27 september 2010

Normaal

Wat is er eigenlijk gebeurd met het generatieconflict? Waarom is de 'jeugd van tegenwoordig' zo alarmerend normaal?

Ik ben het slachtoffer van een normale opvoeding. Mijn ouders hadden een blanco strafregister. Ik heb geen ooms in de psychiatrie, geen tantes in een vluchthuis. Mijn hele familie loopt vrij rond, gaat naar school, werkt, voedt kinderen op, reist en sterft. Wij hebben geen siamese vijflingen in ons bestand, geen terroristen en geen eerste ministers, niemand met aids of hadéadé, geen dislexie, zelfs geen homoseksuelen. Wij zijn zo normaal dat ik er onzeker van word. Wat is er mis met ons? Niets! Dat is ons probleem. Wij baden in het gewone.

Als ik dat dan allemaal lees en hoor, over die roomse rukkers en hun criminele soutaneseks met minderjarigen, dan begin ik me een beetje uitgesloten te voelen. Beledigd zelfs. Ik heb zes jaar in een katholieke kostschool doorgebracht en niet één keer heeft een pater mij bepoteld. Veel kattenkwaad uitgehaald, de boel behoorlijk op stelten gezet, vaak gestraft, maar nooit iets meegemaakt waarvan je zegt: hé, dit is iets voor de commissie Adriaenssens. Zés jaar zonder ook maar de geringste fysieke molestatie, weet u wat dat is? Weet u wat dat doet met een mens? Het maakt hem normaal.

Ooit betekende puberen je verzetten tegen alles wat ouderen normaal vinden. In ‘normaal’ zit ten slotte het woord ‘norm’, en normen in vraag stellen is wat een puber beroepshalve doet. Op mijn schoolagenda kleefde een sticker met het eenvoudige parool: ik ben overal tegen. Die agenda legde ik altijd op de rand van de bank, ter attentie van het voorbij wandelend gezag. Op de speelplaats bestreden wij het kapitalisme door de posters die de Amerikaanse multinational Coca-Cola onder de argeloze leerlingen had verspreid, in brand te steken. Wij kerfden ‘Mao’ en ‘Che’ in de toiletdeuren en wachtten op de revolutie.

In de tweede aflevering van het uitstekende televisieprogramma ‘De school van Lukaku’ zei een allochtoon meisje tot een volwassene die haar interviewde: “Wij willen doen zoals jullie.” (Woorden van die strekking.) “En wat is dat?” vroeg de volwassene. “Normaal zijn,” antwoordde het meisje. Normaal zijn! Een tiener die verlangt normaal te zijn! Ik voelde iets in mij verzakken. Zij bedoelde waarschijnlijk: erbij horen. Niet aangesproken worden op het feit dat je er een beetje anders uitziet misschien, een beetje anders praat, of misschien zelfs een ander geloof belijdt. De wens om normaal te zijn kan een verlangen uitdrukken om aanvaard te worden, gerespecteerd, ook al ben je een beetje anders dan vele anderen. In die zin is normaal willen zijn… normaal.

Niettemin bespeurde ik in haar wens iets wat tieners van nu onderscheidt van de tieners die wij ooit zijn geweest. Wij – blanke autochtonen allemaal – vonden normaal zijn helemaal niet normaal. Normaal was de wereld van de volwassenen, de leraars, de wetten en de plichten. Er ging een zekere terreur uit van dat begrip. Normaal zijn betekende gehoorzamen aan wat was. Geen lastige vragen stellen. Je begon pas iemand te zijn doordat je je tegen die terreur verzette. Door normen te betwisten. Wie dat niet deed was een conformist, en conformisme was een ernstige aandoening.

Was wat dat meisje op de televisie zei de verzuchting van een generatie? Ik ben bang van wel. De tieners, pubers, adolescenten van nu lijken me door de band genomen alarmerend normaal. Ik zie geen verzet, geen rebellie, terwijl er toch nog steeds een paar dingetjes mankgaan in de wereld. De bankencrisis, de olievlek, het ozongat, de politieke ellende in eigen land, de dagelijkse schandalen ver en dichtbij: het is allemaal wel erg natuurlijk, maar wat doe je eraan? Moet ik de wereld redden soms? Denk je dat het elders beter is? Wat zou je dan willen? Communisme? Doe een beetje normaal, zeg.

In mijn normale familie was het normaal dat de jeugd zich verzette. “Jeugd” associeerde je immers met kritiek, ideeën, verontwaardiging en, welja, naïviteit. Die tijd is voorbij. Wanneer heeft u voor het laatst scholieren en studenten zien betogen voor of tegen wat dan ook? Het generatieconflict – wat een ouderwets woord - is volkomen gedepolitiseerd, verschrompeld tot wat huiselijk gekibbel over kleren, zakgeld en hoe laat moet ik thuis zijn. Op dwarse denkbeelden en ambitieuze politieke dromen laat de jeugd van tegenwoordig zich niet meer betrappen. En dat is niét normaal.

06 september 2010

Saai en meeslepend: de nieuwe roman van Jonathan Franzen





Freedom, de nieuwe roman van de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen, was nog niet in de boekhandel gearriveerd en of daar viel het verzamelde recensentendom al op zijn rug, krijsend van bewondering, happend naar woorden om schrijver en roman het pantheon in te loven. “Het boek van de eeuw!” “Geniaal!” “De ultieme Amerikaanse roman!” Wat een opgefokte onzin allemaal.


