28 oktober 2008

Over Hitler, Yves Desmet en forel in botersaus

De VRT heeft in extremis besloten om een programma over het lievelinsgegerecht van Adolf Hitler niet uit te zenden. In De Morgen had journalist Yves Desmet het meteen over ‘censuur’, en noemde hij het besluit van de VRT ‘dom’. Desmet vergist zich.

Het programma over Hitlers lievelingsgerecht maakt deel uit van een reeks die een Franse titel draagt, Plat Préféré. In die reeks kookt kok Jeroen Meus de lievelingsgerechten na van beroemde mensen, zoals Jacques Brel, Maria Callas en Salvador Dalí. Een nogal idioot ideetje voor een Canvasprogramma, maar goed, het kunnen niet alle dagen boekenprogramma’s zijn en koken is blijkbaar erg in op de treurbuis.

Voor die reeks trok Meus dus ook naar Berchtesgaden, waar hij in het Adelaarsnest het lievelingsgerecht van de Führer bereidde: forel met botersaus. En die aflevering is nu, onder zware druk van allerlei instanties en individuen, afgevoerd. We wilden immers “de perceptie vermijden dat we van Hitler een ‘icoon’ maken,” aldus VRT-woordvoerdster Diane Waumans vandaag in De Morgen. “Het was een foute inschatting om deze documentaire in een reeks te plaatsen waarin alle andere protagonisten beroemdheden zijn in de positieve zin van het woord,” zei Waumans nog. “Daardoor is ten onrechte het beeld ontstaan dat het programma Hitler zou vermenselijken of -erger nog- zou verheerlijken.”

Programma afgevoerd - tot grote opluchting wellicht van ondere andere Luc Van der Kelen (politiek journalist bij Het Laatste Nieuws), en Luckas Van der Taelen (gewezen groen Europarlementslid), die beiden voor dit verbod hadden gepleit.

Desmet schoot met scherp op de motieven van wat hij “de forellenverbranders” noemde, maar hij mikte verkeerd. Ten eerste reconstrueerde hij de bezwaren van (onder andere) Van der Kelen en Van der Taelen in een verkeerd perspectief. Hij schreef: “Het probleem was dus dat er een programma zou uitgezonden worden waarin iets verkondigd zou kunnen worden dat de beide heren niet welgevallig in de oren klinkt.” (Bemerk de ironiserende, wat spottende formulering, bedoeld allicht om de inhoudelijke zwakte van het beweerde te camoufleren.)

Dat was helemaal niet het probleem. Ik heb de aflevering niet gezien, Desmet ook niet, u ook niet, maar ik begrijp dat het hier over een kookprogramma gaat waarin niét werd verkondigd dat Hitler een fijn mens was, maar dat hij graag forel met botersaus at. De bezwaren van VDK en VDK golden natuurlijk niet de culinaire voorkeuren van de Führer alszodanig. Het was hen niet te doen om de forel an sich. Hun ‘probleem’ had wellicht helemaal niets te maken met wat in het programma werd verkondigd, maar met context, interpretatie, ongewenste conclusies, de gevreesde iconisering waarover Waumans het had.

En Desmet vervolgde:
“Daarmee maken ze een redeneringsfout die tot op heden vooral in kringen rond het Vlaams Belang furore maakte: ook daar wordt vrijheid van meningsuiting verengd tot de verdediging van de eigen meningsvrijheid.”

Zo gemakkelijk kan kritiek dus zijn. Iemand maakt bezwaar tegen een culinair programma rondom Adolf Hitler omdat hij denkt dat daardoor verkeerde signalen worden uitgezonden, en zelfs als hij zich daarin zou vergissen: het geeft toch geen pas om wie zulke bezwaren formuleert dan maar meteen met de abjecte ideologie van extreem-rechts in verband te brengen? Wie doet nu zoiets? Wat verklaart het? Wat verduidelijkt het? Bovendien, waarom zou het “verengen” van de “vrijheid van meningsuiting” tot de “verdediging van de eigen meningsvrijheid” een “redeneringsfout” zijn die “vooral” in extreem-rechtse kringen voorkomt? Zou dit verschijnsel zich niet ook ter extreem-linkerzijde voordoen? En wat is dan de “eigen meningsvrijheid” die VDK en VDT hier hebben willen verdedigen? Welke mening was hen onwelgevallig? Dat forel met botersaus lekker is?

Kortom, het ging hier helemaal niet over een mening die in het programma zou zijn verkondigd. En dus was de eerst helft van Desmets betoog, waarin hij de gemeenzame opvattingen over meningsvrijheid samenvatte, naast de kwestie.

Maar wat vinden VDK en VDT dan zo schokkend aan dit programma, vroeg de journalist zich halverwege zijn stuk af, “dat ze bereid zijn voor een keertje de fundamenten van de democratische samenleving onderuit te halen”? En hij gaf zelf het antwoord: “Dat blijkt dus niet een hernieuwde oproep tot de Endlösung te zijn, maar wel een recept voor forel in botersaus.”

Tja... Gênante sofistiek is dit. De ideeën van je opponent vereenvoudigen, verminken en belachelijk maken in plaats van ze te weerleggen: het is de meest versleten retorische truc van allemaal. Want uiteraard wilden VDK en VDT “de fundamenten van de democratische samenleving” niet onderuithalen, en uiteraard was het niet het recept dat hen heeft geschokt. Dat weet zo’n commentator natuurlijk ook. Wat is dan de waarde, en wat kan de bedoeling zijn van dit soort kritiek, die grotendeels gebaseerd blijkt te zijn op overdrijving, vereenvoudiging, ridiculisering en irrelevante uitweidingen over censuur en meningsvrijheid?

Interessanter was de discussie in het tweede deel van Desmets artikel, over de vraag of het omstreden televisieprogramma riskeerde de Führer te banaliseren. Misschien zouden de makers onwillekeurig Hitler sympathiek(er) maken in de ogen van de ideologisch wankelmoedigen onder ons. (Mama kijk! Hitler at ook forel!)


Reactie Desmet: “Waarom zou er aan de banale aspecten van het leven van Hitler geen aandacht mogen worden besteed?” Terechte opmerking. Volgende zin: “Alle gereputeerde Hitlerbiografen, Ian Kershaw op kop, hebben daar aandacht aan besteed.” Klopt, al is een biografie net iets anders dan een kookprogramma. Dan: “Zullen we dan meteen ook zijn boeken op de brandstapel gooien?” Oeps.

Is het mogelijk dat wie zo’n zin schrijft, niét beseft dat hij wel erg kort door de bocht gaat? Een beetje brein weet toch dat wat VDK en VDT bepleitten niets maar dan ook werkelijk niets met boekverbrandingen te maken heeft? Waarom dan weer zo doorschieten, zo overdrijven dat je de kern van het debat niet eens meer raakt? Het gevaar van deze stijl, deze toon, is dat al je eventueel terechte bezwaren dreigen te verwaaien in retorische galm en hoon.

