat ineens verstoord.
Geloof mij maar, het gaat hier echt niet goed,
Neem vorig jaar – ook dit verzin ik niet –
Toen gingen banken zélf zowaar bankroet,
Het scheelde niks of alles was failliet.
Ik weet niet of gij daar waar gij nu staat,
De gaten in de ozonlaag kunt zien,
Het is te laat, om zeep is ons klimaat,
Wij hebben denk ik nog een jaar of tien.
Ik ben niet oud niet jong maar moe,
Want al dat peinzen, al dat internetten,
En al dat bloggen, zeiken in gazetten,
Wat doet het er in godsnaam toe?
Wat kan een mens die niet wil buigen nu nog doen?
Ach, toch niet wéér een column of een commentaar,
Ik denk dat ik maar eens een staatsgreep pleeg dit jaar.
Dag peter meter lief, een zoen van uw kapoen.
Abonneren op:
Posts (Atom)