Negen jaar geleden brak Jonathan Franzen (°1959) internationaal door met The Corrections (2001), een briljant geschreven, bijwijlen hilarische familieroman over de Lamberts, een zogenaamd dysfunctioneel gezin uit het midwesten van de VS. Maar The Corrections was meer, het was tegelijkertijd een messcherpe zedenroman over de VS in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. Een snoeiharde kritiek op het consumentisme, de neurosen, de paranoia, de medicalisering, het narcistische academische wereldje, kortom, op de hele “air-conditioned nightmare” zoals Henry Miller de Amerikaanse cultuur ooit omschreef. Superieure stijl en satirische humor behoedden de roman voor wijsneuzigheid en gemoraliseer. De typering van sommige personages, zoals de aan Parkinson lijdende vader Alfred Lambert, was ronduit onvergetelijk. En de manier waarop Franzen familiegeschiedenis en cultuurkritiek vervlocht, getuigde van groot vakmanschap. Zelfs wie niet van zulke realistische, breed opgezette en qua vorm tamelijk traditionele romans houdt, kon er niet omheen: The Corrections was een meesterwerk. Franzen won er de National Book Award mee, werd in 2002 genomineerd voor de Pulitzer (de prijs ging toen naar Richard Russo’s Empire Falls), en verkocht wereldwijd bijna drie miljoen exemplaren. Het gigantische succes van The Corrections verklaart de hype die nu, negen jaar later, de publicatie van Franzens nieuwe roman ontketent.

Net als The Corrections is ook Freedom in de eerste plaats een familiegeschiedenis. Deze keer gaat het over de Berglunds, vader Walter, moeder Patty en hun kinderen Jessica en Joey. We ontmoeten het gezin aan het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw in Ramsey Hill, een wijk in “het oude stadshart van St.Paul” (Minnesota), waar de Berglunds eendoor henzelf opgeknapt victoriaans huis bewonen. We maken ook kennis met de buren, de familie Paulsen aan de ene kant en de alleenstaande moeder Carol met haar dochter Connie aan de andere. Zoals The Corrections begint ook Freedom met een soort Proloog, waarin de belangrijkste personages en de hoofdmotieven van het verhaal al scherpe contouren krijgen. De Proloog heet ‘Goede buren’ en bevat onder meer deze zin: “Volgens Seth Paulsen (…) waren de Berglunds schoolvoorbeelden van het zich schuldig voelende soort progressievelingen die alles en iedereen van alles vergaven om zich niet zo bezwaard te hoeven voelen over hun eigen bevoorrechtheid.” Dit is vintage Franzen, een schrijver die als geen ander dwars door burgerlijke omgangsvormen en schijnheiligheden kan snijden en met vaak bijtende humor de pretenties, ambities en depressies van de blanke middenklasse in Amerika blootlegt.

De schijnvrede tussen de buren wordt duchtig op de proef gesteld wanneer bij de wat ordinaire Carol een nieuwe vriend intrekt die in huis rondloopt “in een shirt van de Vikings, met de veters van zijn werkschoenen los en een bierblik in de vuist.” Patty ergert zich dood aan de geluidsoverlast die de verbouwing van buurvrouw Carol en haar plebejische minnaar Blake veroorzaakt. Op een nacht steekt ze de gloednieuwe sneeuwbanden van Blake’s Ford 250 pickup kapot. Tot overmaat van ramp ontstaat er al heel vroeg een seksuele liaison tussen haar droomzoon Joey en het buurmeisje Connie. (“U2’s Achtung Baby was de soundtrack geweest van hun wederzijdse ontmaagding.”) Om van het gezeur en het protest van zijn ouders af te zijn – Connie mag niet meer bij de Berglunds binnenkomen – besluit het eigengereide zoontje op zijn zestiende in te trekken bij Carol, Connie en Blake. Deze “overdonderende daad van opstandigheid” is meteen het centrale incident in de Proloog, “een dolksteek recht in Patty’s hart – het begin van het einde van haar leven in Ramsey Hill.” Uiteindelijk zullen de Berglunds hun huis verkopen en in februari 2002 verhuist het gezin naar Washington, waar Walter een nieuwe baan heeft gevonden bij de Cerulean Mountain Trust, een vereniging die zich inzet voor “een volstrekt nieuwe manier van natuurbehoud.”

Na die proloog waaiert de roman in dikke hoofdstukken uit in ruimte en tijd, en krijgen we een haast episch te noemen portret te lezen van de Berglunds en de Emersons (Patty’s familie). Over hun ouders en hun grootouders, hun jeugd, hun studies, hun liefdes en hun idealen, hun vriendschappen en hun diepe teleurstellingen, de belangrijke sterfgevallen in beide families. Nog veel nadrukkelijker dan in The Corrections verweeft Franzen in deze roman familiegeschiedenis met de Amerikaanse actualiteit en de grote maatschappelijke thema’s van de afgelopen twintig jaar. Het portret van de Berglunds en de recente geschiedenis van Amerika zijn als twee tegenover elkaar geplaatste spiegels. 9/11, de oorlog in Irak, het desastreuze beleid van Bush en Cheney, Clinton en Lewinsky – het is allemaal zeer nadrukkelijk in deze roman aanwezig. De roman heeft daardoor soms een documentaire-achtig karakter, bijwijlen zelfs iets journalistiekerigs. Daartegenover staan de onveranderd verdrietige familiegeschiedenissen van de Berglunds en de mensen om hen heen, hun depressies, echtscheidingen, overspel, drankmisbruik, slaappillen, zelfmoord, enzovoort. Woody Allen meets Michael Moore: dat is zo ongeveer de legering, het mengsel dat Franzen hier serveert.