Ten gronde: natuurlijk is de heisa rondom dit programma een uiting van ‘ons’ verlangen om Hitler, als de verpersoonlijking van het Kwaad, buiten te houden. Hij is de meest gedemoniseerde figuur uit de westerse geschiedenis, en belichaamt alles wat ‘wij’ niet willen zijn. Hitler is het absolute donker. Elk portret, elke analyse die hem iets menselijks verleent, ontreddert ons, omdat ze continuïteit en gelijkenis suggereert daar waar wij alleen een radicale breuk wensen te zien. Vandaar dat ook geschiedschrijvers en biografen die Hitler in een heel andere context hebben ‘vermenselijkt’ dan Plat Préféré dat doet, daarvoor flink op hun donder hebben gekregen. Maar, zoals Desmet terecht opmerkt: “Het besef dat de grootste gruwel kan voortkomen uit iemand die ook graag forel met botersaus at, draagt bij tot het begrijpen van de geschiedenis, leert ons dan niets ooit verworven is, dat we waakzaam moeten blijven.”

Zeker, zeker, zeker. Alleen: in Plat Préféré ontbreekt die context volkomen. Het gaat niet over dat onthutsende verband tussen het zogenaamd absolute Kwaad en de forel etende sterveling. Het is gewoon een kookprogramma over beroemde mensen, een format dat wellicht niet de ambitie heeft om ons aan te sporen tot het begrijpen van de geschiedenis, en evenmin tot waakzaamheid jegens de potentiële nazibeul in iedere foreleter.

Plat Préféré focust op de culinaire voorliefdes van beroemde mensen los van datgene wat hen beroemd heeft gemaakt. Het gaat niet - begrijp ik- over het verband tussen Brels keuken en Brels chansons, niet over de wisselwerking tussen Dalí’s schilderijen en zijn kookgedrag. De geselecteerde figuren hebben slechts twee dingen met elkaar gemeen: ze zijn beroemd en ze aten of kookten graag. Ze bestaan samen in de abstracte ruimte van “de roem”, en dat maakt hen in zekere zin onderling verwisselbaar. Zo bekeken was het inderdaad niet verstandig om Hitler in die reeks op te nemen, terwijl een programma over Hitlers culinaire liefdes op zich best te verdedigen is. Men leze goed wat Waumans precies zei: “Het was een foute inschatting om deze documentaire in een reeks te plaatsen waarin alle andere protagonisten beroemdheden zijn in de positieve zin van het woord.” Met andere woorden, het format wiste achtergrond en oorzaken waarop de roem en de betekenis van de geselecteerden berusten. Cru gezegd: het maakt in zo’n format niet uit of je nu beroemd bent geworden met Ne me quitte pas of met Zyklon-B. Dankzij die neutralisering kon Hitler in het rijtje worden opgenomen, maar diezelfde neutralisering is natuurlijk ook precies wat de critici van dit programma aanstootgevend vinden. Dat lijkt me een zeer verdedigbaar standpunt, dat niets van doen heeft met boekverbrandingen en extreem-rechts. Het is trouwens best denkbaar, en misschien ook wenselijk dat de VRT de aflevering over Hitler op een dag in een andere context wel zou uitzenden.

Tot slot, nog een andere, nauwelijks minder verontrustende vaststelling: het schrappen van de Hitleraflevering was blijkbaar niet het gevolg van een wat late maar respectabele afweging onder journalisten en programmamakers, maar wel van directe politieke inmenging. “De directietop van de VRT stond onder zware politieke druk van haar raad van bestuur,” schreef De Morgen vandaag. “Voorzitter Guy Peeters liet gisterochtend per mail aan gedelegeerd bestuurder Dirk Wauters in niet mis te verstane taal weten dat hij ‘zijn verantwoordelijkheid moest nemen’ -mail die kennelijk op de redactie van De Morgen is beland, fa- omdat de uitzending niet paste op Canvas. (...) Ook in de Vlaamse regering dacht men er naar verluidt zo over.” De journalistieke top van de VRT is dus overruled door de politiek. Het ging hier niet zozeer om het beknotten van meningsvrijheid als wel om een flagrante schending van de persvrijheid. Me dunkt dat wie bekommerd is om de fundamenten van de democratische samenleving zijn pijlen beter daar op had gericht.

15 september 2008

Palin steunt NAVO-kandidatuur Bart De Wever



(van de persagentschappen)

Gisterochtend, nauwelijks vierentwintig uur na de uitvaart van John McCain, heeft president Palin tijdens een korte ontmoeting met de internationale pers in de Rose Garden van het Witte Huis bevestigd dat de VS de kandidatuur van Bart de Wever voor de baan van secretaris-generaal van de NAVO ten volle steunen.

“Ik heb meneer De Wever nog nooit ontmoet,” liet Palin zich tegenover een ABC-reporter ontvallen, “maar ik ben voldoende over hem geïnformeerd om te weten dat hij een zeer ervaren en intelligent man is. Hij wordt zeer gewaardeerd in Alaska. Zijn conservatieve standpunten bieden de Verenigde Staten voldoende garantie dat de NAVO onder zijn leiding de oorlog in Georgië met een klinkende overwinning (one smashing victory) zullen besluiten.”

Gevraagd of de VS gezien het grote belang van het militaire conflict met Rusland niet liever een Amerikaan aan het hoofd van de NAVO zouden zien, antwoordde Palin: “Ik zie momenteel geen betere kandidaat voor het voorzitterschap van de NAVO dan Wart The Beaver.” Haar pijnlijke verhaspeling van De Wevers naam veroorzaakte onder de aanwezige journalisten niet de minste hilariteit.

In een eerste reactie liet Vlaams minister-president Jean-Marie Dedecker weten het “bijzonder tof te vinden dat mevrouw Palin een Vlaming aan het hoofd van de NAVO zou willen benoemen. Dit is het beste bewijs,” aldus Dedecker, “dat het onafhankelijke Vlaanderen tien keer meer prestige in de wereld geniet dan het voormalige Belgique à papa.”

In regeringskringen wordt vernomen dat de steun van de VS voor De Wevers kandidatuur in niet geringe mate te danken zou zijn aan discreet politiek overleg tussen het Witte Huis en Vlaams VN-ambassadeur Jurgen Verstrepen. “In Washington hadden ze nog nooit van De Wever gehoord,” aldus een anonieme bron, “maar Verstrepen heeft tijdens de receptie na de Inauguratie van Palin de Vlaamse kandidaat bij een aantal kersverse Amerikaanse kabinetsleden met zeer veel vuur verdedigd.” Naar verluidt was met name de Amerikaanse ambassadeur in Vlaanderen Donald Rumsfeldt onder de indruk van Verstrepens pleidooi, en Rumsfeldt is in de betrekkelijk onervaren ploeg van de nieuwe president een zwaargewicht.