Een groot deel van het weinige wel en het vele wee dat de Berglunds treft komen we te weten in de eerste tweehonderd pagina’s van het boek, de “Autobiografie van Patty Berglund Door Patty Berglund”, geschreven “op aanraden van haar terapeut”. Deze drie hoofdstukken zijn zogenaamd geschreven door Patty zelf, maar niet in de eerste persoon, wel door “de autobiografe”. Dat leidt tot zinnen als: “De autobiografe zou Patty’s tranenvloed willen omschrijven als een regenbui (…).” “Zoals de autobiografe het zich herinnert (…).” “De autobiografe stelt met kracht dat ze niet wakker was op het moment dat ze Walter bedroog (…).” Dit is een omslachtige truc en een volstrekt ongeloofwaardige maskerade. Deze hoofdstukken – die vele prachtige observaties en beschrijvingen bevatten – zijn overduidelijk door dezelfde verteller geschreven als de rest van het boek. Op geen enkel moment geloof je dat Patty dit werkelijk zelf heeft geschreven. Patty is een narcistische, van zelfmedelijden vervulde burgertrut die helemaal niet in staat is tot het soort meta-denken dat “de autobiografe” in deze hoofdstukken beoefent, en dat natuurlijk het handelsmerk is van Franzen zelf. Maar Franzen heeft deze constructie nodig, omdat dit zogenaamd autobiografische geschrift van Patty in de derde persoon –een genadeloze reconstructie van een mislukt huwelijk - later door Walter zal worden gelezen, waarna hij besluit bij Patty weg te gaan. Maar bij een superieur schrijver als Franzen had ik deze onbeholpen perspectiefkeuze niet verwacht.

In het intellectuele leven van Walter primeren twee thema’s: milieu en overbevolking. Zijn ecologische bezorgdheid concentreert zich op de bescherming van de azuurzanger, “een van de ernstigst bedreigde zangvogelsoorten van Noord-Amerika.” Om deze vogel te redden bedenkt Walter een origineel samenwerkingsproject met de steenkoolindustrie in West Virginia, wat hem uiteindelijk zuur zal opbreken. Tegelijkertijd wilt Walter het bevolkingsvraagstuk opnieuw aan de orde stellen. Dat thema is in 2004 helemaal out, stelt hij vast, terwijl de bevolkingsgroei een gigantische dreiging is. “Het krijgen van kindjes“ zou weer “met een zekere gêne” moeten worden omgeven, vindt hij. “Zoals het roken van sigaretten gênant is. En vetzucht.” Om de bevolking voor zijn campagne te sensibiliseren organiseert Walter “een zomerfestival voor muziek en politiek.” Hij doet daarvoor een beroep op zijn goede jeugdvriend Richard Katz, een populair popmuzikant, stichtend lid van de band The Traumatics. (Er wordt wel erg veel over popmuziek geleuterd in dit boek.)

Richard is niet alleen jeugdvriend en muzikant. Hij is ook een ruige, knappe vent, een tomeloze vrouwenverslinder die op de Lybische leider Kadhafi lijkt. Hoewel Patty netjes trouwt met de nobele geheelonthouder Walter Berglund, heeft ze zich vanaf hun studentenjaren altijd veel meer aangetrokken gevoeld door hun gemeenschappelijke vriend Richard. U raadt het: ongelukkig getrouwde vrouw pleegt uiteindelijk overspel met de beste vriend van haar man – Franzen stuurt het verhaal soms dicht tegen de soap aan, maar het leven van dit soort mensen (in dit soort roman) is natuurlijk ook vaak een soap. Het emotionele kluwen Walter-Patty-Richard is zonder meer de belangrijkste en best uitgewerkte menselijk driehoek in het hele boek. Knap is ook de manier waarop Franzen dit erotisch imbroglio in de volgende generatie opnieuw gestalte geeft, wanneer Joey klem raakt tussen zijn vriendin Connie en de zus van zijn studiegenoot en goede vriend Jonathan, de “fameuze Jenna” wier adembenemende schoonheid “alles in haar nabijheid tot nul leek te reduceren.”

Ik ken geen hedendaags Amerikaans schrijver die de psychologie van mensen zo grondig, geloofwaardig, overtuigend kan uitbenen als Franzen. Met name hoe hij de erotische fantasieën en ervaringen van vrouwen navoelt, is verbluffend. (Voor zover ik het heb kunnen nagaan waren alle laaiende recensies die ik tot nu toe over Freedom heb gelezen geschreven door blanke mannen van middelbare leeftijd. Het zal me benieuwen hoe vrouwelijke lezers de overvloedige beschrijvingen van vrouwelijke seksualiteit in dit boek ervaren.) Een en ander culmineert in de schepping van Walters assistente Lalitha, een zeventwintigjarige vrouw van Indiase afkomst met wie de veel oudere Berglund een verhouding begint die onder Franzens hand uitgroeit tot een van de mooiste, aangrijpendste liefdesgeschiedenissen die ik de laatste tijd heb gelezen.

Net zo geslaagd zijn de dialogen in dit boek. De chagrijnige gesprekken tussen ouders en kinderen, de woordenwisselingen tussen geliefden, nu eens geil dan weer teder of woedend of onzeker, intellectuele discussies tussen vrienden – Franzen vat ze allemaal even virtuoos. In een interview met Time magazine vorige maand bekende de schrijver dat hij al die dialogen hardop oefent en dat hij na een dag schrijven dan ook vaak hees is.

Freedom is een gigantisch opgevatte roman over het menselijk gedoe, gevat in een snoeiharde kritiek op alle uitwassen en ontsporingen in de Amerikaanse maatschappij van de afgelopen twintig jaar. Het is een sombere, bittere symfonie over de condition humaine gemixed met een niet minder bittere lamentatio over Amerika.