Voor een kritisch geluid zorgde Kamervoorzitter Filip De Man. “Nu weten we wat Bart De Wever bedoelde met een vette vis. Een postje voor zichzelf.” Een heel ander geluid was te horen op het Rectoraat van de Vlaamse Gravensteenuniversiteit, waar De Wever sinds enige jaren de leerstoel Cyriel Verschaeve bekleedt. “De baan van Secretaris-Generaal van de NAVO zou een geweldige beloning betekenen voor een uitmuntende Vlaming,” liet Rector Geert Bourgeois weten in een kort persbericht. “Hoewel het vertrek van Bart De Wever een aderlating voor onze Faculteit zou zijn, steunen wij de Amerikaanse steun volledig volmondig,” aldus nog de Rector.

Bart De Wever was gisteren voor commentaar onbereikbaar. Volgens partijwoordvoerdster Frieda Brepoels is de toekomstige NAVO-baas eergisteren samen met zijn nieuwe echtgenote Rita Verdonk op huwelijksreis vertrokken naar Diksmuide.

07 september 2008

Hoe Shakespeare ons op de zenuwen werkt

Shakespeares taal wordt al eeuwen door literatoren en filologen geprezen en bestudeerd. Met behulp van technieken uit de neurolinguïstiek hebben wetenschappers nu aangetoond dat Shakespeares taalgebruik ook ons zenuwstelsel niet onberoerd laat.


Words, words, words: Shakespeare gebruikte er in zijn oeuvre ongeveer 17 000, het viervoud van de gemiddelde, geschoolde taalgebruiker. En hij had niet eens een woordenboek. Het eerste Engelse woordenboek, A Table Alphabeticall, samengesteld door Robert Cawdrey (een schoolmeester uiteraard), verscheen in 1604. Shakespeare was toen al bijna klaar met zijn oeuvre: in 1611 ging hij met pensioen en keerde uit Londen terug naar Stratford waar hij in 1616 overleed.

Ander sterk cijfer: Shakespeare gebruikt bijna de helft van al die woorden, een zevenduizendtal, maar één keer in zijn hele oeuvre. Dat heeft iets guls, iets bijna kwistigs. Van die 17000 woorden heeft hij er een 3000 zelf bedacht, of afgeleid van bestaande woorden. In de Oxford English Dictionary is Shakespeare de grootste leverancier van neologismen. Overigens is die taalrijkdom vaak een nachtmerrie voor lexicografen gebleken. Van menig door Shakespeare bedacht woord heeft men de betekenis immers nimmer kunnen achterhalen. (Zie bijvoorbeeld de discussie over “runaway’s eyes” in Romeo and Juliet in een vorige tekst op deze blog.) Andere woorden hebben in de afgelopen eeuwen betekenissen of associaties verloren, of andere betekenissen verworven. Zo betekende “spirit” in Shakespeares tijd onder meer “penis”, en een van de connotaties van “circle” was “vagina”. Dat moet je wel weten als je Mercutio in Romeo and Juliet hoort zeggen: “’Twould anger him / To raise a spirit in his mistress’ circle” (II.1. 23-4). In de openingsscène van Hamlet noemt wachter Bernardo zijn collega’s “rivals” - dat betekent nu alleen nog het tegenovergestelde van wat Bernardo daar bedoelde, namelijk “companions” of “colleagues”. (Het zou geen enkele zin hebben om “rivals” hier met “rivalen” te vertalen.) Die betekenisverschuivingen zijn meestal wel te traceren, ze verschaffen filologen al eeuwen werk.

De waardering voor Shakespeares werk is in niet geringe mate waardering voor deze taalrijkdom, de meerzinnigheid, de creativiteit, de poëzie, de woordspelingen - bibliotheken vol zijn erover geschreven. Maar de laatste tijd hebben wetenschappers die taalrijkdom ook aan de hand van technieken uit de neurolinguïstiek bestudeerd. Dat levert fascinerende experimenten en inzichten op.

Een van Shakespeares stijlkenmerken is wat linguïsten noemen functional shift, of ook wel word class conversion: het proces waarbij een woord of een zinsdeel van functie verandert in een zin, maar wel min of meer dezelfde vorm behoudt. Shakespeare doet dat inderdaad voortdurend. Hij gebruikt een voornaamwoord als een substantief (“the cruellest she alive”), een adjectief als een werkwoord (“to thick my blood”) en vaak ook een substantief als werkwoord (“He childed as I fathered”).

‘Functional shift’ werd tot voor kort beschouwd als een gevolg, een symptoom van hersenbeschadiging. Het werd alleen in dat perspectief bestudeerd. Maar recent heeft bij wetenschappers het idee postgevat dat ‘functional shift’ zich ook kan voordoen bij taalgebruikers zonder hersenschade. ‘Functional shift’ kun je ook beschouwen als een vorm van taalcreativiteit. Het geeft je een idee van de buigzaamheid van een taal en van de vrijheid waarover een (creatieve) taalgebruiker daardoor beschikt, en het geeft ook een idee van de economie van een taal: het vermogen om bepaalde betekenissen zeer compact weer te geven, bijvoorbeeld.

Om deze effecten van ‘functional shift’ in Shakespeares werk te onderzoeken, bedachten twee onderzoekers aan de universiteit van Liverpool, Philip Davis en Victorina Gonzalez-Diaz, volgend experiment.

Proefpersonen krijgen een veertigtal zinnen te lezen, telkens in vier varianten:

(A) De zin in zijn ‘normale’, grammaticaal en semantisch correcte vorm.
(B) Diezelfde zin met de ‘functional shift’ in Shakespeares versie ervan.
(C) Een variant van die zin met een syntactische ‘functional shift’ die in de context van de zin geen betekenis heeft.
(D) Een variant van diezelfde zin zonder grammaticale shift, maar ook zonder betekenis in de context van de zin.

Het voorbeeld van Davis (een regel uit Coriolanus):
(A) This old man loved me above the measure of a father, nay, deified me indeed.

(B) This old man loved me above the measure of a father, nay, godded me indeed. (= Shakespeares versie, met functional shift: een substantief wordt als werkwoord gebruikt.)

(C) This old man loved me above the measure of a father, nay, charcoaled me indeed.

(D) This old man loved me above the measure of a father, nay, poured me indeed.

De proefpersonen werd gevraagd om op een knopje te duwen als de zin die ze te horen kregen hen min of meer betekenisvol leek.

Ondertussen werd hun hersenactiviteit geregistreerd op drie manieren: eerst via een EEG (electro-encefalogram), daarna met een MEG (magneto-encefalogram) en tenslotte met een fMRI (functionele Magnetische Resonantie Beeldvorming).