Zegt Alitha op een gegeven moment: “Het enige wat deze wereld echt kan redden, is dat mensen anders gaan denken.” Dat lijkt me meteen de inzet te zijn van Franzens schrijverschap. Voor hem is de roman een instrument, een wapen om de maatschappelijke orde te kritiseren en misstanden aan de kaak te stellen. Dat is natuurlijk geen originele opvatting, en ze heeft al menig onleesbaar boek opgeleverd. Maar Franzen slaagt erin om de valkuilen van het didactische, belerende schrijven te ontwijken, al vond ik dat in The Corrections beter geslaagd dan in Freedom. Hier wegen de Grote Vragen en Dringende Problemen wel heel nadrukkelijk op de fictieve wereld die hij weliswaar met veel verve oproept, maar die soms ook dreigt te bezwijken onder de vele politiek correcte uitweidingen en bespiegelingen. Gaandeweg deed zich tijdens het lezen een merkwaardige ervaring voor: ik vond het boek saai en meeslepend. Saai, omdat de sores van deze hannessende mensen me maar matig interesseren. Meeslepend, omwille van het onbetwiste meesterschap waarmee Franzen deze wereld van sukkels en losers in een doldraaiend en gekmakend land tot leven weet te brengen.

Tot slot: Freedom is een vreselijke fluttitel. Hij doet de lezer wellicht denken dat “vrijheid” het hoofdthema van het boek is. Dat is maar zeer ten dele het geval. Jazeker, het woord komt vaak in de tekst voor, maar wat de verschillende personages – en de auteur in interviews – over dit onderwerp te vertellen hebben, is nu niet bepaald opzienbarend. Dat vrijheid geen onverdeelde zegen is, dat mensen soms verdwalen in hun vrijheid, de vrijheid niet aankunnen, enzoverder – dat is allemaal al duizend keer eerder en grondiger beschreven dan hier. Of deze: “Dat het systeem van dit land nooit zal veranderen,” zei Walter, heeft alles te maken met vrijheid. De reden waarom het kapitalisme in Europa kan worden beteugeld met wat wij socialisme noemen, is dat ze daar niet zo spastisch doen over persoonlijke vrijheden.” Van zulke inzichten kijkt toch niemand meer op, behalve een paar spastische Republikeinen.

Freedom is ontstaan uit een grootse ambitie, een haast heldhaftig geloof ook in de kracht en de relevantie van de roman als maatschappelijke tegenstem. Maar daarom is het nog niet de ultieme roman, wat sowieso een onzinnige kwalificatie is. Het is wél een belangrijk boek, dat beter verdient dan wat oppervlakkig gekrijs in de media. Wie dit boek leest denke aan de beroemde zin uit Henry David Thoreau’s Walden: Most men lead lives of quiet desperation and go to the grave with the song still in them. Want daarover gaat het, 589 bladzijden lang.

(Jonathan Franzen, Vrijheid, vertaald door Peter Abelsen. Amsterdam: prometheus, 2010.)

Zie ook:

http://cobra.be/cm/cobra/boek/boek-recensie/100906-sa-recensie_jonathanfranzen_frankalbers

01 september 2010

Boeken

Ik kon toch nergens heen. Rusland stond in brand, Pakistan onder water, China in de file en in de duinen van Zeebrugge lag een dode vrouw te wuiven. Ik nam dus een stoeltje en ging bij mijn boekenkast zitten.

Omdat een balk in het gebinte van mijn zolderkamer doormidden dreigde te splijten, hadden wij een aannemer ontboden. We wilden weten of ons huis van plan was in te storten. De aannemer had bezorgd gekeken, niet naar die gebarsten balk maar naar de boekenkast met de hier en daar lichtjes doorbuigende planken. Hij begreep die balk wel. Ik kon maar beter geen boeken meer toevoegen. De houten vloer stond al helemaal strak door het overgewicht. “Niet goed,” zei de minzame Limburger. Ik vroeg hem of alle aannemers boekenhaters waren. “Ich hem thuis genen enen boek è,” zong hij op het triomfantelijke af. “Alleen een lastenboek,” probeerde ik toch enige nuance aan te brengen. “Ja,” glimlachte de aannemer, “alleen een lastenboek.” Maar hij was onverzettelijk. Nog meer boeken zouden ons op een dag dakloos maken. In gedachten hoorde ik hoe met donderend geraas een einde kwam aan ons gezinsgeluk. Toen de aannemer weer weg was, keek mijn vrouw me aan alsof ons huis op de grens stond van China, Pakistan en Rusland. De conclusie was helder: er moesten boeken weg.

Daar zat ik dan, tot slachten gemaand. Een bibliotheek is als een oude stad. Er zijn wijken waar je nooit komt, wijken die je nostalgisch stemmen of volkomen onverschillig laten, waar je hoofdzakelijk Nederlands hoort of overwegend andere talen. Dat is in een bibliotheek niet anders. Ik keek naar al die bange ruggen. Waar het slopen aan te vatten?

Laten we beginnen in de achterbuurten, dacht ik. Want net als oude steden hebben bibliotheken ook achterbuurten: de boeken die op de tweede rij staan en daar soms vele jaren een onzichtbaar bestaan leiden. Soms verzeilt een boek in de achterbuurten van de kast omdat je het slecht en onbeduidend vond. Soms omdat je het hebt gekregen van iemand die je wel dierbaar is maar die zich in jouw smaak en interesses heeft vergist. Van vele boeken op de tweede rij was ik het bestaan vergeten, zo gaat dat met wie in achterbuurten woont. Andere leken op verdwenen jeugdvrienden. Wie we daar hebben! De romans van Ward Ruyslinck en Hermann Hesse! Hoe zou het met hen zijn? En daar: Een vlucht regenwulpen. La Dentellière. De komst van Joachim Stiller. De vadsige koningen. En vele dichtbundels van dichters wier namen ik niet meer durf te vernoemen.

In de kamer groeiden twee hoge stapels: boeken die me nog goed genoeg leken voor seniorie De Slegte en boeken waar ik geen andere bestemming meer voor kon bedenken dan de oranje graftomben van het containerpark. Na de razzia in de achterbuurten van de bibliotheek was het de beurt aan de vooraanstaande boeken. Ik deed mijn best om hard te zijn. Boeken zonder duidelijke bestaansreden werden naar de achterste rij verbannen of verloren hun verblijfsvergunning. Uitwijzing of doodstraf, daar kwam het op neer. Alleen de boeken waar ik echt van hield kregen levenslang.

Je boekenkast doorbladeren is je leven overlopen. Je komt de vele lezers tegen die je ooit bent geweest. Wie heeft waarom deze regel onderstreept? Wie heeft daar iets vaags in de marge gekribbeld? Wie zette daar een uitroepteken? Je noemt al die lezers ik, maar dat ik is een compostbak waarin al vele ikken zijn vergaan. Daarom is het herlezen van boeken die vroeger veel voor je hebben betekend vaak een teleurstelling, een vergissing. De lezer die je toen was, bestaat niet meer. Soms is het ook gewoon gênant, natuurlijk: heeft een van mijn vorige ikken dit ooit mooi, ontroerend, belangwekkend gevonden? Hop, containerpark.

Maar boekenuitdrijving is ook een vorm van geschiedvervalsing. Een lezende mens is al zijn boeken, van Jonathan Livingston Seagull tot Jonathan Safran Foer, van Karl May tot Karl Marx. De boeken die je hebt gelezen en de boeken die je nog wil lezen, de boeken die je maar half hebt gelezen en de boeken die je koestert. Allemaal samen vormen ze het groepsportret van je voortdurend verschilferende, vervliedende ik. Elke bibliotheek is de biografie van een lezer. Ze vertelt het verhaal van een ik dat nooit heeft bestaan.


(Knack, 1 september 2010)

11 augustus 2010

Mucht! Shmet! Milf!

Over het leven op de achterbank vroeger en nu.


Het waren de jaren van oranje en bruin, wij reisden door Zuid-Engeland en ik was ontzettend zeventien. ‘Balen’ zei je toen nog niet, maar je deed het wel, zeker op de achterbank van een wiegende DS waarin je ouders altijd vooraan zaten en alles beslisten, wanneer je stopte, waar je sliep, wat je bezichtigde en wat niet. Zo ver van je vrienden vandaan, zo ver van je kamer met de wierookkegeltjes en de posters van Alice Cooper en The Sweet, met alleen maar die twee oude mensen voor je en naast je twee kleine kinderen die uiteraard niets begrepen van de zweren in je ziel. Zo ver ook van alle verdroomde, in druipkaarsenlyriek bezongen lieven. Email was toen nog glazuur en wie www zei een stotteraar.

Balen werd lijden toen ik onderweg te weten kwam dat een van de volgende dagen ergens in Zuid-Engeland en dus in de buurt van waar wij waren de Rolling Stones zouden optreden. Niet zomaar een groepje, de Rolling Stones papa! Daar moesten en zouden we toch heen rijden zeker. Geen sprake van, zeiden piloot en co-pilote eendrachtig. Waarom had ik geen moderne ouders? Een beetje hedendaagse volwassene begreep toch dat – niets van. Vastberaden kachelden zij verder tussen de schapen van Devon, op naar het zoveelste pittoreske kutdorp. (Zeiden wij kutdorp?) Wij reden in stilte, tussen voor- en achterbank gaapte een grand canyon van wederzijds onbegrip.

Helemaal ondraaglijk werd het toen wij een chopper tegenkwamen die het ultieme geluk vervoerde: een langharige kerel, bij de lendenen vastgegrepen door een wapperende blondine, allebei in spijkerpak en laarzen. Die waren ongetwijfeld onderweg naar het concert van de Rolling Stones en die gingen daarna ongetwijfeld ergens buiten in de zoele nacht de sterren van de hemel vrijen en die konden en mochten dat omdat ze toevallig wat ouder waren dan ik en niet van die bekrompen ouders hadden, hoe unfair kon de wereld zijn? De chopper was beladen met kampeergerei, aan de zadelleuning - waarom onthoudt een mens zoiets? – bungelde een gamel. Een gamél! Ik had Woodstock niet meegemaakt, de film niet gezien, was nooit naar Jazz Bilzen geweest, maar o, o, die gamel ontketende visioenen van de hemel op aarde: een groot kampeerterrein, iedereen blowend en bloot, koken op vuurtjes voor de tent, gitaren, drank en seks à volonté. Daar zweefden deze twee nu op een chopper heen. Als een robot reed mijn vader hen voorbij. Ons wachtten hotelkamers in een lieflijke baai in St Mawes, vlakbij Land’s End, die naam leek me alvast niet slecht gekozen.