Telkens wanneer de hersenen een semantische afwijking opmerken, registreert een EEG een zogeheten N400-effect, dat is een negatieve golfmodulatie die zich voordoet 400 milliseconden nadat de hersens de semantische afwijking hebben opgemerkt. De amplitude van de golfmodulatie is klein wanneer de semantische storing klein is, dat wil zeggen, wanneer de hersens weinig moeite hebben om de zin ‘normaal’ te maken. Bijvoorbeeld, als je hersens te horen krijgen: “The pizza was too hot to”, dan weten ze vrijwel onmiddellijk dat ze slechts “eat” hoeven toe te voegen om de zin semantisch in orde te brengen. Maar als er staat: “The pizza was too hot to sing”, dan weten de hersens niet zo meteen wat ze moeten doen, en dan zal de modulatie van de golf groter zijn.

Wanneer de hersens een syntactische stoornis opmerken, registreert een EEG een P600-effect, dat is een positieve golfmodulatie die optreedt 600 milliseconden nadat de hersens de stoornis hebben opgemerkt. Semantische afwijkingen leiden dus tot negatieve golfmodulaties, en syntactische afwijkingen tot positieve. En in beide gevallen geldt: hoe groter de verstoring van wat de hersens als een normale zin beschouwen, hoe groter de modulatie.

Toen de proefpersonen de zin “This old man...” en de drie varianten te horen kregen, deed zich het volgende voor.

Bij het horen van A (“deified”): geen N400- en geen P600-effecten, want een semantisch en syntactisch normale zin.

Bij het horen van B (“godded”): sterk P600-effect, geen N400-effect. De hersens merkten dus wel een grammaticale hindernis op, maar vonden ‘godded’ semantisch geen probleem.

Bij C (“charcoaled”): sterk P600-effect en ook sterk N400-effect. Zowel grammaticaal als semantisch ervoeren de hersens deze versie als problematisch. “Charcoaled” is immers onzin in deze context, terwijl ze uit “godded” meteen wel een zinvolle betekenis konden afleiden.

Bij D (“poured”): geen P600-effect (want syntactisch in orde) maar sterk N400-effect (want semantisch onzin).

Hieruit blijkt, aldus de onderzoekers, dat ‘functional shift’ wel degelijk een zogeheten robust phenomenon is: “it has a distinct and unique effect on the brain.” En dus: “Instinctively Shakespeare was right to use it as one of his dramatic mental tools.” (“Instinctively” verraadt het speculatieve karakter van deze hypothese.)

Het sterke P600-effect en het uitblijven van een N400-effect in Shakespeares versie van de zin, duidt er volgens de Liverpudlians op dat ‘functional shifts’ in Shakespeare semantisch weinig problemen opleveren voor onze hersenen, maar wel een “syntactic re-evaluation process” activeren, en ons dus tot meer aandacht, meer bewustzijn nopen. Simpeler gezegd, onze hersens gaan ervan uit dat de Shakespeariaanse 'functional shift' de zin niet betekenisloos maakt, maar dat we een en ander moeten herschikken, vervangen, om die betekenis te achterhalen. Zo bracht Shakespeare in zijn stukken dramatische spanning teweeg “by implicitly taking advantage of the relative independence - at the neural level - of semantics and syntax in sentence comprehension.”

Experimenten als dit tonen aan dat we met Hamlet en Othello meeleven niet alleen op plotniveau, maar dat Shakespeares taalgebruik ook onze zenuwen beroert. Het bezorgt ons, besluit Davis, “neural excitement never fully exorcised by later conceptualisation.”

Shakespeare lezen is niet alleen literair, historisch, filosofisch interessant, het blijkt nog goed voor je hersens te zijn ook.

(Bron: Philip Davis, “The Shakespeared Brain”, Literary Review, september 2008.)

01 september 2008

Bracht Obama stiekem hulde aan Jimmy Carter?

In de mediashow rond Barack Obama blijft Jimmy Carter geheel uit beeld. De ex-president is in zijn eigen partij uit de gratie gevallen. Niettemin bevatte Obama’s aanvaardingsspeech in Denver frappante echo’s uit de aanvaardingsspeech van Carter in 1976. Een stiekeme hulde?


Vorige week maandag, op de eerste dag van de Democratische Conventie in Denver, kreeg voormalig president (1977-1981) Jimmy Carter welgeteld zeven minuten aandacht van zijn partijgenoten. Er werd een filmpje getoond over zijn werk voor de slachtoffers van Hurricane Katrina in New Orleans, waarna hij samen met zijn vrouw Rose één minuut het podium op mocht om zwaaiend en lachend het applaus in ontvangst te nemen. Exit Carter. Geen speech, geen bloemen, niks.

Het is niet gering om op zo’n gewichtig moment een van de twee Nobelprijswinnaars voor de Vrede die de Democratische partij in haar rangen heeft (Al Gore kreeg hem ook, maar voor veel minder), zo zichtbaar de mond te snoeren. De vergelijking is overdreven, maar ik moest toch even terugdenken aan de goeie ouwe sovjetpraktijken, toen ministers en andere politieke leiders de ene keer wel op het bordes of op een foto verschenen, en dan weer niet...

De reden waarom de Democraten Carter naar de coulissen hebben verbannen, is heel simpel. Carter is een luis in de pels van zijn eigen partij. Hij kritiseert niet alleen het beleid van de Republikeinen, hij verkondigt ook meningen en stelt ook daden die zijn eigen partijgenoten hem niet in dank afnemen. Zo kreeg hij bakken kritiek over zich heen toen hij eerder dit jaar in Damascus over vrede in het Midden-Oosten ging praten met Khaled Mehsaal, de leider van de Palestijnse beweging Hamas. Carter is namelijk van mening dat je, als je een conflict wil oplossen, met álle partijen in het conflict moet praten, en niet alleen met die partijen die je het sympathiekst zijn. Zoveel simpele logica is in de internationale politiek zelden zegevierend. Toen Carter zich in zijn voorlaatste boek Palestine. Peace not Apartheid kritisch uitliet over het beleid van Israël, namen sommige zionistische gekken al het woord ‘antisemitisme’ in de mond. Howard Dean, voorzitter van de Democratische Partij, heeft zich openlijk gedistantieerd van de demarches van Carter in het Midden-Oosten. Carter mocht in Denver geen enkele rol van betekenis spelen, onder meer om de voor de Democraten electoraal erg belangrijke joodse gemeenschap niet te irriteren. Hij is een lastpak, en in de feel good show die zo’n conventie is, zijn lastpakken ongewenst, Nobelprijs of niet.