Fast forward. Een andere auto in een ander land in een andere tijd. Ik zit nu vooraan. De achterbank zingt liedjes mee die ik niet ken, praat over idolen van wie ik nooit heb gehoord, gebruikt woorden of uitdrukkingen die mij vreemd zijn. Iets is gemaan goed of helemaal gefaald, een sukkel is een mucht (zeg ‘musjt’) of een shmet (‘sjmet’), wie tript of rare dingen zegt is aan het flashen. De stopwoorden van nu: “te nice”. Of: “zot nice”. Of: “vet strak”. En alles wat verrukkelijk is heet “zalig”. Zij gebruiken ook begrippen waarvan ik me geen twintigste-eeuwse equivalenten herinner: een aantrekkelijke moeder van een vriendje of een vriendinnetje is een milf (mother I’d like to fuck). En “muilen” is ook niet meer wat het was, gekke bekken trekken of pruilen, maar betekent volgens hen tongzoenen. Je kunt dus zeggen: daar staan twee milfen te muilen? De achterbank gniffelt bevestigend. Een mens leert wat onderweg.

Zo reden wij, samen en niet samen, door de tegenwoordige tijd. Ik dacht aan “De wolken” van Martinus Nijhoff en vroeg me af of er wel zoveel veranderd is in het leven op de achterbank. Alice Cooper heet nu Lady Gaga, de wierookkegeltjes werden waterpijpen, maar klein is het verschil tussen het blauw van het dunne luchtpostpapier waarop ik mijn verre vrienden brieven schreef en het blauw van hun Facebook, dat alsmaar uitdijende logboek van virtueel papier waarin zij dagelijks hun verlangens en hun verveling uiten, en de dromen dromen die ik ooit in een bungelende gamel voorbij zag vliegen.

(Knack 11 augustus 2010)

01 juni 2010

Democratie? Dream on

Sommige mensen denken dat wij in een democratie leven. Zij ijlen. Democratie betekent: het volk heerst. Dat is in de geschiedenis nog nooit gebeurd. De democratie heeft nog nooit bestaan. Het enige wat je kunt zeggen is dat politieke macht nu meer gedecentraliseerd, beter gecontroleerd en duidelijker gelimiteerd is dan vroeger. Althans in dit deel van de wereld. Hier heersen geen Nero’s en geen Mao’s en geen Mobutu’s meer. Je kunt Yves Leterme veel verwijten maar een Idi Amin was hij niet. Het volk is vele malen beter beschermd tegen de willekeur en de terreur van de machthebber dan vroeger. Maar een democratie? Niet echt.

Sinds de Verlichting hebben de politieke elites in dit deel van de wereld een vernuftig systeem ontwikkeld om het volk permanent van de macht weg te houden zonder dat het volk daarover gaat morren. Dit systeem heet parlementaire democratie. In een parlementaire democratie oefent het volk geen directe macht uit, maar stemt het ermee in dat een beperkte groep van mannen en vrouwen haar vertegenwoordigt. Geen directe democratie dus, maar een representatieve democratie. Dit systeem van volksvertegenwoordiging is onvermijdelijk, zo heet het, omdat onze maatschappijen, staten, culturen nu eenmaal te groot, te complex zijn geworden. Je kunt Frankrijk niet runnen als een republikeinse stadstaat waar een paar honderd burgers dagelijks of wekelijks in de agora samenkomen om zichzelf te besturen. Representatieve democratie is een soort second best systeem, onontbeerlijk daar waar direct en democratisch zelfbestuur niet meer mogelijk is.

In tegenstelling tot wat goedgelovige volkeren graag geloven, kiezen deze volkeren in dit systeem ook niet wie hun zal vertegenwoordigen. Al zou uw buurman een geniaal politiek verstand hebben, u kunt hem niet naar het parlement stemmen, tenzij hij zich in de gunst van een of andere partijtop hijst en zo een verkiesbare plaats op een kieslijst bemachtigt. Wie het volk eventueel mag vertegenwoordigen, dat beslissen de Mariannes en de Carolines van deze wereld. Deze representatieve democratie is immers ook een particratie, een politiek systeem waar op het schaakbord van de macht politieke partijen de belangrijkste spelers zijn. De volksmacht wordt dus minstens tweemaal gebreideld: door vertegenwoordigers en door partijen die deze vertegenwoordigers selecteren, rangschikken, benoemen, afzetten.

Om de mensen ondanks deze dubbele aanfluiting te doen blijven geloven in de sentimentele fictie dat zij het voor het zeggen hebben, organiseren politieke machthebbers af en toe parlementaire verkiezingen. Parlementaire verkiezingen zijn een ritueel waarbij een bevolking periodiek bevestigt dat zij afstand doet van elke machtsoefening. Telkens wanneer een kiezer in het pashokje van de macht een bolletje inkleurt of electronisch aanstipt, zegt hij in wezen dit: wat mij betreft heeft u en niet ik de macht. Hij geeft zijn stem en maakt zichzelf dus sprakeloos. Wie stemt verstomt. Maar zo lang de stemgerechtigde of stemplichtige meerderheid van de bevolking gelooft dat verkiezingen een vorm van democratische machtsuitoefening zijn, of op zijn minst van machtscontrole, hoeven de werkelijke machthebbers niets te vrezen. Alles wijst erop dat dit in Vlaanderen momenteel nog steeds het geval is.

Na de kreet van zanger Stijn Meuris kwamen in de Vlaamse media tientallen bekende burgers uit diverse sectoren aan het woord, die allemaal grosso modo hetzelfde zeiden: wat Meuris zegt is sympathiek, begrijpelijk, ook ik ben boos, enzovoort – maar ik ga toch stemmen. Stemmen is een recht waar generaties voor hebben gevochten. Stemmen is een burgerplicht. Wie niet gaat stemmen moet na de verkiezingen ook niet komen mopperen. (Alsof eventueel gemopper van wie wél gaat stemmen na de verkiezingen wél enig effect zou sorteren.) Dat was de algemene teneur. Hoe boos, bedroefd en verontwaardigd de meeste stemplichtigen in dit land momenteel ook klinken, ze zijn er nog steeds van overtuigd dat deelnemen aan de verkiezingen een politiek zinvolle daad is. Het fenomeen verkiezingen wordt niet ter discussie gesteld. Het idee dat verkiezingen dienen om burgers van de macht wég te houden, is tot de meeste burgers nog niet doorgedrongen.

Niemand onder hen zal de volgende jaren iets te zeggen hebben. Niemand onder hen zal de volgende regering samenstellen of haar doen vallen. Maar allemaal geloven ze in het grote belang van deelname aan rituele verkiezingen. Dat is de vitale illusie die deze schijndemocratie in stand houdt.

(Knack 2 juni 2010)

31 maart 2010

Dit morose land

Drie weken geleden kon u hier (en in Knack) kennis nemen van een paar maatregelen die ik als verlicht despoot per direct zou treffen om dit morose land te redden van de totale kladderadatsch. ("Mijn laatste droom", zie hieronder) Mijn programma heeft de bevolking blijkbaar aangesproken. Uit de vele tienduizenden reacties die ik mocht ontvangen gutste enthousiasme. Hier en daar een reactionaire romanticus die iets kwebbelde over democratisch deficit, maar de meeste mensen snakken duidelijk naar het verlicht despotische regime dat ik hier voorstelde.

Met name mijn plan om een staatskrant op te richten heeft brede lagen van de bevolking weer hoop gegeven. In verbolgen mails en brieven ventten vele medeburgers hun ontevredenheid over de kwaliteit van de kwaliteitspers. De mensen ergeren zich aan al die beledigende simplismen, overbodige herhalingen, betwistbare en soms ronduit bizarre keuzes en klemtonen.


Voorbeeld: tien jaar geleden overleed de Vlaamse journalist Johan Anthierens. Dat werd de afgelopen weken in vele Vlaamse media uitvoerig herdacht. Maar vijfentwintig jaar geleden kwam in de USSR Mikhaïl Gorbatsjov aan de macht, wat het begin betekende van de meest ingrijpende omwenteling in de politieke geschiedenis van Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.
Daarover heeft u niets maar dan ook werkelijk niets van betekenis vernomen in de vaderlandse pers. Terwijl je toch geen verlicht despoot moet zijn om te beseffen dat – enfin. En als we dan toch kalenderjournalistiek bedrijven: in januari was Albert Camus vijftig jaar dood. Ook daarover is in onze pers niet één interessant stuk verschenen.

Ik mocht ook talloze spontane sollicitaties voor mijn staatskrant ontvangen, vooral van de betere journalisten die momenteel nog werkzaam zijn op de redacties van De Morgen, De Standaard en de vrt-nieuwsdienst. Allen zeiden te smachten naar een soort Vlaamse International Herald Tribune: een kleine, fijne topkrant, uitstekende pennen, verrukkelijk saaie vormgeving, achttien pagina’s per dag, geen komma meer.

Bij de vrt werken trouwens een paar hardleerse provincialen. In mijn beleidsverklaring had ik zweepslagen beloofd voor journalisten die in nationale nieuwsbulletins nog zouden berichten over verdronken paarden of brandende frituren. Mijn woorden waren nog niet gedrukt of op de site van deredactie.be was het weer prijs: “In Oud-Turnhout is een paard afgemaakt nadat het was aangereden door een quad.” (7 maart) 15 maart, zelfde site: “In Zutendaal is gisteren een ruiter om het leven gekomen tijdens een paardenevenement.” 20 maart: “In Arendonk zijn vanmiddag een paard, een man en zijn koets in het kanaal terechtgekomen.” Wat is dat met paarden op de vrt? Leven wij hier in een manège of zo? En als dit nationaal nieuws hoort te zijn volgens de Vlaamse openbare omroep, wat zou dan regionaal nieuws zijn?

Ook een despoot heeft twijfels. Zo ben ik er nog steeds niet uit of ik Vlaanderen onafhankelijk zou verklaren of niet. Misschien zouden de Vlamingen meer op hun gemak zijn als ze gewoon onder elkaar waren. Samen naar de koers kijken, pintje pakken, alles goed met de kinderen? Gemoedelijke, beetje schichtige mensen, niets kwaads in de zin – totdat er in Le Soir een beroerd opiniestukje verschijnt tegen de Vlaamse wooncode, geïllustreerd met een foto van een massagraf in Nigeria – slachtoffers van etnische zuiveringen. Bart de Wever was zo verstandig om de bevolking te attenderen op iets waarvan geen Vlaming het bestaan vermoedde, namelijk een slecht opiniestuk in een Franstalige gazet. ‘Le Soir is een haatdragende krant,’ verklaarde de boeddha van de Vlaamse verongelijktheid, en diende prompt een klacht in bij het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding. Waarop Bieke van Le Soir dan weer in alle Vlaamse media kwam janken dat De Wevers beschuldiging “beledigend, onterecht en onrechtvaardig” was. (Despoot slaakt diepe zucht:) Vlamingen en Franstaligen, nog altijd halen ze soms het slechtste, het kleinste, het zieligste in elkaar naar boven.