Jimmy Carter heeft zich in de nadagen van zijn ongelukkige presidentschap ontwikkeld niet alleen tot een internationaal gerespecteerd vredesactivist, voor het establishment van zijn eigen partij is hij een soort Socrates geworden, iemand die zonder enig eigenbelang dringende en vervelende vragen stelt. De gifbeker blijft hem wellicht bespaard, maar hij is wel degelijk een maverick in eigen rangen. Zoals de machthebbers van Athene Socrates uitspuwden, zo banden de Democraten Carter uit de partij, en legden zij hem in Denver het zwijgen op.

Het eerste signaal dat Obama zijn geëxcommuniceerde voorganger misschien wel in ere wilde herstellen, kwam er toen hij Zbigniew Brzezinski in zijn kring van adviseurs opnam. Brzezinski was Carters veiligheidsadviseur, een havik, onder meer verantwoordelijk voor de wanhoopspoging van het Amerikaanse leger in 1980 om de Amerikaanse gijzelaars in Iran met geweld te bevrijden, een catastrofale mislukking die mede het einde van Carters presidentschap heeft bezegeld. (Bij de presidentsverkiezingen in november 1980 blies Ronald Reagan hem het Witte Huis uit.) Brzezinski oogt vreemd in dat Obamakamp, minstens zo vreemd als Sarah Palin in het kamp van McCain.

Maar nu was er dus die speech van Obama in Denver, een speech die al bij voorbaat historisch was, want nog nooit eerder heeft een zwarte - enzovoort. Mij viel de speech eerlijk gezegd een beetje tegen. De retoriek verrast niet meer. We weten dat Obama kan speechen als geen ander - hij spreekt waarlijk beter dan Martin Luther King Jr. Maar de speech in Denver bevatte geen nieuwe, onweerstaanbare soundbites zoals Obama die eerder tijdens de voorverkiezingen wel bracht, genre “We are the ones...we’ve been waiting for.”

Het besluit om ook praktische beleidsvoorstellen en concrete beloften in zijn speech op te nemen, was misschien tactisch noodzakelijk, het maakte de speech niet beter, zelfs niet geloofwaardiger. Integendeel. Belastingverlaging voor 95% van de gezinnen, Amerika in tien jaar tijd onafhankelijk maken van Arabische olie...het waren beloften op de rand van het belachelijke. Hou me niet zo voor de gek, dacht ik, je weet zelf heel goed dat dit onmogelijk is. Ook de poging om zichzelf als een average guy te portretteren door beknopte familieportretjes te schetsen van flinke mama en hard werkende oma - het was allemaal vreselijk stereotiep en zo doorzichtig als wat. Maar misschien werkt het, politiek succes is niet noodzakelijk gebouwd op diepzinnigheid.

De speech verraste alleen door de toon, de heftigheid, de concrete aanvallen op McCain, ook al ontspoorden die uithalen soms in wel erg simplistische flauwiteiten, bijvoorbeeld over McCain die Osama bin Laden zomaar zou laten lopen: “John McCain likes to say that he’ll follow bin Laden to the Gates of Hell - but he won’t even go to the cave where he lives.” Tja.

Nee, het interessantste, en tot nu toe ook geheel onopgemerkte kenmerk van Obama’s redevoering waren de slinkse verwijzingen naar Carters aanvaardingsspeech.

Madison Square Garden, New York, 15 juli 1976. Carter, een pindaboer uit Georgia die als volslagen outsider de voorverkiezingen had gewonnen, begint zijn toespraak met een geweldige zin: “My name is Jimmy Carter, and I’m running for president.” Die zin was een allusie op een beroemde anekdote over John F. Kennedy, die tijdens de voorverkiezingen in 1960 een bar ergens in het winterse Wisconsin - Kennedy was buiten Massachusetts en Washington DC ook een volslagen onbekende nog - binnenstapte en de lokale tooghangers begroette met de woorden: “I’m John Kennedy and I’m running for President.” Waarop een van de stamgasten hem verbaasd aankeek en antwoordde: “President of what?”

Carters speech in 1976 stond helemaal in het teken van twee trauma’s die de relatie tussen de Amerikaanse bevolking en het politieke establishment hadden verziekt: het Watergateschandaal en de nog maar pas beëindigde oorlog in Vietnam. Hij gaf dat crisisgevoel tamelijk pregnant weer: “We have been a nation adrift too long. We have been without leadership too long. We have had divided and deadlocked government too long. (...) Our country has lived through a time of torment. It is now time for healing.” Tweeëndertig jaar later ziet ook Obama Amerika in een crisis verkeren: “We meet at one of those defining moments - a moment when our nation is at war, our economy is in turmoil, and the American promise has been threatened once more.”

In 1976 had het land behoefte aan een schone lei, onbesproken leiders, een nieuw begin. “There is a new mood in America,” zei Carter. “Our people are searching for new voices and new ideas and new leaders.” Obama speelde in op een vergelijkbare behoefte aan verandering en vernieuwing in nagenoeg dezelfde bewoordingen: “All across America something is stirring. (...) The American people (...) insist on new ideas and new leadership, a new politics for a new time.”

Over de verantwoordelijkheid en de ook wel beperkte macht van de politiek om zulke veranderingen te bewerkstelligen, zei Carter: “Although governments has its limits and cannot solve all our problems, we Americans reject the view that we must be reconciled to failures and mediocrity, or to an inferior quality of life.” Obama citeerde hem letterlijk: “Government cannot solve all our problems, but what it should do is that which we cannot do for ourselves (...).”

Een ander thema dat in beide redevoeringen aan bod kwam, is de kloof tussen politiek en bevolking. Beide kandidaten presenteerden zich nadrukkelijk als outsiders - ook Reagan deed dat overigens - die hun kandidatuur voor het presidentschap niét aan het politieke establishment in Washington te danken hebben. Carters maakte dat meteen duidelijk in zijn openingszin, Obama zei: “I realize that I am not the likeliest candidate for this office. I haven’t spent my career in the halls of Washington.” In zekere zin bedreven beide politici in hun aanvaardingsspeech anti-politiek: ze stelden de politieke kaste voor als een bende die grossiert in blunders en vergissingen, die elitair en wereldvreemd is, in de greep van lobbygroepen en het grote geld, en doof voor wat the people verlangt en verdient. Carter sprak over de politiek in het algemeen, Obama viseerde uiteraard McCain en Bush. Maar in beide speeches wordt een keiharde oppositie gesuggereerd tussen de bevokking en haar vervreemde leiders. En beide politici uitten de belofte dat zij deze kloof zouden dichten, en de regering, de politiek, weer in naam van de bevolking zouden doen spreken. Carter: “We have been hurt, we have been disillusioned. We have seen a wall go up that separates us from our own government.” Obama: “Our government should work for us, not against us. It should help us, not hurt us. ”

Carter stelde de cesuur tussen de people en de politiek wel heel scherp: “Each time our nation has made a serious mistake the American people have been excluded from the process. The tragedy of Vietnam and Cambodia, the disgrace of Watergate, and the embarrassment of the CIA revelations could heve been avoided if our government had simply reflected the sound judgement and good common sense and the high moral character of the American people.” Zo ver dreef Obama het niet.