Was die foto overdreven? Natuurlijk was die foto overdreven. Maar overdrijven is een wezenlijk onderdeel van polemische communicatie en polemiek kun je net zo goed met beelden als met woorden voeren. In de context van dat stukje was er helemaal niks mis met die foto. Sterker, die foto heeft zeer goed gewerkt, als je ziet hoe de Vlaamse goegemeente zich erdoor heeft laten provoceren. Ik moest terugdenken aan Les Flamingants en de woedende verontwaardiging die dat scheldliedje van Jacques Brel hier ontketende, ruim dertig jaar geleden. Sommige Vlamingen hebben nog niets bijgeleerd.

10 maart 2010

Mijn laatste droom

Niemand vraagt mij nog wat ik later wil worden. Dat krijg je als je vijftig bent. Zoveel later heb je dan niet meer. Dat zeggen de mensen natuurlijk nooit in je gezicht, maar dat denken ze wel. En de mensen krijgen in deze wereld vaak gelijk, ook als ze het niet hebben. Maar tien jaar geleden hoorde ik die vraag ook al niet meer: wat wil je later worden? Wat ga je later doen? Terwijl ik toen toch nog behoorlijk wat later had. Kennelijk heeft die vraag een leeftijdsgrens, komt er een moment waarna het niet meer welvoeglijk is om iemand te vragen naar toekomstplannen die hij wellicht niet meer heeft, dromen die hij wellicht niet meer koestert, wegens - nou ja, te oud dus.

Toch heb ik nog één droom. Ik zou nog graag despoot worden. Verlicht natuurlijk, maar toch despoot. Ik vind dat ik daar nu de juiste leeftijd, de vereiste maturiteit voor heb. Despoot mag je niet te jong worden. Kijk naar Nero. Keizer op zijn zeventiende, dood op zijn eenendertigste. Liet een ontzettende puinzooi achter. Veel te jong aan de top gekomen. Kon duidelijk niet om met de macht. Of neem Richard II. Koning van Engeland op zijn tiende. Verbijsterde vriend en vijand toen hij op zijn veertiende door onderhandelingen een einde maakte aan een boerenopstand. Dat gaat zo’n cadet naar het hoofd natuurlijk. Richard werd helemaal zot van eigendunk. Graaide in de staatskas, verbande, beboette en executeerde tegenstanders à volonté. Afgezet en dood op zijn drieëndertigste. Had Shakespeare geen weergaloos stuk over hem geschreven, wij zouden van Richard II niet meer spreken. Verlicht despotisme is niets voor tieners.

Maar ik ben er klaar voor. Ik heb genoeg gelezen, genoeg gereisd, genoeg mensen gesproken, de wereld lang genoeg geobserveerd om te weten dat het zo niet verder kan. Ik wil mijn verantwoordelijkheid niet langer ontlopen.

Ik beloof dat ik op de eerste dag van mijn verlicht bewind het parlement zal sluiten. Die ouderwetse praatbarak bezit niet de macht en zeker niet het talent om de problemen van deze tijd het hoofd te bieden. Ik installeer meteen een oligarchie. Het dagelijks bestuur van het land komt in handen van een paar uiterst intelligente en bekwame mannen en vrouwen die mij voldoende integer lijken om op zindelijke wijze met macht om te gaan. Ik denk aan Bert De Graeve, Frank Vandenbroucke, Christine Van Broeckhoven en Bea Cantillon. Aan Paul de Grauwe vraag ik om een alternatief economisch model te ontwikkelen. Op mijn tweede despotendag sluit ik immers de beurs. Er moet een einde komen aan de permanente financiële onzekerheid waarin mensen als gevolg van al dat tomeloze gesjacher al vele decennia verkeren.

Op mijn derde dag nodig ik mijn oude prof Etienne Vermeersch uit. Hij moet me komen uitleggen waarom hij zich met die rare Gravensteengroep heeft vereenzelvigd, en waarom hij denkt dat een onafhankelijk Vlaanderen democratischer zou zijn dan België ooit is geweest. Ik vermoed hier volksverlakkerij, maar als Vermeersch mij kan overtuigen dat, ik zeg maar wat, in zo’n Vlaanderen het erfrecht fundamenteel wordt herzien, dat de vermogensbelasting er tien keer hoger zal zijn dan de belasting op arbeid, dat verplegers en verpleegsters er minstens evenveel zullen verdienen als topvoetballers en vrouwen niet minder dan mannen – goed, dan scheur ik ons af. Dan maak ik van Vlaanderen een utopische bonzai-republiek, een soort politiek madurodam dat grotere, onrechtvaardigere mogendheden tot voorbeeld zal strekken. De monarchie wordt sowieso afgeschaft.

Op de vierde dag richt ik een staatskrant op. Een krant zonder advertenties, zonder regionaal flutnieuws, zonder narcistische, schmierende journalisten, een krant die zijn lezers niet opvrijt, geen bonnetjes of gratis tickets uitdeelt, een uitmuntend geschreven krant die mij uitstekend informeert over wat er werkelijk toe doet in de wereld, zonder commerciële en andere tactische bijgedachten. En ik beloof vele zweepslagen voor elke journalist die het nog bestaat om in nationale nieuwsuitzendingen te berichten over een verdronken paard of een brandend fritkot.

Op de vijfde dag laat ik een aantal mensen arresteren, niet omdat ze misdadigers zijn, maar gewoon, omdat ik ze vervelend vind. Draaikonten, konkelaars, gluiperds, genre Noël Slangen of Siegfried Bracke: de nor in. Maar verlicht als ik ben laat ik hen niet ophangen, liever spreek ik de gruwelijkste straf uit die zulke mensen in deze tijden kan treffen: ze mogen nooit meer op teevee. O heerlijke nieuwe wereld!