Maar beiden drukten aan het einde van hun aanvaardingsspeech wel het geloof en het vertrouwen uit dat de verandering die zij voorstonden, onomkeerbaar was. Carter: “I see an America on the move again, united, a diverse and vital and tolerant nation...” Obama: “I believe that as hard as it will be, the change we need is coming. Because I’ve seen it. Because I’ve lived it.”

Alle Amerikaanse speeches in dit genre vertonen zekere gelijkenissen met elkaar, maar de echo’s van Carters speech in Obama’s rede zijn meer dan toevallige gelijkenissen. Terwijl alle commentatoren hem voortdurend in verband brengen met Kennedy en Clinton, heeft Obama wellicht stiekem ook hulde wilde brengen aan die ene voorganger over wie het in de partij zo lastig praten is. Die hulde is terecht, want Carter is misschien wel de meest onderschatte president uit de recente Amerikaanse geschiedenis. Je moet alleen hopen dat het Obama, als hij verkozen wordt, beter zal vergaan.

24 augustus 2008

Romeo en Julia: vertaalnotities (2)


In Shakespeares teksten zitten zwarte gaten: woorden, zinnen of uitdrukkingen die zo duister zijn dat nog niemand hun betekenis op overtuigende wijze heeft kunnen achterhalen. Als je bij een woord of een passage “famous crux” ziet staan, weet je dat je weer in zo’n gat bent aanbeland. Ook in Romeo and Juliet doen zich zulke zwarte gaten voor.

In een lange monoloog, meteen nadat de vorst van Verona Romeo heeft verbannen wegens zijn moord op Tybalt, verzucht de smachtende Julia:

Spread thy close curtain, love-performing night,
That runaway’s eyes may wink, and Romeo
Leap to these arms untalk’d-of and unseen.


De strekking is duidelijk: Julia wil met Romeo naar bed in den duik. Maar wat bedoelt ze precies met “runaway’s eyes”? Een berucht zwart gat. Wat zijn de hypothesen?

Volgens de editeurs van de Folgeruitgave uit 1992 is er geen probleem: “that runaway’s eyes may wink” zou betekenen: “those horses eyes may close.” De paarden waar het hier over gaat zouden dan de paarden van de zonnewagen zijn. Julia heeft een paar regels eerder gesproken over “Phoebus’ woning”, het huis van de zonnegod, en over Phaëton, de menner van de zonnewagen:
Gallop apace, you fiery-footed steeds,
Towards Phoebus’ lodging. Such a waggoner
As Phaeton would wip you to the west
And bring in cloudy night immediately.
Met andere woorden: hoe sneller de paarden de zonnewagen westwaarts door de hemel trekken, hoe vlugger het donker wordt, en de minnaars zich in het duister met elkaar kunnen vermengen. De paarden kunnen dan hun ogen sluiten (“wink” = sluiten).

Maar “runaway” betekent niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats “paard”. Een “runaway” is letterlijk een wegloper, een vagebond, een ontsnapte. De door Peter Holland bezorgde Penguinuitgave twijfelt dan ook aan de hippologische interpretatie: “eyes of the sun’s horses (?).” De Nortoneditie waarvan Stephen Greenblatt de general editor is, zet de twee mogelijkheden naast elkaar: “either the runaway horses of the sun or roving and curious vagabonds.” Klein probleem met de paardenhypothese: er staat “runaway’s”, niet “runaways’”. Spellingsregels waren in Shakespeares tijd minder rigide dan later, maar als je de crux op grond van hedendaagse regels bekijkt, dan zou het hier over maar één paard gaan, wat wellicht niet de bedoeling was, aangezien Julia het in de eerste regels over “steeds” (mv) had. Een andere mogelijkheid is dat “runaway” een verschrijving is. Volgens Dover Wilson stond er waarschijnlijk iets als “cunningest”: “cunningest eyes” zouden dan de ogen van de nieuwsgierigen zijn, de praatjesmakers, de roddelaars. Zodra zij hun ogen hebben gesloten, lijkt Julia nu te zeggen, zal niemand over Romeo kletsen (“untalk’d-of”) en kan hij mij ongezien (unseen) in de armen vliegen. Ook mogelijk.

Volgens de allerbeste teksteditie van Shakespeares werk, de Ardenreeks, blijft het probleem bestaan. “Runaway’s” zou volgens hier geciteerde bronnen ook naar de zon zelf kunnen verwijzen: “the sun which has at last turned and run before the irresistible onset of night.” Anderen denken dat Shakespeare met “runaway” de nacht bedoelde, en met “eyes” de sterren (de ogen van de nacht). Nog anderen denken dat “runaway” op de pas verbannen Romeo slaat. De Riverside, zowat de belangrijkste Amerikaanse editie van Shakespeares werk, is helemaal nergens zeker van: “runaway’s: unexplained; perhaps corrupt. Night must blind some thing or person that would comment harshly on their love.” Je hoort de voetnoot zuchten.

Hoewel ook de Ardeneditie de paardenhypothese het aannemelijkst lijkt te vinden, blijft de verwarring groot. Wat moet je als vertaler doen, als zelfs de Engelstalige commentatoren zo onzeker zijn? Ik zet de belangrijkste vertalingen op een rijtje:

Burgersdijk:
Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,
Luik ieder zwervend oog, dat Romeo
Onzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell’!


Courteaux:
O, spreid uw voorhang, liefdehoeder nacht,
Zodat elk heimlijk glurend oog zich sluit
En Romeo onbespied me in de armen vliegt.


Komrij:
Omfloers me, liefde-vergezellend duister,
Maak alle spieders blind - laat Romeo
Onopgemerkt in deze armen snellen.


Claus:
Trek de gordijnen dicht, nacht, die liefde
brengt,
en maak de loerders blind zodat Romeo
in deze armen springt, onbespied.


Opmerkelijk: geen van mijn illustere voorgangers heeft de associatie van “runaway” met de paarden van de zonnewagen in zijn vertaling opgenomen. Alle vier vonden ze deze hypothese blijkbaar de minst geloofwaardige, of de minst vertaalbare. In het geval van Claus is dit begrijpelijk, hij heeft immers de eerste vier regels, waarin Julia het over die zonnewagen heeft, gecoupeerd - wat ik uit dramatisch oogpunt bekeken een goede ingreep vind. Verder is het duidelijk dat elke vertaler met deze passage heeft geworsteld. Er gaat telkens veel verloren, er worden baarlijke trucs uitgehaald (Burgersdijks snell’), rare woorden bedacht (Courteaux’ liefdehoeder nacht, Komrij’s liefde-vergezellend), ritmes verrafelen. Ik zeg dit niet om hun werk te kritiseren, maar om aan te geven wat voor een hondse, hachelijke stiel vertalen wel kan zijn. Hoe ik het zelf ga doen? Ik kijk uit naar uw suggesties. (Wordt vervolgd.)

08 augustus 2008

Ode aan Watou

Zomervakantie en dus naar Watou geweest. Voor de achtentwintigste keer al organiseren Gwy Mandelinck en zijn vrouw Agnes Hondekyn daar in hun grensdorp wat je zou kunnen omschrijven als creatieve tussenkomsten in het landschap en in een paar bij voorkeur aftandse panden; confrontaties tussen woord en beeld, echo’s, verbanden, verrassingen. De gebeurtenis ‘Watou’ heeft in die jaren veel internationale aandacht en waardering verworven, met name in Nederland, de samenscholing van geelzwarte nummerborden op het krappe marktpleintje wordt met het jaar groter. Ook de gieren van de horeca zijn in deze kunstminnende nederzetting neergestreken: ik zag meer bedden & breakfasts dan vorige jaren. De kunstliefhebbers worden dit jaar in Watou zelfs opgewacht door een huifkar met tweespan, een attractie waarvan ik pas na enige tijd begreep dat ze niet was bedacht door een van de genodigde kunstenaars, maar door biermensen.

Het motto van Watou is dit jaar een versregel van Gerrit Kouwenaar: “Dat de verte nabijer dan ooit was.” Hoe die regel zich verhoudt tot de tentoongestelde werken van dichters en beeldende kunstenaars, is me tijdens de wandeling niet helemaal duidelijk geworden. Me dunkt dat er tussen Kouwenaars vers en de tentoongestelde kunst in ieder geval meerdere verbanden bestaan, de ene kunstenaar lijkt de verte te omarmen, een andere schuwt haar. Het vers biedt hooguit een wat vage, thematische oriëntatie. Uit de tekst die Mandelinck ter inleiding voor de catalogus schreef en die ik pas na mijn bezoek las, werd ik ook niet veel wijzer. Maar dat is allemaal niet erg.

Watou heeft altijd iets van een speurtocht: tussen de wilgen en de maisvelden zoek je naar wat beeldende kunstenaars en dichters nu weer hebben aangericht. Naar vondsten, gekte, ontroering, humor ook. Naar manieren waarop beelden en teksten communiceren met hun omgeving. Sommige kunstwerken doen dat nadrukkelijk, zoals bijvoorbeeld de video’s van Annelies Strba (“Dawa) en Andrea Fraser (“A visit to the Sixtine Chapel”) en de installatie “Salvator Globe” van Koen Vanmechelen, die in de Sint-Bavokerk op het marktplein van Watou te zien zijn. De grappigste, ook wel poëtische visualisering van Kouwenaars vers vond ik “Dwelling” van de Japanse kunstenaar Hiraki Sawa, een videofilmpje in zwartwit waarin tientallen vliegtuigjes door de kamers van een appartement zweven. Het heeft iets dromerigs, maar het kan ook de nachtmerrie zijn van een luchtverkeersleider die na een drukke dag in de controletoren thuiskomt en voor zijn geestesoog alleen maar stijgende en dalende vliegtuigen ziet.

Alle geselecteerde gedichten zijn door architect-criticus Koen Van Synghel gereproduceerd op spiegelglas her en der in het landschap neergezet, waardoor de verte als vanzelf tussen de woorden dringt, en de woorden in het landschap lijken weg te vloeien. Andere werken lijken zich van hun omgeving helemaal niet bewust, en hadden net zo goed elders kunnen hangen of staan. Werken waar je soms zou willen tegen zeggen: wat doe jij hier in Watou? Want dat lijkt me toch noodzakelijk binnen de optiek van dit evenement: dat de kunst weet heeft van de plek waar ze zich bevindt.

En dwars door dat alles: Claus. In iedere stopplaats op het parcours is hij aanwezig, wacht zijn stem je op. Een beetje overvloedig misschien, maar de schrijver was hier jarenlang een trouwe gast, hij is hier in het verleden meermaals gefêteerd, op het marktplein staat al jaren zijn door Raveel in de lucht uitgesneden silhouet - de hommage is dus vanzelfsprekend. En het deed deugd om hem weer eens te zien en te horen lezen, dat Nederlands, die stem, die gedichten. Eén keer was het weerzien beklemmend: in een zolderkamer van het voormalige rusthuis van Watou, een locatie die dit jaar voor het eerst in het parcours is opgenomen, loopt een video waarop Claus “De sporen” leest, zijn meedogenloze incantatie over verval en afscheid en dood (“De sporen / van zijn zingende zaag / van bedelende kater / van het ineenzakkend plastic gebeente / van de zee eindelijk zonder geraas”). Er rusten in het rusthuis nu geen oudjes meer, de laatsten zijn een paar maanden geleden naar Poperinge overgebracht, maar hun weeë geur hangt er nog. De plek, de geur en de onvermijdelijke gedachte aan Claus’ euthanasie en de heisa eromheen, maakten het gedicht nog pregnanter dan het al was. Elders, op een andere video, zie je naast Claus’ spreekgestoelte Eddy Van Vliet zitten, ook een dichter die erg van Watou hield, ook dood, vijf jaar al, zijn asse is destijds verstrooid in de wei tegenover Mandelincks huis, zijn grafmonument, een raam in het landschap, staat er nog steeds.

Watou 2008 is geen ophefmakende editie maar bevat toch weer een aantal interessante confrontaties tussen woord en beeld, tussen kunst en context, reflectie en natuur. Het introduceert ook dit jaar weer vele duizenden mensen met nieuwe namen en werken, en bereikt alleen al daardoor in twee maanden meer dan vele galerieën in jaren.

Het is daarom des te bedroevender dat dit internationaal vermaarde gebeuren ook in zijn achtentwintigste jaar weer met ernstige financiële moeilijkheden kampte, en pas kon doorgaan dankzij een in extremis bedongen subsidie van minister Geert Bourgeois. Niet verwonderlijk dus dat de onvermoeibare Gwy en Agnes toch een beetje vermoeid klonken, dit jaar. De financiële last begint te wegen. Met name de transportkosten van kunst en kunstenaars zijn astronomisch toegenomen. Terwijl de vaak piepjonge kunstenaars die zij hier tentoonstellen in vele gevallen steeds sneller steeds grotere sommen verdienen in de geglobaliseerde kunstmarkt, blijft het voor de organisatoren wroeten en tellen. Misschien houden ze er volgend jaar wel mee op, bedacht ik tijdens de terugrit naar het binnenland, misschien beramen ze in stilte het afscheid van hun eigen schepping. Het zou wel mooi kunnen zijn: nog één keer een knaleditie, de weiden bezaaien met werken van alle kunstenaars die hier ooit aandacht kregen, veel pers, veel publiek - en dan de hele boel in de fik steken. Een gigantische kunstbrand, het ultieme vreugdevuur der ijdelheden, het hele dorp van de kaart geschroeid. Waarna alleen nog as en onkruid. En het raam van Van Vliet en het silhouet van Claus - als twee mysterieuze meteoren.

Maar voor het zover is: Vlaamse Gemeenschap, geef deze twee mensen een prijs. De Mandelincks hebben voor de kunst al lang veel meer gedaan dan menig kunstenaar die in de afgelopen kwarteeuw heeft mogen exposeren daar tussen de maiskolven. Dat verdient onbekrompen hulde, punt.

Poëziezomer Watou, nog tot 7 september. Info: www.poeziezomerswatou.be
E-mail: mandelinck@gmail.com

18 juli 2008

Land van honden en gebak

“Zijn wij nu al toeristen?” vraag ik aan mijn huisgenoten in de auto tien minuten na het vertrek, ter hoogte van Sint-Genesius-Rode, dit is het begin van een lange autoreis naar Portugal. Nee, nu nog niet, oordeelt de achterbank. Maar wanneer dan wel?
“Als je de grens oversteekt,” zegt zoon.
“Maar er zijn geen grenzen meer,” zegt dochter.
“Dan kun je ook nooit toerist in eigen land zijn,” zegt vrouw.

Onduidelijk dus waar de jaarlijkse metamorfose aanvat, maar ’s avonds in het zuiden van Frankrijk zijn we toch weer helemaal vertoerist, hebben we opnieuw de tijdelijke gedaante van principieel verwonderde passanten aangenomen, zijn we weer bereid ons inzake hygiëne, communicatie en oriëntatie ongemakken te laten welgevallen die we in de vertrouwde habitat onaanvaardbaar zouden vinden. Over ongemakken gesproken: het is fijn vast te stellen dat de zonderlinge gewoonte der Fransen om staande de darmen te legen ook in de provincie nagenoeg is uitgestorven. Zelfs in kleine afspanningen langs de snelweg heeft men inmiddels de voordelen van het hurkschijten ingezien, die EU dient niet voor niets.

Bilbao. Ik wilde dat reusachtige, beetje onhandig opengewerkte conservenblik van een Guggenheim wel eens zien. Het gebouw overtreft alles wat ik erover had gelezen, alle foto’s ervan die ik had gezien. Hedendaagse architectuur op zijn vermetelst, een baldadig gebouw dat, zoals bij hedendaagse musea wel vaker het geval is, in de eerste plaats zichzelf tentoonstelt. In Bilbao is dat niet erg. Van alle kunstenaars wier werk ik hier in deze luttele middaguren te zien krijg, is Frank Gehry de grootste – al is dat natuurlijk een veel te vage en luie omschrijving. (De grootste!) Maar ook “Maman”, de reuzespin van Louise Bourgeois die op de schitterende esplanade bij de ingang van het museum waakt, is een indrukwekkend kunstwerk. Wie het museum bezoekt moet beslist in de audiofoon luisteren naar wat de oude Bourgeois zelf over haar spin te vertellen heeft – ontroerende herinneringen aan haar eigen moeder.

Uit België de vertrouwde berichten: slecht weer, knoeiende politici.

“Daags voor de slag bij Aljubarrota (14 augustus 1385) beloofde koning D. João I de Heilige Maagd dat hij, als hij de overwinning zou behalen op de Castilianen, een klooster zou laten bouwen op de plaats van de veldslag. De Portugezen wonnen en D. João kwam zijn belofte na,” lees ik in het voortreffelijke boek Portugal van de Nederlands-Portugese schrijver J. Rentes de Carvalho (De Arbeiderspers, negende druk 1999). In 1388 werd begonnen met de bouw van het klooster van Batalha, een van die typische, reusachtige, uit kalksteen en godsvrucht opgetrokken gebouwen waarbij ik me altijd weer dezelfde simpele vraag stel: hoe hebben ze het ooit kunnen bouwen? Portugal zit goed in de kloosters, valt me op tijdens deze reis door een land waar ik zo goed als niets vanaf weet. Die onwetendheid wordt nog versterkt door de taal natuurlijk, voor wie haar niet doorgrondt klinkt Portugees als verkouden Spaans, met af en toe een gemene, vette, verrassend Antwerps klinkende klinker, meestal in combinatie met de letter l. Fonetiek voor honden.
Na Batalha volgt het nog indrukwekkender Balcobaça, nog later nemen we een dag om het Convento de Cristo in Tomar te bezoeken. Wat zég je tegen zulke gigakloosters? Mocht het niet wat minder? Wie moet dat hier poetsen? Onmacht, ongeloof, onbegrip. Maar indrukwekkend is het allemaal wel.

Portugal: het enige land dat ik ooit heb bezocht waar de weldadige producten van bakkers en patissiers met dezelfde quasi existentiële passie worden genoten als in België. Portugal: land waar iedereen met een beetje tuin op zijn minst twee honden heeft. Portugal: land van gebak en geblaf. De antropologisch verfijnde conclusies waar toeristisch veldwerk een mens toe noopt.

Het is 16 juli, in een krantenwinkel in Tomar vinden we zowaar De Morgen van dezelfde dag. Onder een paginabrede cartoon van Zak druipt de politieke ontreddering van het papier. (“Leterme vecht voor uitstel om eigen vel en regering te redden.”) Yves Desmet noemt het CD&V-NV-A-kartel “een electorale dopingpil”, een van de betere politieke metaforen van de laatste tijd. Binnenin valt op waarom De Morgen er hier zoveel beter uitziet dan in België: de Portugese editie is, op de cartoon van Zak na, helemaal in zwartwit gedrukt, wat nog altijd veel classier oogt dan al die kleurenfoto’s waardoor ook ‘kwaliteitstabloids’ steeds meer lijken op stripalbums en toeristische folders.

In Alcobaça, de schitterendste gotische kerk die ik ooit heb gezien, staan in de dwarsbeuken tegenover elkaar de graftombes van koning D. Pedro I en zijn geliefde Inês de Castro. Naar verluidt zijn ze “op uitdrukkelijke wil van de koning met de voeten naar elkaar toe geplaatst, opdat ze bij hun verrijzenis op de dag van het Laatste Oordeel elkaar onmiddellijk zouden zien.” Deze romantische wens is een verzinsel, knort Rentes de Carvalho in zijn gids, oorspronkelijk stonden de tombes immers naast elkaar. Maar wie geeft er nu iets om historische feiten in een kerk? In zekere zin is elke kerk de uitdrukking van een romantische wens. Voet tegen voet de eeuwigheid tegemoet: prachtige onzin waar geen feit tegenop kan.